Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5075

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
200.103.827-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en verblijfplaats minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 18 juli 2012

Zaaknummer : 200.103.827/01

Rekestnummer rechtbank : 396817 / FA RK 11-4686

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Klomp-Kraal te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.F. Nelisse te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 15 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 26 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de moeder de volgende stukken ingekomen:

- op 30 maart 2012 een brief van 29 maart 2012 met bijlagen;

- op 8 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 21 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, onder meer en met wijziging in zoverre van de beschikking van 16 mei 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage:

- bepaald dat met ingang van de datum van die beschikking aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de hierna te noemen minderjarige;

- bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

- de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van de datum van die beschikking op nihil gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de moeder en de vader hebben van 1992 tot maart 2005 een affectieve relatie gehad;

- uit de moeder is [in 1999] te [geboorteplaats] geboren: [de minderjarige], (hierna: de minderjarige);

- de vader heeft de minderjarige erkend;

- tot de bestreden beschikking oefende de moeder alleen het gezag over de minderjarige uit;

- tot de bestreden beschikking verbleef de minderjarige bij de moeder, met dien verstande dat zij een proefperiode bij haar vader heeft verbleven.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- het gezag over de minderjarige;

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de inleidende verzoeken van de vader af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen, kosten rechtens.

Gezag

4. De moeder heeft haar eerste grief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarige heeft belast, ter zitting ingetrokken. Voormelde grief behoeft derhalve geen bespreking.

Verblijfplaats

5. De tweede grief van de moeder richt zich tegen de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De moeder had een raadsonderzoek zinvol geacht. In het verleden heeft de moeder de opvoeding van de minderjarige op adequate wijze ter hand genomen en zij heeft nimmer de contacten tussen de vader en hun kinderen gefrustreerd. De nieuwe partner van de vader neemt thans de verzorgings- en opvoedingstaken van de minderjarige ter hand. De moeder acht dit niet in het belang van de minderjarige. Nadat de minderjarige bij haar vader is gaan wonen, zijn de contacten met haar broer verslechterd, aldus de moeder. De kinderen hebben andere periodes schoolvakanties en partijen zijn niet in staat om in onderling overleg tot een regeling te komen die ook voor de kinderen het meest praktisch is. De moeder is van mening dat de wens van de minderjarige om bij haar vader te wonen niet voortkomt uit de innerlijke overtuiging van de minderjarige, maar dat deze is gevoed door gevoelens van loyaliteit tegenover haar vader en voortvloeit uit de materiële vooruitzichten die aan haar zijn gesteld. Het is de vader die volledig zijn eigen plan trekt.

6. De vader bestrijdt de tweede grief van de moeder. Hij meent dat de rechtbank op juiste gronden tot de juiste beslissing is gekomen. Het ongedaan maken van de beslissing druist zeer tegen het belang van de minderjarige in. Van vervreemding tussen de minderjarige en haar broer is geen sprake.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, Burgerlijk Wetboek heeft de rechtbank een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag vastgesteld, inhoudende de beslissing bij welke ouder de minderjarige haar hoofdverblijfplaats heeft. Ingevolge het eerste lid van voormeld artikel neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

8. Het hof leidt uit het betoog van de moeder af dat zij van mening is dat beoordeeld dient te worden of ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de gezinssituatie bij de moeder zodanig was dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats in het belang van de minderjarige is. Het hof volgt de moeder niet in dit betoog. Immers, bij toepassing van de maatstaf “het belang van het kind” dient het hof ook de huidige omstandigheden te betrekken.

9. Vast staat dat beide ouders zich zeer liefdevol en betrokken opstellen tegenover de minderjarige. Tevens staat vast dat beide ouders in staat zijn de minderjarige op te voeden en te verzorgen. Feit is evenwel dat de minderjarige thans bij de vader verblijft. Zij heeft te kennen gegeven het naar haar zin te hebben op school en bij haar vader. Door de moeder is aangevoerd dat de contacten met haar broer zijn verslechterd. De minderjarige heeft zelf te kennen gegeven dat zij haar broer soms mist, maar hem in de weekenden ziet, dat de contacten tussen hen goed verlopen en de verstandhouding zelfs verbeterd is. Ook in de aankomende zomervakantie zullen de minderjarige en haar broer elkaar vaak zien, nu partijen in staat zijn geweest die dusdanig in te delen dat de kinderen, hoewel zij in verschillende regio’s wonen, veel contact met elkaar kunnen hebben. Van de zijde van de vader is - onweersproken - verklaard dat de contacten tussen de moeder en de minderjarige thans beter zijn. Ook de schoolresultaten van de minderjarige zijn op dit moment goed. Het hof acht het van belang dat een zekere consistentie blijft bestaan in de huidige leefomgeving van de minderjarige. De thans ontstane rust en stabiliteit zullen doorkruist worden indien zij zou moeten verhuizen naar haar moeder. De continuïteit in de verzorging en opvoeding van de minderjarige prevaleert thans dan ook boven de wens van de moeder om de minderjarige bij zich te laten wonen. Het hof acht het derhalve in het belang van de minderjarige wenselijk dat haar huidige verblijfplaats wordt gehandhaafd, zodat het de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen. Dat de huidige partner van de vader ook betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige, hetgeen het hof niet ongebruikelijk acht in de situatie dat de minderjarige met haar in een gezinssituatie leeft, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Kinderalimentatie

10. Nu het hof eveneens van oordeel is dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader dient te zijn, zal het de beslissing ten aanzien van de nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige ook bekrachtigen.

Proceskosten

11. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

12. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Zander, Van Kempen en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2012.