Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4979

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
BK-11/00275
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Premieheffing volksverzekeringen van Rijnvarenden. Belanghebbende is rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden. Het schip waarop belanghebbende zijn beroepsarbeid verricht behoort tot een in Nederland zetel houdende onderneming. De Inspecteur handelt niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel door te besluiten dat belanghebbende voor het jaar 2005 in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2173
V-N Vandaag 2012/2025
V-N 2012/47.2.2

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00275

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 24 april 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 maart 2011, nummer AWB 09/1729 IB/PVV, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.394 en een premie-inkomen van € 30.357.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Partijen hebben nadere stukken ingediend, waarvan een afschrift aan de wederpartij is gezonden.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 maart 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende woonde in 2005 in Nederland en was van 1 april 2005 tot en met 31 december 2005 in dienst bij [A] SA, gevestigd te Luxemburg (hierna: [A]). Belanghebbende heeft over 2005 in Luxemburg premies betaald ter zake van sociale verzekeringen in Luxemburg.

3.2. Belanghebbende was in voormelde periode werkzaam op een binnenvaartschip, het motortankschip [B] (hierna: het schip), binnen de Europese Gemeenschap, voornamelijk op de Rijn, haar zijrivieren en haar verbindingen naar open zee. Het schip is eigendom van [A]. Het schip is in Nederland geregistreerd en is voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868.

3.3. Op 29 juli 2003 is door de Nederlandse bevoegde autoriteit ten behoeve van het schip ”[B]” een Rijnvaartverklaring, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart (Stb. 1991,711) uitgereikt, waarop als eigenaar [A] en als exploitant ”[C]” (lees: [C]; hierna: [C], Hof) te [Q] is vermeld.

3.4. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst tussen [D] A.G., gevestigd te [R], Zwitserland (hierna: [D]) en [A], ondertekend op 22 januari 2002 (hierna: de charterparty), waarin - voor zover van belang - het volgende is vermeld:

Article 1

a) Shipowner shall as of September 2003 or earlier make available to Charterer (Hof: hierna: [D]) the motor tanker (MT) “[E]” [Hof: met pennestreep is [E] doorgehaald en bijgeschreven is “[B]”]

(…)

Shipowner warrants that the MT “[E]” is properly maintained, fully equipped, insured and manned in accordance with applicable regulations and legislation. The Owner further warrants and undertakes to always maintain the ship to the standard required and suitable for Charterer’s cargo and always able to pass Charterer’s and Charterer’s customers’ vetting inspections.

(…)

Article 2

Hire is payable as follows:

a Charter hire is payable at Euro 816,870.- per annum (i.e. Euro 2.238,- per operating day) (…), provided that the barge is available to Charterer 24 hours a day.

b. (…)

c All variable costs, such as bunkers, motor oil, commissions, port dues, pilotage, canal toll fees and cleaning costs including the discharging of slops and flush water, cargo remnants, bilge oil etc. shall be borne by Charterer.

These costs shall be invoiced directly to and be paid by Charterer.

d. Off hire for which Shipowner is accountable, whether through fault of the ship’s crew or caused by damage, repair work, shortage of crew, mutiny or strike, and/or any other circumstance for which Shipowner is responsible shall be compensated by way of a proportionate deduction from the rent payable over the period less the number of hours lost due to any of the conditions described above.

Off hire is defined as above when the ship is not available to act on Charterers’ instructions. (…)

(…)

Article 10

Shipowner shall be entitled to a share of the profits generated through Charterer’s exploitation of the MT “[E] ” [Hof: met pennestreep is [E] doorgehaald en is bijgeschreven “[B]”], on the basis of the following calculation:

a. Over the period of one calendar year, the gross freight yield of all shipments carried by the MT “[E] ” [Hof: met pennestreep is [E] doorgehaald en is bijgeschreven “[B]”] shall be calculated, with the resulting figure being increased by the demurrage actually collected and paid to Charterer.

The sum thereof is hereunder referred to as the “gross total yield”;

b. Charterer shall be entitled to charge a 7.5% commission fee over the gross total yield. This commission to be paid before any distribution of money hence;

c. The gross total yield will be reduced by the total amount of the variable costs referred to under article 2d, insofar as these are borne by Charterer, and by the commission fee mentioned under 11b [Hof: 10b] above,

The balance of this is referred to hereunder as the “net total yield”;

d. The net total yield is reduced by the sum total of the payments made over the calendar year in question, such in compliance with that stated under 2a. If the result is a positive balance then this is considered as “profit”; a negative balance is considered as “loss”.

e. A negative balance (loss) requires no settlement between parties. Loss figures are recorded and, where necessary, accumulated in order to be settled against future profits. No interest is charged over accumulated losses.

f. Each year’s profit is to be balanced against any prior year(s) accumulate losses resulting from the calculation mentioned under 11e [Hof: 10e] above.

If the balance is negative, the profit figure is deducted from the recorded loss figure.

If the resultant figure is positive, the balance will be divided, whereby Charterer gets 75% and Owner 25%.

g. Profits due to Shipowner shall be payable by Charterer within three months after expiry of the applicable calendar year.

h. Evaluation talks will take place between Charterer and Shipowner at the end of each quarter.

(…)

3.5. Tot de gedingstukken behoort verder een overeenkomst tussen [A] en [C], ondertekend op 21 oktober 2002 (hierna: het “Beschäftigungsvertrag”), waarin - voor zover van belang - het volgende is vermeld:

1) [C] nimmt hiermit die Verpflichtungen von [A] aus dem Charter Party über unter den Bedingungen dieses Vertrages.

2) Bei pünktlicher Erfüllung von [C] seiner Verpflichtungen aus diesem Vertrag gewährt [A] hiermit [C] eine Kaufoption auf dem Schiff (…).

3) [A] empfangt aufgrund dieses Vertrages über die ersten Betriebsjahren:

Pro jahr (365 Tage) € 796.448,25

(…)

Für Rechnung [A]:

Versicherung jährlich €  39.787,10

*Kapitalskosten jährlich € 477.522,90

Total pro Jahr € 517.301,--

(…)

Restbetrag pro Jahr € 279.074,27

pro Monat € 23.261,52

4) [C] empfangt monatlich; die von [A] von [D] empfangen Frachteinnahmen des Schiffes minus ein Betrag von EUR 43.109,16, der endgültig aus zu zahlende Betrag im Höhe von € 23.261,52 pro Monat.

5) * Kapitalskosten, dieser Betrag ist zusammengestellt aus Zinsen und einem Amortisationsanteil (…).

(…)

8) Das Schiff ist ab der Inbetriebnahme für Rechnung und Risiko von [C]. Diese letzter wird trotz eventueller Wertminderung, Beschädigung oder Verlorengehen von welcher Ursache auch, verpflichtet zu uneingeschränkter Einhaltung aller für ihn aus diesem Vertrag ergebenen Verpflichtungen.

(…)

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende over de periode 1 april 2005 tot en met 31 december 2005 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Belanghebbende heeft, naar aanleiding van HR 9 december 2011, nr. 10/03927, LJN: BQ2938, BNB 2012/56, desgevraagd ter zitting van het Hof verklaard zich in zoverre met het standpunt van de Inspecteur te kunnen verenigen dat het geschil zich toespitst op de volgende vragen:

4.1.1. Behoort het schip tot de onderneming, in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag, van [A] (standpunt belanghebbende) of tot de onderneming van [C] (standpunt Inspecteur)?

4.1.2. Indien de vraag onder 4.1.1 in de door de Inspecteur bepleite zin wordt beantwoord: heeft de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden? Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat op grond van een overlegprocedure als bedoeld in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag zijn sociale verzekeringsplicht in Nederland moet vervallen, hetgeen door de Inspecteur wordt bestreden.

4.1.3. Indien de vraag onder 4.1.1 in de door belanghebbende bepleite zin wordt beantwoord, stelt de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat [A] in Nederland is gevestigd.

4.2. Ten aanzien van de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort, heeft belanghebbende gesteld dat in het onderhavige jaar de in Luxemburg gevestigde vennootschap [A] exploitant van het schip was. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uitsluitend [A] bepaalt en beslist met welke bevrachter in zee wordt gegaan. [A] is in voorliggend geval een bevrachtingsovereenkomst met [D] A.G.(hierna: [D]) aangegaan, waarin is neergelegd dat [A] het schip en haar bemanning ter beschikking stelt aan [D]. [A] is daarom beslissingsbevoegd omtrent het economische en commerciële management van het schip. [A] heeft een aantal van haar verplichtingen jegens de bevrachter bij “Beschäftigungsvertrag” uitbesteed aan [C]. Deze overeenkomst houdt in dat [C] onderaannemer is; [A] geeft aan [C] opdracht welke vracht waarheen moet worden vervoerd. [A] ontvangt een vergoeding en is jegens [D] tot uitvoering gebonden. Belanghebbende concludeert dat [A] de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd.

4.3. De Inspecteur bestrijdt dat [A] in de onderhavige periode de exploitant van het schip was en stelt dat [C] het schip exploiteerde en voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. [C] is vermeld als exploitant op de Rijnvaartverklaring van 2003. Niet [A] geniet de opbrengsten van het vrachtvervoer, maar [C]. [A] verhuurt in wezen het schip met bemanning aan [D]. Daarvoor ontvangt zij een vaste vergoeding van [D]. [C] heeft bij “Beschäftigungsvertrag” de verplichting van [A] jegens [D] overgenomen, waarbij aan [C] een koopoptie op het schip is verleend die zij nadien heeft uitgeoefend. [A] ontvangt per saldo slechts een vergoeding voor de afschrijvings- en financieringskosten ter zake van het schip. [C] heeft de baten en lasten van de transporten met het schip verantwoord in haar jaarrekening en exploiteert dan ook het schip.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslag in de premieheffing volksverzekeringen 2005 naar een premie-inkomen van nihil.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

2.1 Eiser, woonachtig in Nederland, was van 1 april 2005 tot en met 31 december 2005 werkzaam op een binnenvaartschip, het motortankschip [B] (hierna: het schip), binnen de Europese Gemeenschap, voornamelijk op de Rijn, haar zijrivieren en haar verbindingen naar open zee. Eiser was van 1 april 2005 tot en met 31 december 2005 in dienstbetrekking bij [A] SA, gevestigd te Luxemburg (hierna: [[A]]).

2.2 Eigenaar van het schip is [[A]]. Het schip staat in Nederland geregistreerd en is voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868. Op 4 augustus 2003 is door de Nederlandse bevoegde autoriteit aan [[A]] een Rijnvaartverklaring uitgereikt, waarop als exploitant uitsluitend de naam [C] (lees: [C], rb) is vermeld.

(…)

2.6 Ingevolge artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de Wet) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland premieplichtig voor de premies volksverzekeringen.

2.7 In afwijking van artikel 6 van de Wet wordt op grond van artikel 6a van de Wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

2.8 [De Inspecteur] stelt dat de verzekeringsplicht aan Nederland is toegewezen ingevolge de Verdragen van 27 juli 1950 en 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (het Rijnvarendenverdrag). Het Rijnvarendenverdrag is op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening [EG, nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening, Hof] van hogere orde dan de Verordening. [Belanghebbende] betwist dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing is. Hij acht artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening toepasselijk en meent dat hij ingevolge deze bepaling in Luxemburg verzekerd is en onderbouwt dat met een ter zake afgegeven E106-verklaring. Voorts meent [belanghebbende] dat ook het Rijnvarendenverdrag de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg aanwijst.

2.9 [Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] in deze de bewijslast draagt en acht hem daarin niet geslaagd. [De Inspecteur] ontkent deze bewijslast te hebben. Volgens [de Inspecteur] is [belanghebbende] als inwoner van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en rust dientengevolge op hem de bewijslast dat aanspraak kan worden gemaakt op een vrijstelling van premieplicht.

2.10 In het onderhavige geval verschillen partijen van mening over de vragen welke aanwijsregels hier van toepassing zijn - die uit de Verordening of uit een sociaalzekerheidsverdrag - en of die aanwijsregels al dan niet leiden tot premieplicht in Nederland. Dat in het onderhavige geval internationale aanwijsregels van toepassing zijn, is derhalve niet in geschil.

2.11 [De Inspecteur] stelt dat de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag, waaraan de Verordening voorrang geeft, van toepassing zijn en stelt dat deze aanwijsregels resulteren in premieplicht in Nederland. [De Inspecteur] draagt de bewijslast daarvan.

2.12 Gelet op het hiervoor in 2.11 overwogene rust op [de Inspecteur] de bewijslast aannemelijk te maken dat [belanghebbende] een rijnvarende is in de zin van artikel 1, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag. Deze bepaling verstaat onder rijnvarende “een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebben uitvoeringsvoorschriften.”

2.13 Op grond van het overwogene onder 2.1 en 2.2 acht de rechtbank [de Inspecteur] geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat [belanghebbende] rijnvarende is in de zin van het Rijnvarendenverdrag. Hieraan doet niet af dat [belanghebbende] ter zitting in twijfel heeft getrokken dat het schip voortdurend en enkel op de Rijn voer in de weken dat hij in het onderhavige jaar aan boord van het schip werkzaam was. Anders dan [belanghebbende] vat de rechtbank immers de hiervoor vermelde definitie van rijnvarende niet op als een ‘indien en voor zover’-bepaling. Voorts wordt het schip, nu daarvoor een Rijnvaartverklaring is afgegeven, ingevolge artikel 1, onderdeel h, van de Wet vervoer binnenvaart geacht tot de Rijnvaart te behoren. Ook om die reden faalt het betoog van [belanghebbende].

2.14 Nu de sociale verzekeringsplicht van [belanghebbende] moet worden vastgesteld op grond van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en niet op grond van titel II en verder van de Verordening, komt aan de Verordening ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van die regeling geen betekenis toe. Dit brengt met zich dat verklaringen die zijn afgegeven op grond van de Verordening buiten beschouwing moeten blijven. Dat aan [belanghebbende] op grond van de Verordening een E106-verklaring is afgegeven, brengt derhalve niet mee dat sprake is van verzekeringsplicht in Luxemburg.

2.15 De beslissing van het Hof van Justitie van de EG in de zaak Fitzwilliam Executive Search (HvJ EG van 10 februari 2000, zaak C-202/97) brengt daarin geen verandering. In die zaak stond immers vast dat - anders dan hier het geval - de verzekeringsplicht moest worden bepaald op basis van de Verordening.

2.16 Voor de aanwijzing van de van toepassing zijnde sociale wetgeving luidt artikel 11, leden 1 en 2, van het Rijnvarendenverdrag als volgt:

“1. Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.

2. Op de rijnvarende is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. (···)”

2.17 Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden (hierna: het Administratief Centrum) is bij Besluit nr. 5 van 27 maart 1990 (hierna: Besluit nr. 5) op de voet van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Rijnvarendenverdrag overeengekomen - voor zover hier van belang - dat als ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag in beginsel geldt de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming al dan niet eigenaar is van het schip. Ingevolge het vierde lid daarvan zijn voor de toepassing van dit Besluit de gegevens, vermeld op de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart (Rb: d.w.z. de Rijnvaartverklaring), maatgevend.

2.18 Bij Besluit nr. 7 van 26 juni 2007 (hierna: Besluit nr. 7) - voor zover hier van belang - heeft het Administratief Centrum het Besluit nr. 5 als volgt vervangen:

“Het Administratief Centrum voor de Sociale Zekerheid van de Rijnvarenden (···) verduidelijkt het volgende:

1. “de onderneming waartoe het schip behoort”, waar artikel 11, tweede lid, eerste zin, van het bovengenoemde Verdrag (Rb: d.w.z. het Rijnvarendenverdrag), ter bepaling van de toe te passen wetgeving naar verwijst, is de onderneming of de vennootschap die het betrokken schip exploiteert, of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor de toepassing van dit besluit als exploitant van het schip, de onderneming die of de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.

(···)

4. Bij de toepassing van dit Besluit zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.

5. Dit Besluit vervangt Besluit nr. 5 van 27 maart 1990.”

2.19 Aangezien Besluit nr. 7 geen ingangsdatum of overgangsbepalingen bevat, gaat de rechtbank ervan uit dat dit Besluit in werking is getreden met onmiddellijke ingang en dat het daarin neergelegde standpunt voor de beantwoording van de vraag tot wie een schip behoort in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag in het onderhavige geval mede in aanmerking kan worden genomen. Het standpunt van [belanghebbende] dat het Besluit nr. 7 geen toepassing kan vinden omdat de aanslag betrekking heeft op een jaar vóór 2007, verwerpt de rechtbank. Er is geen sprake van terugwerkende kracht aangezien het Administratief Centrum het begrip “onderneming waartoe het schip behoort” als neergelegd in artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag uitlegt. De aanwijsregel van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag wordt met het Besluit van het Administratief Centrum niet gewijzigd. Daarnaast overweegt de rechtbank ten overvloede dat zij van oordeel is dat toepassing van het in het Besluit nr. 5 neergelegde standpunt ten aanzien van het begrip “onderneming waartoe het schip behoort” in de onderhavige zaak niet tot een andere uitkomst leidt dan toepassing van het in het Besluit nr. 7 neergelegde standpunt.

2.20 Met betrekking tot de stelling van [belanghebbende] dat [[A]] als exploitant van het schip moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank het volgende. Voormelde stelling is van belang voor het antwoord op de vraag of op [belanghebbende] de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg, zoals [belanghebbende] bepleit, of van Nederland, zoals [de Inspecteur] betoogt, van toepassing is. Hiervoor is beslissend waar zich de zetel bevindt van de onderneming die het betrokken schip exploiteert. Ingevolge het vierde lid van het onder 2.18 aangehaalde Besluit nr. 7 dient voor de toepassing daarvan in beginsel te worden uitgegaan van de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens. De andersluidende opvatting van [belanghebbende] vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de tekst van het Besluit nr. 7. Voorts is de rechtbank, gezien de tekst van het Besluit, met [de Inspecteur] van oordeel dat de partij die zich erop beroept dat de gegevens op de Rijnvaartverklaring niet juist zijn, de bewijslast daarvan draagt.

2.21 Ten aanzien van de onderhavige rijnvaartverklaring kan worden vastgesteld dat niet [[A]] maar [C] daarop als exploitant wordt vermeld. Niet is gesteld dat in 2005 is geprobeerd [[A]] als exploitant te laten opnemen. Gelet hierop rust naar het oordeel van de rechtbank op [belanghebbende] de bewijslast aannemelijk te maken dat het schip behoort tot [[A]] in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag.

2.22 [Belanghebbende] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het schip behoort tot [[A]] in bovenvermelde zin onder meer gewezen op de als ‘charterparty’ geduide overeenkomst tussen [D] AG (hierna: [D]) en [[A]], gedagtekend 22 januari 2002. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat [[A]] als exploitant heeft te gelden. In de eerste plaats heeft [de Inspecteur] gemotiveerd weersproken dat voormelde overeenkomst betrekking heeft op de exploitatie van het onderhavige schip, gelet op het feit dat daarin de getypte/geprinte naam van het schip ‘[E]’ deels met penstreep is doorgehaald en met de hand is bijgeschreven “[B]” en de desbetreffende paragrafen niet zijn geparafeerd. Daar komt bij dat, ervan uitgaande dat [[A]] ook met betrekking tot het schip een zogenoemde ‘charterparty’ is aangegaan met [D], de daaruit voor [[A]] voortvloeiende verplichtingen - naar [belanghebbende] zelf ter zitting heeft verklaard - middels een tussen [C] en [[A]] gesloten exploitatieovereenkomst worden ‘doorgezet’ naar [C]. De rechtbank leidt hieruit af dat de verantwoordelijkheid met betrekking tot de exploitatie van het schip uiteindelijk bij [C] ligt en niet (primair) bij [[A]]. Dat [[A]] door [D] kan worden aangesproken voor de verplichtingen voortvloeiende uit een tussen hen gesloten ‘charterparty’, maakt dit niet anders. Overigens merkt de rechtbank op dat het gegeven dat uit de door [de Inspecteur] overgelegde jaarstukken van [C] kan worden afgeleid dat hij de baten en lasten voortvloeiende uit de exploitatie van het schip als eigen baten en lasten verantwoordde, veeleer de conclusie rechtvaardigt dat [C] heeft te gelden als de onderneming waartoe het schip behoort.

2.23 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op de rijnvaartverklaring vermelde gegevens niet juist zijn, zodat de rechtbank deze voor juist houdt. De onderneming van [C] heeft derhalve te gelden als de onderneming waartoe het schip behoort. Nu - naar de rechtbank begrijpt - tussen partijen niet in geschil is dat de onderneming van [C] in Nederland is gevestigd, valt [belanghebbende] onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

2.24 [Belanghebbende] heeft nog gesteld dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat op grond van een overlegprocedure als bedoeld in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag zijn sociale verzekeringsplicht in Nederland moet vervallen, zoals ook is gebeurd in een groot aantal gelijke gevallen. Dit betoog faalt, reeds omdat de uitvoering van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag voor wat Nederland betreft is voorbehouden aan de Sociale Verzekeringsbank en niet aan [de Inspecteur]. Gesteld noch gebleken is dat [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] genoemde andere gevallen heffing van premie volksverzekering achterwege heeft gelaten of ongedaan heeft gemaakt, anders dan op de grond dat de SVB (nader) in het kader van een overlegprocedure het standpunt heeft ingenomen dat de betreffende werknemer niet in Nederland was verzekerd.

2.25 Dat Luxemburg ten aanzien van [belanghebbende] al premies heeft geheven, brengt - anders dan [belanghebbende] betoogt - nog niet mee dat Nederland gehouden is terug te treden.

2.26 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Als tussen partijen niet in geschil staat vast dat belanghebbende in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is belanghebbende Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking hiervan, stelt belanghebbende op grond van het Rijnvarendenverdrag dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen.

7.2. Vaststaat dat belanghebbende een werknemer is die behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van een certificaat bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte. Belanghebbende is derhalve een rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, Trb. 1981,43 (hierna: het Rijnvarendenverdrag), zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

7.3. Artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op de rijnvarende van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, onder m bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden heeft bij Besluit nummer 5 van 27 maart 1990 (hierna: Besluit nr. 5) op de voet van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Rijnvarendenverdrag - voor zover hier van belang - bepaald dat als ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag in beginsel geldt de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming al dan niet eigenaar is van het schip. Als onderneming waartoe het schip behoort heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist is in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Rijnvarendenverdrag.

7.4. Aangezien belanghebbende stelt dat hij op grond van het rijnvarendenverdrag in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is, rust, gelet op het voorgaande, op hem in redelijkheid de last aannemelijk te maken dat het schip tot de onderneming van [A] behoort van wie de zetel zich in Luxemburg bevindt.

7.5. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling de tekst van de charterparty overgelegd, zoals hiervoor gedeeltelijk weergegeven in rechtsoverweging 3.4. De algemeen directeur van [D] heeft verklaard dat het schip sinds 8 juli 2003 exclusief door [D] is gehuurd van [A]. Niettegenstaande de in de charterparty aangebrachte doorhalingen van ‘[E]’ en de met de hand bijgeschreven tekst: “[B]”, acht het Hof aannemelijk dat deze overeenkomst betrekking heeft op de exploitatie van het onderhavige schip.

7.6.1. Op grond van hetgeen is bepaald in de charterparty stelt het Hof het volgende vast: [A] heeft het schip met zijn volledige uitrusting en bemanning ter beschikking gesteld aan [D] voor het verrichten van goederenvervoer in het stroomgebied van de Rijn. De variabele kosten, zoals stookolie en havengelden, komen voor rekening van [D]. [A] ontvangt daarvoor van [D] een vaste vergoeding van € 816.870 per jaar (€ 2.238 per dag) ervan uitgaande dat het schip 24 uur per dag ter beschikking staat aan [D]. Ten aanzien van de tijd dat het schip (tijdelijk) uit de vaart is, bijvoorbeeld in het geval van reparaties, wordt [D] gecompenseerd door een tijdsevenredige korting van de aan [A] verschuldigde vergoeding. [A] heeft verder recht op 25 percent van de nettowinst die [D] behaalt met het goederenvervoer.

7.6.2. Op grond van het “Beschäftigungsvertrag”, zoals hierboven gedeeltelijk weergeven in rechtsoverweging 3.5, stelt het Hof verder het volgende vast: [A] heeft haar verplichtingen jegens [D] overgedragen aan [C]. [C] is jegens [A] gehouden tot uitvoering van de charterparty. [C] ontvangt op grond van punt 4 van het Beschäftigungsvertrag van [A] alle van [D] te ontvangen vergoedingen, verminderd met de door [A] als eigenaresse van het schip te dragen kosten van afschrijving en financiering. Voorts heeft [C] een koopoptie op het schip tegen een koopprijs die door partijen op voorhand is bepaald op de stichtingskosten van het schip verminderd met de afschrijving over de periode van de huur van het schip.

7.6.3. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden alsook dat de Nederlandse bevoegde autoriteit aan [A] een Rijnvaartverklaring heeft uitgereikt, waarop als exploitant uitsluitend de naam [C] is vermeld, is het Hof van oordeel dat het goederenvervoer in wezen wordt verricht voor rekening en risico van [C]. [A] geniet weliswaar een vergoeding voor de kosten van afschrijving en financiering van het schip, maar [C] exploiteert het schip en geniet de winst die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt behaald en die zij als eigen winst in haar jaarrekening heeft verantwoord. [C] heeft derhalve te gelden als de onderneming waartoe het schip behoort.

7.7. Tussen partijen is niet geschil dat de zetel van [C] zich in Nederland bevindt. Derhalve is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing. Belanghebbende is bijgevolg in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

7.8. Aangezien het schip tot de onderneming van [C] behoort, dient nog de vraag beantwoord te worden, of de Inspecteur in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door te besluiten dat belanghebbende voor het jaar 2005 in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Belanghebbende stelt zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat zowel de regularisatie op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag als de premieheffing volksverzekeringen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt, zodat niet in het ene geval regularisatieoverleg kan worden gevoerd en in het andere geval premieheffing volksverzekeringen. De Inspecteur bestrijdt dit standpunt gemotiveerd. Ook op dit onderdeel is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

7.9. Anders dan belanghebbende meent, is de uitvoering van de volksverzekeringswetten niet mede opgedragen aan de Belastingdienst. De verantwoordelijkheid van de Belastingdienst blijft beperkt tot het heffen en innen van de premie volksverzekeringen. Geen rechtsregel, dus ook niet het gelijkheidsbeginsel, verplicht de Inspecteur om een ongelijke behandeling tussen rechtens mogelijk gelijke gevallen die door het handelen van de Sociale Verzekeringsbank is ontstaan, weg te nemen (HR 9 december 2011, nr. 10/03927, LJN: BQ2938, BNB 2012/56 en onder 11.6 van de conclusie van de A-G Van Ballegooijen).

7.10. Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd, wat er zij van de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 24 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.