Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4803

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
200.091.102-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1082, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning, omgang, kosten deskundigenonderzoek en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/32

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 1 augustus 2012

Zaaknummer : 200.091.102/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-2290

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.N.G.N.H. Brech te ’s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

advocaat mr. H.J. Naber te Dordrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. R.N. Baldew,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 22 februari 2012, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij voormelde tussenbeschikking heeft het hof, alvorens nader te beslissen, de raad verzocht een onderzoek te verrichten zoals overwogen in rechtsoverweging 8 en 9 van die beschikking en de raad verzocht daarover te rapporteren en te adviseren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De raad heeft bij brief van 7 mei 2012 zijn rapport van 2 mei 2012 aan het hof overgelegd.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 24 mei 2012 een brief van 22 mei 2012 met bijlagen;

- op 12 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 31 mei 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de raad:

- op 30 mei 2012 een brief van 29 mei 2012 met bijlage.

De mondelinge behandeling is op 27 juni 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de bijzondere curator;

- de heer W. Harlingen namens de raad.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn thans nog de verlening van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige door de man, de omgang tussen de man en de minderjarige, de kosten van het deskundigenonderzoek en de proceskosten.

2. Het hof heeft de raad in zijn tussenbeschikking van 22 februari 2012 verzocht onderzoek te verrichten naar de volgende vragen en daarover het hof te rapporteren en te adviseren:

Ten aanzien van de erkenning:

1. In hoeverre leidt de bij de man gediagnosticeerde schizofrenie bij erkenning van de minderjarige door de man tot reële risico’s dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling?

2. In hoeverre brengt erkenning van de minderjarige door de man, gelet op de aanwezigheid van de psychische klachten van de vrouw, het risico met zich mee dat de verhouding van de vrouw met de minderjarige zal worden verstoord?

3. Zijn er overigens nog bijzonderheden te vermelden die in dit kader van belang zijn?

Met betrekking tot de omgang:

1. Zijn er omstandigheden die in de weg staan aan het recht op omgang van de man met de minderjarige en zo ja, welke?

2. Wat is nodig of geëigend om de invloed van deze factoren of omstandigheden te verminderen of weg te nemen, zodanig dat het recht op en de plicht tot contact geëffectueerd kunnen worden?

3. Indien effectuering van genoemd recht en genoemde plicht te verwezenlijken valt: op welke wijze dient het contact plaats te vinden?

4. Indien er geen uitzicht is op het verminderen dan wel wegnemen van deze factoren en omstandigheden: leveren deze factoren en omstandigheden strijd op met zwaarwegende belangen van de minderjarige?

3. De raad adviseert in zijn raadsrapport van 2 mei 2012 om het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige toe te wijzen. Verder adviseert de raad het hof om de behandeling van het verzoek tot omgang aan te houden voor een periode van 9 maanden om de ouders de gelegenheid te geven om in de tussenliggende periode hulp in te roepen.

4. De vrouw heeft ter terechtzitting haar standpunt ten aanzien van de erkenning – onder verwijzing naar de in het raadsrapport genoemde omstandigheden – gehandhaafd. Zij blijft derhalve van mening dat erkenning door de man haar belangen bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige en/of de belangen van de minderjarige zal schaden. Verder deelt de vrouw de conclusie van de raad dat omgang tussen de man en de minderjarige ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige. Een aanhouding van de procedure acht de vrouw niet wenselijk, nu de procedures al drie jaar lopen en het onduidelijk is of de omstandigheden aan de zijde van de man over 9 maanden anders zullen zijn.

5. De man heeft ter zitting van het hof verklaard dat emotionele weerstand bij de vrouw niet voldoende is om zijn verzoek tot erkenning van de minderjarige te kunnen afwijzen. Hij is van mening dat de erkenning geen nadelige gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de minderjarige. Voorts betwist hij dat er sprake is van een gedwongen verwekking, dat hij door de erkenning het contact tussen hem en de vrouw tracht te herstellen en zich niet om de minderjarige bekommert. Verder heeft de man verklaard dat hij op dit moment in verband met psychische klachten een kliniek verblijft. Hij is het niet eens met de gestelde diagnose en is van mening dat zijn klachten na 6 maanden verholpen zullen zijn. De man verzoekt het hof daarom om de zaak voor 6 maanden aan te houden.

6. De bijzondere curator heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich deels in rapport van de raad kan vinden. Zij is van mening dat het in het belang van de minderjarige is dat de familierechtelijke betrekking met de man kenbaar is en ziet niet in dat de relatie tussen de vrouw en de minderjarige door de erkenning zal worden verstoord. Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de bijzondere curator gesteld dat het in het belang van de minderjarige is om in een veilige omgeving op te groeien. Aan de psychische stoornis van de man zijn volgens haar echter gevaren gebonden. De bijzondere curator acht een aanhouding van de procedure niet in belang van de minderjarige en de vrouw.

7. De raad heeft ter terechtzitting meegedeeld dat erkenning door de man in het belang van de minderjarige is, omdat hij een plek in haar leven moet krijgen. Door de erkenning ontstaat tussen de man en de minderjarige een juridische band. Hoewel de man na de erkenning van de minderjarige ook het recht heeft om gezamenlijk gezag te verzoeken, is de raad van mening dat de veiligheid van de minderjarige voldoende wordt gewaarborgd, nu zo’n verzoek altijd via de rechter moet verlopen. Indien de psychische toestand van de man niet verbetert, zal de raad adviseren om het gezamenlijk gezag af te wijzen. Voorts heeft de raad verklaard dat op dit moment – gelet op de gemoedstoestand van de man en de angsten van de vrouw – geen omgang tussen de man en de minderjarige mogelijk is. Hoewel begeleide omgang op termijn wellicht mogelijk zou zijn, zal het persoonlijk functioneren van de ouders eerst moeten verbeteren. Om de ouders hiervoor ruimte te geven stelt de raad een aanhouding van de zaak van 9 maanden voor.

Erkenning

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kan de toestemming van de vrouw voor erkenning van het kind, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zal schaden en de man de verwekker is van het kind. Daarbij dienen de belangen van de minderjarige, de moeder en de man te worden afgewogen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat de minderjarige en de man er in beginsel recht op hebben dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend.

9. Nu niet in geschil is dat de man de verwekker van de minderjarige is, dient de vraag beantwoord te worden of de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige niet zal schaden. Het is aan de vrouw om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat met de erkenning haar belang bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige, of de belangen van de minderjarige, geschaad zullen worden. Van schade aan de belangen van een kind is, volgens vaste rechtspraak, slechts sprake indien ten gevolge van de erkenning voor het kind er reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

10. Rekening houdend met de belangen van alle betrokkenen zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen dat door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad. Het hof overweegt daartoe dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om van het uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker aanspraak hebben op erkenning van hun relatie als een familierechtelijke betrekking, af te wijken. Zij heeft weliswaar gesteld dat de erkenning in strijd is met haar belang bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige en het belang van de minderjarige zal schaden, maar de omstandigheden die zij daartoe heeft aangevoerd zijn naar het oordeel van het hof niet voldoende zwaarwegend om tot deze conclusie te kunnen komen. Ook uit de stukken valt niet af te leiden dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zullen worden geschaad door erkenning door de man. De omstandigheid dat de vrouw weerstand heeft tegen de erkenning, met name op basis van de door haar omschreven gebeurtenissen in het verleden – wat daar ook van zij – leidt niet tot de conclusie dat vervangende toestemming tot erkenning aan de man moet worden onthouden. De vrouw heeft haar stellingen ter zake van geweld en bedreigingen, die in het verleden zouden hebben plaatsgevonden, niet behoorlijk onderbouwd, terwijl de man ze nadrukkelijk betwist. Evenmin levert de psychische problematiek waarmee de man zich geconfronteerd ziet een grond op de erkenning te weigeren. Er zijn geen aanwijzingen dat van deze problematiek, voor wat betreft de erkenning, een dreiging uitgaat naar het welzijn van de moeder of de minderjarige. Gelet op het voorgaande is het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning dient te worden bekrachtigd.

Omgang

11. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a BW hebben een kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van één of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige.

12. Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man belast is met van psychiatrische problematiek, hetgeen van grote invloed is op zijn functioneren. Hij is thans niet in staat voor zich zelf te zorgen als gevolg van psychoses en daarom met een rechterlijke machtiging opgenomen op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Het hof acht de man op dit moment niet geschikt tot omgang. Verder is gebleken dat de vrouw door de gebeurtenissen in het verleden, zo als zij die ervaart, kampt met grote angsten die van directe invloed zijn op haar leven en haar manier van opvoeden. Het hof acht de kans groot dat de vrouw haar angsten – bij contact tussen de man en de minderjarige – op de minderjarige overbrengt, hetgeen zijn weerslag zal hebben op omgang tussen de minderjarige en de man. Voorts weegt het hof mee dat de ouders door hun volledig verstoorde verstandhouding op dit moment niet in staat zijn om met elkaar te overleggen en afspraken te maken. Dat de ouders op korte termijn hun communicatie zullen verbeteren acht het hof – gelet op de persoonlijke toestand van de ouders – niet waarschijnlijk. Naar het oordeel van het hof is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige op dit moment dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de man in eerste aanleg tot vaststelling van een omgangsregeling alsnog afwijzen. Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking op dit punt zal worden vernietigd.

Verzoek om aanhouding

13. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu de man wegens zijn psychiatrische problematiek thans nog onder behandeling staat en er – mede gelet op het gegeven dat de man weinig inzicht in zijn ziekte lijkt te hebben en weerstand toont ten aanzien van de juiste medicatieve behandeling – nog geen uitzicht is op een verbetering van zijn situatie. Ook zal na herstel van de man eerst moeten worden bezien of er sprake is van een duurzame en stabiele situatie. Het hof zal het verzoek van de man om de zaak aan te houden derhalve afwijzen.

Kosten deskundigenonderzoek

14. De vrouw is van mening dat zij ten onrechte in de kosten van het DNA-onderzoek is veroordeeld, nu zij reeds in haar eerste processtuk heeft aangegeven dat de man de verwekker van de minderjarige is. Verder stelt de vrouw dat het aan de man – als verzoeker in eerste aanleg – is om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij de verwekker van de minderjarige is.

15. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft aanvankelijk tegenover de bijzondere curator met stelligheid ontkend dat de man de verwekker is van de minderjarige. Zij veronderstelde dat haar partner de biologische vader van de minderjarige was. Niet eerder dan bij het indienen van haar verweerschrift in eerste aanleg is door de vrouw aangegeven dat de man de verwekker van de minderjarige is. Door deze handelwijze van de vrouw is onduidelijkheid ontstaan over het vaderschap van de man en de noodzaak van een DNA-onderzoek ontstaan. Het is aldus de vrouw zelf geweest die aanleiding heeft gegeven een DNA-onderzoek te laten uitvoeren, op grond waarvan de vrouw dan ook gehouden is de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Het hof zal het verzoek van de vrouw in hoger beroep ter zake van de onderzoekskosten derhalve afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Proceskosten

16. Het hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep. De bestreden beschikking zal op het punt van de proceskosten worden bekrachtigd en het hof zal ook in hoger beroep - zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard - de kosten (met uitzondering van die ter zake van het deskundigenonderzoek) compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten in hoger beroep zal het hof afwijzen.

17. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Willems, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2012.