Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4732

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
22-005905-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7265, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in een woning, onder bedreiging met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Dat het slechts bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte of aan zijn mededaders te danken, maar aan de omstandigheid dat het slachtoffer snel de deur naar de gang dicht kon duwen en de verdachten vervolgens naar buiten heeft kunnen werken.

Gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005905-11

Parketnummer: 09-607709-11

Datum uitspraak: 16 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gevangenis De IJssel te

Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] 2011 te Leiden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

- de woning waarin die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich bevonden, is binnengegaan en/of/waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B] heeft/is gericht, althans op een voor die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] duidelijk zichtbare wijze voorhanden heeft gehad/was

- en/of daarbij heeft/is geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en/of "Geld, geld!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [datum] 2011 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer A] en [slachtoffer B] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], met zijn mededaders:

- de woning waarin die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich bevonden, is binnengegaan waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer A] is gericht

- en waarbij is geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en "Geld, geld!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft - overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities - in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat - zakelijk weergegeven -:

- op de beelden van de bewakingscamera's betreffende de daders van de overval niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het de verdachte is, die te zien is op een aantal beelden, zodat deze camerabeelden niet kunnen dienen tot het bewijs;

- de overige bewijsmiddelen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Feitelijke toedracht

Op basis van het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.

Op [datum] 2011 omstreeks 6:30 uur zitten aangever [slachtoffer A] en zijn echtgenote [slachtoffer B] in de woonkamer van hun woning aan de [straat A, nummer X] te Leiden. Plotseling zien zij (tenminste) drie personen de gang van hun woning inlopen. Zij hebben allen een panty over hun hoofd of een capuchon op. De voorste persoon richt vervolgens een vuurwapen op [slachtoffer A] en schreeuwt daarbij: "Geld, geld!" en "Dit is een overval, dit is een overval!". Hierop springt [slachtoffer A] van de bank af en duwt direct de gangdeur dicht, waarna hij de overvallers zijn woning uitwerkt. Twee van hen rennen weg in de richting van de [straat B] en gaan aldaar aangekomen via de [straat B] richting de [straat C].

Op diezelfde dag omstreeks 6:30 uur rijdt een verbalisant in burger in zijn vrije tijd met zijn motor over de [straat C] te Leiden, alwaar hij een man uit de [straat B] richting de [straat D] ziet rennen. Vervolgens ziet de verbalisant uit de [straat B] een tweede man rennen in dezelfde richting als de eerste man. Hij ziet hierop dat de tweede man een klos waslijn verliest, ernaar kijkt, deze vervolgens laat liggen en doorrent. De verbalisant wenkt een toevallig langsrijdende motoragent in uniform, die deze tweede man vervolgens staande houdt. Op dat moment horen de verbalisanten via de mobilofoon dat er zojuist een gewapende overval met meerdere daders heeft plaatsgevonden in de [straat A, nummer X] te Leiden. De [straat A] is de eerste zijstraat van de [straat B], gezien vanaf de [straat C]. Bij de medeverdachte [medeverdachte 1] worden bij zijn fouillering een groene latex handschoen, twee panty's en een scheermes aangetroffen.

Ondertussen heeft aangever [slachtoffer A] de politie gebeld. De verbalisanten die op deze melding afgaan, horen dat op de [straat C] inmiddels één verdachte is aangehouden en dat een andere verdachte, gekleed in een lichtgekleurde joggingbroek en een donkere jas, is weggerend. Vervolgens zien de verbalisanten op de Bufferkade een jongen in een lichtgekleurde joggingbroek en een donkere jas lopen, waarop zij hem aanroepen. Zodra deze jongen de politie ziet, rent hij weg. Na een korte achtervolging, waarbij de verdachte zich tevens heeft verstopt in de bosjes, wordt de verdachte op de Herensingel aangehouden. Deze jongen blijkt de verdachte te zijn. De verbalisanten die kort daarvoor medeverdachte [medeverdachte 1] hadden aangehouden, herkennen de verdachte als de persoon die zij als eerste uit de [straat B] zagen rennen.

Ten aanzien van de beelden van de bewakingscamera's

Op en rond het moment van de poging tot de gewapende overval zijn door bewakingcamera's, die zijn bevestigd aan de voor- en achterzijde van de woning van de aangever, camerabeelden geregistreerd. Daarop zijn de kennelijke daders van de overval zichtbaar. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof in aanwezigheid van de advocaat-generaal en de verdediging de DVD bekeken met daarop deze beelden van de bewakingscamera's.

Het hof heeft op de voornoemde beelden het navolgende waargenomen (waarbij het hof opmerkt dat gelet op het tijdstip van aanhouding de camerabeelden één uur achterlopen op de werkelijke tijd en bij de hieronder vermelde tijdstippen dus steeds 1 uur dient te worden opgeteld):

Om 4:15:16 uur verschijnt aan de achterzijde van de woning een persoon ("persoon 1") in beeld met een lichtkleurige broek, een horizontaal doorgestikte jas met reflecterende horizontale lijnen op borsthoogte en met Adidas schoenen aan, die het tuinhekje openmaakt. Om 4:15:50 uur loopt deze persoon de tuin in richting de woning. Om 4:16:18 uur loopt deze persoon de tuin weer uit.

Om 5:25:11 uur lopen vanuit de richting van de [straat B] drie mannen aan de voorzijde langs de woning. Om 5:25:27 uur verschijnen diezelfde mannen weer in beeld. De voorste man ("persoon 2") draagt om zijn rechterhand een groene handschoen en houdt in die hand een klein op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. Naast hem is persoon 1 te zien. Om 5:25:31 rennen de mannen weg in de richting van de [straat B].

Het hof stelt vast dat de kleding die persoon 1 op de beelden draagt, overeenkomt met de kleding die de verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding. Van die kleding bevinden zich foto's in het dossier. Zo droeg de verdachte een lichtkleurige broek, een jas met dwars daarop opvallende horizontale ritsen op borsthoogte en met horizontale stiksels, en witte Adidas gymschoenen met zwarte strepen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de Adidas schoenen die persoon 1 op de camerabeelden draagt zwarte strepen aan de binnen- en buitenkant hebben, terwijl de Adidas schoenen van de verdachte slechts zwarte strepen aan de buitenkant hebben. De man op de camerabeelden kan dus niet de verdachte zijn geweest, zo betoogt de verdediging.

Ter adstructie van dit verweer heeft de verdachte zijn Adidas schoenen ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof getoond.

Blijkens de eigen waarneming van het hof was duidelijk te zien dat het leer van de zwarte strepen aan de binnenkant van de schoenen van de verdachte is weggesneden dan wel op een andere manier is verwijderd. Wanneer dat is gebeurd, is niet vast te stellen. Wat daar ook van zij, de omstandigheid dat de ter terechtzitting van het hof door de verdachte gedragen Adidas schoenen slechts zwarte strepen aan de buitenzijde vertonen, terwijl op de camerabeelden ook strepen aan de binnenzijde van de schoenen zichtbaar zijn, sluit niet uit, dat het desondanks de verdachte is geweest, die op die beelden zichtbaar is. De zich in het dossier bevindende foto van de destijds onder de verdachte in beslag genomen Adidas schoenen betreft van beide schoenen slechts de buitenzijde, de binnenzijde is niet afgebeeld.

Ook is door de verdediging naar voren gebracht dat de onder de verdachte in beslag genomen jas donker van kleur is, terwijl op de camerabeelden een lichte jas is te zien. Het hof heeft op de beelden waargenomen dat de tint van de jas van donker naar licht wijzigt, naar mate deze dichter in de buurt van de camera's komt. Met name de beelden aan de voorzijde van de woning zijn te dien aanzien duidelijk. Gelet op de zichtbare verregaande overeenkomsten zoals hierboven al omschreven en gelet op deze waarnemingen, gaat het hof er vanuit dat het hier dezelfde jas betreft.

Voorts heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep het gezicht van de verdachte vergeleken met het gezicht van persoon 1 (met name bij het beeld 5:25:29), en stelt het hof vast - anders dan de raadsman - dat het gezicht van de verdachte op kenmerkende punten - zoals de neus en de vorm van zijn gezicht in profiel - sterke overeenkomsten vertoont met het gezicht van persoon 1 op de camerabeelden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat het de verdachte is, die te zien is op de camerabeelden en dat deze beelden dientengevolge mee kunnen werken aan het bewijs.

Ten aanzien van de overige bewijsmiddelen

Ter weerlegging van het belastende bewijs heeft de verdediging een alternatieve lezing naar voren gebracht ten aanzien van de aanwezigheid van de verdachte in de buurt van de plaats delict, inhoudende dat de verdachte eerder die avond twee meisjes had ontmoet in Rotterdam en dat hij vervolgens met één van hen naar Leiden is gegaan. Toen hij de volgende ochtend vanuit haar huis in Leiden naar zijn werk wilde gaan, werd hij door de politie aangehouden.

Reeds gelet op hetgeen het hof hierboven omtrent de herkenning van de verdachte heeft overwogen, acht het hof deze lezing van verdachtes aanwezigheid in de buurt van de plaats delict en in de buurt van een medeverdachte ongeloofwaardig.

Bovendien kon de verdachte zich op verschillende ondervragingsmomenten geen enkel detail herinneren met betrekking tot deze meisjes, zoals hun naam, adres, specifieke uiterlijk of de plaats waar zij elkaar hadden ontmoet in Rotterdam.

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard ten tijde van zijn aanhouding dronken te zijn geweest, waardoor hij schrok van de verbalisanten. Dat verklaart zijn wegrennen, zo stelt hij. Het hof overweegt daaromtrent dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2011 (nr. PL1644 2011056878-40) de verbalisant die hem na zijn aanhouding heeft overgebracht naar het politiebureau niet de indruk heeft gehad dat de verdachte onder invloed was van drank of andere stoffen, die zijn gedrag, denkwijze of lichaam hadden kunnen beïnvloeden, zodat deze verklaring naar oordeel van het hof niet aannemelijk is.

Gelet op bovenstaande genoemde feiten en omstandigheden

- in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde. De gevoerde bewijsverweren doen daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de rol van de verdachte, alsmede op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in een woning, onder bedreiging met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Dat het slechts bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte of aan zijn mededaders te danken, maar aan de omstandigheid dat het slachtoffer snel de deur naar de gang dicht kon duwen en de verdachten vervolgens naar buiten heeft kunnen werken. Deze gebeurtenis is door de slachtoffers als zeer bedreigend ervaren. De verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin en volstrekt geen oog gehad voor de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers, die dachten in hun eigen woning veilig te zijn.

Voorts overweegt het hof dat dit soort ernstige feiten doorgaans tevens angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg brengt, hetgeen het hof de verdachte aanrekent.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts heeft het hof met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op een reclasseringsadvies d.d. 27 mei 2011 van de Stichting Reclassering Nederland, unit Den Haag.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden langere duur dan door de advocaat-generaal gevorderd een passende en geboden reactie vormt.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting van 2 augustus 2012 heeft de raadsman - anders dan overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities - primair opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht bij arrest in verband met de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde. Het hof overweegt dat gelet op het bewezen geachte, de op te leggen straf, de wijze van tenuitvoerlegging daarvan en het voortbestaan van de bezwaren en gronden die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis, het verzoek dient te worden afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer A]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer A] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 29.960,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in hoger beroep deels gehandhaafde bedrag van € 28.960,- ter zake van materiële en immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is het gevorderde bedrag tot een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer A].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer A] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.A. Schuering en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 augustus 2012.