Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4727

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
22-005907-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7251, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in een woning, onder bedreiging met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Dat het slechts bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte of aan zijn mededaders te danken, maar aan de omstandigheid dat het slachtoffer snel de deur naar de gang dicht kon duwen en de verdachten vervolgens naar buiten heeft kunnen werken.

Gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek van voorarrest.

TUL gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005907-11

Parketnummers: 09-607708-11 en 10-631029-09(TUL)

Datum uitspraak: 16 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 december 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] 2011 te Leiden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

- de woning waarin die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich bevonden, is binnengegaan en/of/waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B] heeft/is gericht, althans op een voor die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] duidelijk zichtbare wijze voorhanden heeft gehad/was

- en/of daarbij heeft/is geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en/of "Geld, geld!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [datum] 2011 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer A] en [slachtoffer B] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], met zijn mededaders:

- de woning waarin die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich bevonden, is binnengegaan waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer A] is gericht,

- en/of daarbij heeft geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en "Geld, geld!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft - overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities - in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij aangevoerd dat - zakelijk weergegeven -:

- de staandehouding en de daarop volgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig hebben plaatsgevonden, zodat het uit de onrechtmatige aanhouding verkregen bewijs dient te worden uitgesloten;

- op de beelden van de bewakingscamera's betreffende de daders van de overval niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat het de verdachte is, die te zien is op een aantal beelden, zodat deze camerabeelden niet kunnen dienen tot het bewijs;

- de overige bewijsmiddelen - onder meer ten aanzien van de onder de verdachte aangetroffen zaken - onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feitelijke toedracht

Op basis van het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.

Op [datum] 2011 omstreeks 6:30 uur zitten aangever [slachtoffer A] en zijn echtgenote [slachtoffer B] in de woonkamer van hun woning aan [straat A, nummer X] te Leiden. Plotseling zien zij (tenminste) drie personen de gang van hun woning inlopen. Zij hebben allen een panty over hun hoofd of een capuchon op. De voorste persoon richt vervolgens een vuurwapen op [slachtoffer A] en schreeuwt daarbij: "Geld, geld!" en "Dit is een overval, dit is een overval!". Hierop springt [slachtoffer A] van de bank af en duwt direct de gangdeur dicht, waarna hij de overvallers zijn woning uitwerkt. Twee van hen rennen weg in de richting van de [straat B] en gaan aldaar aangekomen via de [straat B] richting de [straat C].

Op diezelfde dag omstreeks 6:30 uur rijdt een verbalisant in burger in zijn vrije tijd met zijn motor over de [straat C] te Leiden, alwaar hij een man uit de [straat B] richting de [straat D] ziet rennen. Vervolgens ziet de verbalisant uit de [straat B] een tweede man rennen in dezelfde richting als de eerste man. Hij ziet hierop dat de tweede man een klos waslijn verliest, ernaar kijkt, deze vervolgens laat liggen en doorrent. De verbalisant wenkt een toevallig langsrijdende motoragent in uniform, die deze tweede man vervolgens staande houdt. Op dat moment horen de verbalisanten via de mobilofoon dat er zojuist een gewapende overval met meerdere daders heeft plaatsgevonden op [straat A, nummer X] te Leiden. [straat A] is de eerste zijstraat van de [straat B], gezien vanaf de [straat C]. Bij de verdachte worden bij zijn fouillering een groene latex handschoen, twee panty's en een scheermes aangetroffen.

Ten aanzien van rechtmatigheid van de staandehouding en de aanhouding van de verdachte

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de desbetreffende verbalisant op een vroege zondagochtend twee mannen achter elkaar door een woonwijk ziet rennen, van wie er één tijdens het rennen een klos waslijn verliest, hiernaar kijkt en vervolgens weer doorrent, een verdachte situatie oplevert die voldoende grond biedt om de betrokkene, in casu de verdachte, staande te houden en naar zijn legitimatiebewijs te vragen. Als de verbalisanten vervolgens via de mobilofoon horen dat er zojuist een poging tot een gewapende overval heeft plaatsgevonden met meerdere daders op een steenworp afstand van de plek waar de verdachte is staande gehouden, leidt de omstandigheid dat de verdachte met een ander wegrende uit de richting van de straat waar de overval was gepleegd, en na het verlies van een klos waslijn doorrent, naar het oordeel van het hof tot een voldoende redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.

De staandehouding en de daarop volgende aanhouding van de verdachte zijn derhalve naar het oordeel van het hof rechtmatig geweest, zodat het nadien verkregen bewijs als rechtmatig bewijs kan worden gebezigd. Het verweer strekkende tot uitsluiting van bewijs wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van de beelden van de bewakingscamera's

Op en rond het moment van de poging tot de gewapende overval zijn door bewakingcamera's, die zijn bevestigd aan de voor- en achterzijde van de woning van de aangever, camerabeelden geregistreerd. Daarop zijn de kennelijke daders van de overval zichtbaar. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof in aanwezigheid van de advocaat-generaal en de verdediging de DVD bekeken met daarop deze beelden van de bewakingscamera's.

Het hof heeft op de voornoemde beelden het navolgende waargenomen (waarbij het hof opmerkt dat gelet op het tijdstip van aanhouding de camerabeelden één uur achterlopen op de werkelijke tijd en bij de hieronder vermelde tijdstippen dus steeds 1 uur dient te worden opgeteld):

Om 4:15:16 uur verschijnt aan de achterzijde van de woning een persoon ("persoon 1") in beeld met een lichtkleurige broek, een horizontaal doorgestikte jas met reflecterende horizontale lijnen op borsthoogte en met Adidas schoenen aan, die het tuinhekje openmaakt. Om 4:15:50 uur loopt deze persoon de tuin in richting de woning. Om 4:16:18 uur loopt deze persoon de tuin weer uit.

Om 5:25:11 uur lopen vanuit de richting van de [straat B] drie mannen langs de woning aan de voorzijde. Om 5:25:27 uur verschijnen diezelfde mannen weer in beeld. De voorste man ("persoon 2") draagt om zijn rechterhand een groene handschoen en houdt in die hand een klein op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. Naast hem is persoon 1 te zien. Om 5:25:31 rennen de mannen weg in de richting van de [straat B].

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep het uiterlijk van de verdachte vergeleken met het uiterlijk van persoon 2 (met name bij het beeld om 05:25:28), en stelt vast dat het karakteristieke gezicht van de verdachte op kenmerkende punten - zoals de neus, de mond en de kin - sterke overeenkomsten vertoont met het gezicht van persoon 2 op de camerabeelden. Bovendien overweegt het hof dat de kleding die de dader droeg op de camerabeelden, overeenkomsten vertoont met de kleding die de verdachte droeg tijdens zijn aanhouding. Van die kleding bevinden zich foto's in het dossier. Het hof stelt op basis van deze eigen waarnemingen vast dat het de verdachte is, die te zien is op de camerabeelden en dat deze beelden dientengevolge mee kunnen werken aan het bewijs.

Ten aanzien van de overige bewijsmiddelen

Het hof overweegt dat bij de verdachte na zijn aanhouding twee panty's zijn aangetroffen, waarbij in één van deze panty's twee ronde gaten op korte afstand van elkaar zijn uitgeknipt in het bovenstuk. Aangever [slachtoffer A] heeft verklaard over de omstandigheid dat de daders een panty over hun hoofd droegen. Het hof acht het boven redelijke twijfel verheven dat de gaten kijkgaten betreffen.

Daarnaast overweegt het hof dat bij de aanhouding van de verdachte in zijn linkerjaszak een groene latex handschoen is aangetroffen, en even later in de bosjes vlakbij de plek waar de verdachte is aangehouden eveneens een groene latex handschoen is gevonden. Deze handschoenen komen blijkens het sporenonderzoek overeen qua kleur, grootte en materiaal, en gelijken sterk op de handschoen als te zien op de voornoemde beelden van de bewakingscamera's.

Gelet op bovenstaande genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde. De gevoerde bewijsverweren doen daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de rol van de verdachte, alsmede op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in een woning, onder bedreiging met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Dat het slechts bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte of aan zijn mededaders te danken, maar aan de omstandigheid dat het slachtoffer snel de deur naar de gang dicht kon duwen en de verdachten vervolgens naar buiten heeft kunnen werken. Deze gebeurtenis is door de slachtoffers als zeer bedreigend ervaren. De verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin en volstrekt geen oog gehad voor de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers, die dachten in hun eigen woning veilig te zijn.

Voorts overweegt het hof dat dit soort ernstige feiten doorgaans tevens angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg brengt, hetgeen het hof de verdachte aanrekent.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende en overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal- van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een waslijn, twee panty's en een scheermes, behoren aan de veroordeelde toe. Nu zij tot het begaan van het bewezen verklaarde zijn bestemd, zullen zij verbeurd worden verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer A]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer A] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 29.960,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in hoger beroep deels gehandhaafde bedrag van € 28.960,- ter zake van materiële en immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is het gevorderde bedrag tot een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer A].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2009 onder parketnummer 10-631029-09 is de verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 45, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zijnde de onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen op de beslaglijst, te weten: een waslijn, twee panty's en een scheermes.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer A] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2009, parketnummer 10-631029-09, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.A. Schuering en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 augustus 2012.