Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5499

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
200.110.609-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; terugkeer naar Italië gelast. HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/73

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 22 augustus 2012

Zaaknummer : 200.110.609/01

Rekestnummer rechtbank : 12-4271

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. W.A. Voorips-Breddels te Zeist,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats], [streek], Italië,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 27 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 juli 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 9 augustus 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 3 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 13 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door mr. I.P.M. Boelens, waarnemend voor mr. W.A. Voorips-Breddels;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en mevrouw J.L. Dubois, tolk in de Italiaanse taal.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

Uit de moeder is te [woonplaats], [streek], Italië, geboren: [de minderjarige] op 26 november 2007 (hierna: de minderjarige).

De vader heeft de minderjarige erkend.

Tot het gezin van de vader en de moeder behoorden tevens de dochter uit een eerdere relatie van de moeder: [X], geboren op [in] 1996 te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (hierna: [X]) en de zoon uit een eerdere relatie van de vader: [Y], geboren op [in] 2000 te [woonplaats], Italië.

De moeder heeft op 27 augustus 2011 de gemeenschappelijke woning van partijen te [woonplaats], Italië, verlaten. Zij is daar niet meer teruggekeerd. Na enige tijd bij haar zus in Italië te hebben verbleven, is zij naar Nederland verhuisd.

De vader heeft op 19 september 2011 bij de politie te [woonplaats], Italië, aangifte gedaan tegen de moeder van onttrekking van de minderjarige aan het ouderlijk gezag.

De minderjarige verblijft thans feitelijk bij de moeder te [woonplaats].

De vader heeft de Italiaanse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse en de Italiaanse nationaliteit. De minderjarige heeft de Nederlandse en de Italiaanse nationaliteit.

Op 7 december 2011 heeft de vader zich, door middel van de centrale autoriteit te Italië, tot de centrale autoriteit in Nederland gewend en een verzoek tot teruggeleiding ingediend op grond van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen gesloten te ’s-Gravenhage op 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: HKOV).

Op 8 juni 2012 heeft de vader de rechtbank verzocht de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar het adres R. Veletti nummer 11, tweede verdieping, gelegen te [woonplaats] ([streek], Italië), althans naar de gewone verblijfplaats van de minderjarige, te weten [woonplaats], althans Italië, dan wel indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen, te bepalen op welke datum de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal worden afgegeven, zodat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Italië, indien nodig met behulp van de sterke arm. Voorts heeft de vader verzocht de moeder te veroordelen in de door hem gemaakte reis- en verblijfkosten, alsmede de kosten in verband met het inschakelen van juridische bijstand.

Bij de bestreden beschikking is de terugkeer van de minderjarige naar Italië gelast, uiterlijk op 9 augustus 2012, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Italië, en is bevolen, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Italië, dat de moeder de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven, uiterlijk op 9 augustus 2012, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Italië. Voorts is de moeder veroordeeld tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.252,-. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van de minderjarige naar Italië.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en (naar het hof begrijpt) de inleidende verzoeken van de vader - om de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Italië te bevelen en om de moeder te veroordelen in de proceskosten - alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

3. De vader verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het door de moeder bij appel verzochte te vernietigen (het hof leest: af te wijzen) en de moeder te veroordelen in de proceskosten van de vader in appel;

II. in incidenteel appel de bestreden beschikking slechts te vernietigen voor zover het gaat om het teruggeleiden naar Italië zonder nadere plaatsaanduiding en daarmee feitelijk onder bekrachtiging van de beschikking, in appel: de terugkeer te gelasten van de minderjarige, [de minderjarige], geboren op 26 november 2007 te [woonplaats] ([streek], Italië), naar zijn gewone verblijfplaats in Italië, [woonplaats], uiterlijk op 1 september 2012, althans een nader door het hof te bepalen datum, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Italië, [woonplaats], en te bevelen dat, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar de gewone verblijfplaats in Italië, [woonplaats], dat de moeder de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 1 september 2012, althans een door het hof te bepalen datum, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Italië, met veroordeling van de moeder in de proceskosten in eerste aanleg, begroot op € 1.252,-, en de proceskosten in appel.

Principaal appel

Nieuwe gronden

4. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep een nieuwe grief aangevoerd, te weten dat de vader geen beroep kan doen op het HKOV nu hij volgens haar niet het gezag over de minderjarige uitoefende. Volgens de moeder had zij, op het moment dat zij naar Nederland vertrok, alleen het gezag over de minderjarige.

5. Het hof overweegt als volgt. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert om te betogen dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Ingevolge artikel 359 juncto artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoort het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het berust. Deze regel brengt mee dat de verweerder bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door het beroepschrift is vastgelegd. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel geen acht behoort te slaan op grieven die in een later stadium dan in het beroepschrift worden aangevoerd.

6. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Daarnaast kan in het algemeen het aanvoeren van een grief na het tijdstip van het indienen van het beroepschrift toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.

7. De vader heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk verzet tegen het in behandeling nemen van de door de moeder eerst ter zitting geformuleerde grief. Er is dus geen sprake van een ondubbelzinnige instemming van de wederpartij met de aanvulling van de grief tegen de bestreden beschikking. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is overwogen, zal het hof op deze grief geen acht slaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de overige hiervoor genoemde uitzonderingen zich niet voordoen. Het hof overweegt daarbij nog ten overvloede dat de moeder geen beroep heeft gedaan op bijzondere omstandigheden, die zouden meebrengen dat zij de door haar eerst ter zitting aangevoerde grief niet eerder had kunnen aanvoeren. Het door de moeder eerst op de zitting in hoger beroep formuleren van een nieuwe grief zonder voldoende onderbouwing is in strijd met een behoorlijke procesorde nu de vader niet voldoende in de gelegenheid is de grief te weerspreken en het Hof niet in staat is de grief afdoende te beoordelen, te meer nu zowel in eerste aanleg als in het appelschrift het uitgangspunt was dat er sprake is van gezamenlijk gezag. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat de ouders op het moment van de overbrenging door de moeder van de minderjarige naar Nederland de ouders gezamenlijk het gezag over hem uitoefenden.

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren (artikel 3 HKOV) en onmiddellijke terugkeer (artikel 12 HKOV)

8. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat sprake was van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland in de zin van het HKOV. De moeder voert daartoe aan dat de vader haar toestemming heeft gegeven om met de minderjarige naar Nederland te verhuizen. De moeder betoogt dat de vermelding op het geboortecertificaat, anders dan de vader stelt, niet is toegevoegd om haar in staat te stellen in 2008 met de minderjarige de Kerstdagen bij haar familie in Nederland door te brengen, nu beide ouders met de Kerstdagen in 2008 in Nederland zijn geweest. De vermelding op het geboortecertificaat is volgens de moeder met een andere reden gegeven, te weten om met de minderjarige naar Nederland te verhuizen.

9. De vader betwist dat hij toestemming heeft gegeven aan de moeder om met de minderjarige naar Nederland te vertrekken, laat staan om met de minderjarige definitief in Nederland te wonen. De vader voert daartoe aan dat uit de aantekening op het geboortecertificaat van de minderjarige niet blijkt dat hij reeds in 2008 aan de moeder toestemming heeft gegeven om in 2011 met de minderjarige naar Nederland te verhuizen. Het betreft volgens de vader een reisdocument voor de minderjarige dat nodig was omdat partijen met de minderjarige in 2008 de Kerstdagen wensten door te brengen bij de familie van de moeder in Nederland.

10. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland in de zin van het HKOV. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep heeft de moeder, naar het oordeel van het hof, niet dan wel onvoldoende, onderbouwd dat de vader haar toestemming heeft gegeven om met de minderjarige te verhuizen naar Nederland.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de minderjarige ongeoorloofd naar Nederland is overgebracht in de zin van artikel 3 HKOV en dat, nu minder dan één jaar is verstreken sinds de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Italië dient te volgen zoals bedoeld in artikel 12 HKOV, tenzij sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 HKOV.

Weigeringsgrond: lichamelijk of geestelijk gevaar (artikel 13 lid 1 sub b HKOV)

12. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige aan een gevaar in de zin van artikel 13 lid 1 aanhef en sub b HKOV wordt blootgesteld, dan wel op andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht in geval van een terugkeer naar Italië. De moeder voert daartoe aan dat deze weigeringsgrond wel degelijk kan worden ontleend aan de door haar overgelegde verklaringen van haarzelf en haar familie over het door haar gestelde geweld. Bovendien bestaat er een samenhang tussen de verklaringen van de vader, de familie van moeder en het verslag uit het ziekenhuis dat melding maakt van de verwondingen van haar minderjarige dochter [X], aldus de moeder. Dat het geweld niet is toegebracht aan de minderjarige zelf, doet daaraan volgens de moeder niet af, nu een (stief)ouder zich van geweld tegen ieder kind dient te onthouden. Daarbij komt nog, zo stelt de moeder, dat de vader de overgelegde verklaringen, anders dan de rechtbank overweegt, niet gemotiveerd heeft betwist. Hij heeft ter zitting slechts volstaan met een blote ontkenning. De door de vader overgelegde verklaringen van de kleuterschool en de regionale gezondheidsdienst kunnen volgens de moeder niet worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting, nu de verklaring van de kleuterschool alleen iets zegt over de frequentie waarmee de minderjarige op school was en over zijn gedrag in die periode en de verklaring van de regionale gezondheidsdienst een proces-verbaal is van hetgeen de vader heeft gezegd.

13. De vader stelt dat de veiligheid van de minderjarige op geen enkele wijze in het geding is als hij zou worden teruggeleid naar Italië. De moeder heeft volgens de vader niet onderbouwd dat sprake is geweest van stelselmatig huiselijk geweld gepleegd door hem jegens haar en de kinderen. De vader betwist ook dat daarvan sprake is geweest. De door de moeder overgelegde ziekenhuisverslagen geven geen verband aan tussen huiselijk geweld van de vader jegens de moeder en de kinderen en de overgelegde verklaringen van de familieleden van de moeder worden door de vader betwist. Voorts stelt de vader dat de verklaring van mevrouw drs. J. Lonkhuizen gebaseerd is op informatie van de moeder en haar dochter zelf, die niet als objectief kan worden geoordeeld. Bovendien zal, zo stelt de vader, de situatie van de minderjarige in de gaten worden gehouden indien hij terugkeert naar Italië en zal aan hem ondersteuning worden geboden teneinde de minderjarige te kunnen beschermen.

14. Voorts stelt de moeder zich op het standpunt dat van haar niet gevergd kan worden terug te gaan naar Italië. De vader heeft op 19 augustus 2011 strafrechtelijk aangifte gedaan, waardoor zij mogelijk wordt vervolgd wanneer zij zich op Italiaans grondgebied begeeft. Dat de vader ter zitting heeft verklaard dat hij de aangifte zal intrekken indien zij de minderjarige terug brengt naar Italië en dat hij één en ander reeds bij de politie heeft gemeld, maakt dit volgens de moeder niet anders, nu het slechts een enkele toezegging van de vader betreft. Overigens zijn er volgens de moeder ook andere feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat van haar niet gevergd kan worden terug te keren naar Italië. Zo heeft zij daar geen werk en inkomen en heeft zij de zorg voor haar vijftienjarige dochter in wier belang het is dat haar huidige leefomstandigheden in Nederland worden gecontinueerd.

15. De vader stelt dat hij de door hem gedane aangifte zal intrekken op het moment dat de minderjarige terugkeert naar Italië. Hij stelt het van belang te achten dat het contact tussen de moeder en de minderjarige in stand blijft. Volgens de vader loopt de moeder feitelijk geen risico van arrestatie, laat staan van het langdurig gescheiden zijn van de minderjarige. Ook anderszins zijn er voor de moeder geen belemmeringen terug te keren naar Italië, aldus de vader. De moeder spreekt vloeiend Italiaans, heeft lange tijd in Italië gewoond, heeft haar werkzaamheden in Italië gehad en heeft er ook familie wonen. Dat de moeder een dochter heeft uit een eerdere relatie vormt volgens de vader evenmin een beletsel om terug te keren naar Italië, nu deze dochter gedurende een lange tijd in Italië heeft gewoond.

16. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de moeder niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige aan een gevaar in de zin van artikel 13 lid 1 aanhef en sub b HKOV zal worden blootgesteld, dan wel op een andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht in geval van terugkeer naar Italië. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep heeft de moeder, naar het oordeel van het hof, het door haar gestelde gewelddadige karakter van de vader onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft de vader ook in hoger beroep bevestigd dat hij de door hem tegen de moeder gedane strafrechtelijke aangifte zal intrekken indien de moeder samen met de minderjarige terugkeert naar Italië dan wel indien de minderjarige alleen terugkeert naar Italië. Het hof gaat er van uit dat de vader zich aan deze toezegging zal houden. Het hof gaat dan ook, evenals de rechtbank, voorbij aan de stellingen van de moeder omtrent een mogelijke arrestatie. Voorts is ook in hoger beroep niet gebleken dat het voor de moeder onmogelijk is terug te keren naar Italië en een met een in Nederland vergelijkbaar bestaan op te bouwen. Dat het voor haar heel moeilijk zal zijn een baan te vinden in Italië en inkomen te genereren, maakt dit niet anders, nu een nadere onderbouwing hiervan, ook in hoger beroep, ontbreekt.

17. Nu geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 van het HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat door een toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. Dit belang strekt ertoe de banden van het kind met diens familie te behouden en te verzekeren dat diens ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. Nu de moeder, daarnaar bevraagd door het hof, ter terechtzitting heeft verklaard dat zij, in het geval het hof tot teruggeleiding van de minderjarige zal beslissen, naar alle waarschijnlijkheid niet met de minderjarige mee terug gaat naar Italië, ziet het hof dit als een eigen (vrijwillige) keuze van de moeder, nu er zijdens de moeder geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die er aan in de weg staan dat de moeder met de minderjarige naar Italië verhuist. Dat de moeder thans geen huisvesting en inkomen in Italië zou hebben, betekent niet dat zij die niet in de toekomst kan verwerven. Nu de vader de minderjarige bij een terugkeer naar Italië zal opvangen, is aan het eerste aspect van het belang voldoende gewicht toegekend. Met betrekking tot het aspect van een veilige omgeving, verwijst het hof naar hetgeen door de vader is gesteld met betrekking tot het monitoren van de minderjarige in Italië door de betreffende instanties, waaruit volgt dat ook dit aspect zich niet tegen een teruggeleiding van de minderjarige naar Italië verzet. Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd en de terugkeer van de minderjarige naar Italië zal worden gelast.

Incidenteel appel

18. De vader stelt zich op het standpunt dat de teruggeleiding van de minderjarige dient te geschieden naar de plaats van zijn gewone verblijf, te weten [woonplaats]. Volgens de vader is een teruggeleiding naar Italië veel te breed en doet deze geen recht aan een herstel van de oude (gezag)situatie.

19. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het primaire verzoek van de vader om de teruggeleiding naar zijn adres c.q. woonplaats te laten plaatsvinden, heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep wordt geen beslissing genomen over de verblijfplaats van de minderjarige.

Proceskosten

20. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. Zij stelt de proceskosten niet te kunnen voldoen nu zij onvoldoende inkomsten heeft. De kostenveroordeling is volgens de moeder in strijd met de redelijkheid en billijkheid daar dit alle lasten op haar zou leggen.

21. De vader stelt dat de door hem gemaakte kosten ook in het kader van het hoger beroep dienen te worden vergoed. Deze kosten in hoger beroep bestaan volgens de vader uit een eigen bijdrage van € 229,50, het griffierecht van € 291,- en de reis- en verblijfkosten van € 485,- en € 120,-, in totaal € 1125,50.

22. Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, voor zover hier van belang, kan de rechter desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de centrale autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

23. Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft gesteld onvoldoende reden om af te wijken van het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. De vader heeft zijn verzoek om de moeder te veroordelen in de door hem gemaakte kosten in eerste aanleg en hoger beroep voldoende onderbouwd. De moeder heeft de hoogte van dit bedrag niet weersproken. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit onderdeel bekrachtigen en de moeder veroordelen tot betaling van de door de vader in hoger beroep gemaakte kosten.

24. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en voorts beschikkende:

gelast de terugkeer van de minderjarige [de minderjarige], geboren op 26 november 2007 te [woonplaats], [streek], Italië, naar Italië uiterlijk op 29 augustus 2012, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Italië, en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Italië, dat de moeder de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven, uiterlijk op 29 augustus 2012, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Italië;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte proceskosten in hoger beroep ter hoogte van € 1.125,50,- (duizendenhonderdvijfentwintig euro en vijftig eurocent);

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Lückers en Van den Wildenberg, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2012.