Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5505

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
22-005190-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich midden in de nacht, in een woonstraat bij het huis van zijn vriendin, schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op mensen uit zijn eigen intieme kring, door na een ruzie met zijn vriendin met een vuurwapen meerdere malen in hun richting te schieten.

Voorts heeft de verdachte een pistool en munitie voorhanden gehad.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan vernieling van ruiten van de woning van zijn vriendin.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 5 (vijf) maanden, met aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-08-21
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005190-10

Parketnummer: 12-715278-10

Datum uitspraak: 21 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 7 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1986,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - Huis van Bewaring De Torentijd te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:

hij op of omstreeks 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer 3] in zijn be(e)n(en) werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer 3] in zijn be(e)n(en) werd geraakt;

2:

hij op of omstreeks 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten een of meer scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

3:

hij op of omstreeks 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, opzettelijk en wederrechtelijk van een woning gelegen aan de [A-straat] een of meer ruiten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer 3] in zijn benen werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

3:

hij op 14 mei 2010 te Axel, gemeente Terneuzen, opzettelijk en wederrechtelijk van een woning gelegen aan de [A-straat] ruiten, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ter zake van feit 1 primair

De raadsman van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot doodslag van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde pleitnotitie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 14 mei 2010 heeft op de Beatrixtraat te Terneuzen een schietpartij plaatsgevonden. Daarbij is [slachtoffer 3] gewond geraakt. De verdachte had die avond ruzie met zijn vriendin [slachtoffer 1] [slachtoffer 1], zoals zij en ook hij zelf hebben verklaard. Uit de getuigenverklaringen van [getuige A] en [getuige B] blijkt eveneens, gelet op de woorden die de verdachte heeft gebruikt, dat de verdachte en [slachtoffer 1] ruzie hadden.

Door de verdachte is verklaard dat het wapen, dat hij had afgepakt van [slachtoffer 3], per ongeluk afging, en dat hij het wapen niet heeft gericht op personen maar schuin naar beneden hield waarbij zijn hand als gevolg van de schoten omhoog ging.

Het hof hecht aan deze verklaring, gelet op de verklaringen van [getuige C], [getuige D] en [slachtoffer 3], alsmede op de aangetroffen inslagen van de kogels, geen geloof. [getuige C] verklaart dat de persoon bij de dierenvoedingszaak een arm strekte en dat hij vervolgens een paar harde knallen hoorde. Ook [getuige D] verklaart dat hij een man ter hoogte van de dierenvoedingszaak zag, dat deze man zijn arm recht voor zich uitstrekte en dat hij toen pistoolschoten zag en hoorde. [slachtoffer 3] verklaart dat hij zag dat de verdachte met één van zijn armen omhoog stond toen hij één van de schoten hoorde.

Blijkens het proces-verbaal sporenonderzoek is in de ruit van het raam van de woonkamer van de woning van [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] een inschotbeschadiging geconstateerd, alsmede in de linkerzijde van de bumper van de Volkswagen Golf, die voor de woning van [slachtoffer 1] stond geparkeerd.

Het hof leidt hieruit af dat het wapen toen de verdachte schoot niet naar beneden was gericht en dat de verdachte in de richting van de woning van [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij slechts eenmaal de trekker had overgehaald, waarop het wapen de kogels afvuurde, als een mitrailleur.

Het hof acht dit gelet op de verklaringen van [getuige E] en [getuige F] niet geloofwaardig. Beiden verklaren eerst een schot gehoord te hebben en daarna een aantal schoten achter elkaar. Daaraan staat de verklaring van de getuige [getuige G] niet in de weg. Hij verklaart een aantal droge knallen repeterend kort achter elkaar gehoord te hebben en herkent in zijn hoedanigheid als politieagent deze knallen als schoten met een vuurwapen. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte meerdere malen de trekker van het wapen heeft overgehaald.

Het hof is - anders dan de raadsman - voorts van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 3], alsmede van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 2].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat, zoals hierboven reeds is weergegeven, de verdachte meermalen in de richting van de woning van [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] heeft geschoten.

[slachtoffer 3] stond volgens zijn verklaring op het moment van het schieten op de stoep naast de auto aan de bestuurderskant en wilde achter in de auto instappen. Op dat moment hoorde hij schoten en voelde hij dat zijn linkerbeen warm werd. Volgens de verklaring van [slachtoffer 3] was [slachtoffer 1] net uit de auto van [slachtoffer 2]gestapt en liep zij in de richting van haar woning. Dit komt overeen met de verklaring van getuige [getuige B], die voorts haar na het eerste schot een beetje ziet wegduiken. [slachtoffer 2] bevond zich blijkens zijn verklaring in de auto op de bestuurdersstoel. De verdachte bevond zich blijkens het forensisch sporenonderzoek op ongeveer 23 tot 27 meter afstand van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2].

Het hof is van oordeel dat indien met een vuurwapen meermalen van een afstand van 23 tot 27 meter wordt geschoten in de richting van een drietal personen die zich in de nabijheid van elkaar bevinden, de kans aanmerkelijk is te achten dat die gedraging de dood van één of meerdere van deze personen ten gevolge heeft.

Door aldus te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich in zijn schootsveld bevonden, van het leven zou beroven zodat aldus, tenminste in voorwaardelijke zin, zijn opzet daarop was gericht. Hij heeft die kans blijkens zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

Dat de verdachte ten tijde van zijn handelen onder invloed was van het gebruik van alcoholische drank doet daar niet aan af.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich midden in de nacht, in een woonstraat bij het huis van zijn vriendin, schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op mensen uit zijn eigen intieme kring, te weten [slachtoffer 1] [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], door na een ruzie met zijn vriendin met een vuurwapen meerdere malen in hun richting te schieten. Dergelijk misdrijven getuigen van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Een feit als het onderhavige draagt bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt bij burgers gevoelens van onveiligheid teweeg. Verschillende buurtbewoners hebben dit nachtelijk schietincident meegemaakt.

Aan de andere kant heeft het hof bij de bepaling van de strafmaat laten meewegen dat de verdachte er niet op uit was om zijn vriendin, zijn broer en zijn vriend van het leven te beroven, maar dat hij handelde in een situatie waarbij sprake was van voorwaardelijk opzet. Hij heeft ook spijt betuigd.

Voorts heeft de verdachte een pistool en munitie voorhanden gehad. Dit zijn ernstige feiten, omdat het bezit daarvan - zo in casu is gebleken - al gauw leidt tot het gebruik ervan. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan vernieling van ruiten van de woning van zijn vriendin. Daarmee heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom en tevens financiële schade en overlast veroorzaakt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, tot gevangenisstraf van aanzienlijke duur, voor het plegen van ernstige strafbare feiten, merendeels geweldsmisdrijven en eenmaal wapenbezit. Hij was ten tijde van de onderhavige feiten nog maar een paar maanden vrij. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat bij een feit waarvoor hij eerder werd veroordeeld ook een vuurwapen betrokken was.

Een en ander heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft geconstateerd dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Na het instellen van het hoger beroep op 13 oktober 2010 is het dossier eerst op 25 juli 2011 bij het hof binnengekomen. De inzendtermijn van in casu zes maanden is daarmee met ruim drie maanden overschreden.

Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat, met dien verstande dat op de overwogen passende en geboden gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden 1 maand in mindering zal worden gebracht, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 5 maanden resteert.

Beslag

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot welke het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het hof zal de teruggave gelasten van het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 huls.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zwarte biljartkeu, half afgebroken.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 augustus 2012.