Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4709

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
200.102.009/01 + 200.102.018/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1246, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap;(geen) partneralimentatie (artikel 1:160 BW); ontvankelijkheid in hoger beroep en bevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 1 augustus 2012

Zaaknummer : 200.102.009/01 + 200.102.018/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 11-2672

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,

tegen

[man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker,in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 14 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 november 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 25 april 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 1 juni 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 12 juni 2012 een brief van 11 juni 2012 met bijlagen;

- op 13 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 11 juni 2012 een brief van 8 juni 2012 met bijlage;

- op 15 juni 2012 een brief van 14 juni 2012 met bijlage.

De zaak is op 22 juni 2012 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat partijen overgaan tot verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een notaris.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 20 december 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap, welke door echtscheiding is ontbonden op 20 december 2011, alsmede de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie).

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de omvang en de verdeling van de bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, zoals in het appelschrift is aangegeven en de man te veroordelen tot betaling van het aandeel van de vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap van € 300.250,-, althans betaling van een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal bepalen, te betalen binnen 30 dagen na het ten deze te geven beslissing;

b. te bepalen dat de man aan de vrouw als partneralimentatie zal voldoen een bedrag € 2.250,- per maand, vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.

2. De man verzoekt het hof primair de vorderingen van de vrouw af te wijzen als zijnde

niet-ontvankelijk, dan wel de onbevoegdheid uit te spreken, dan wel alle vorderingen van de vrouw af te wijzen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

subsidiair (mocht het hof anders beslissen):

de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a.

de omvang en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, als door de man aangegeven, vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van haar aandeel in de gemeenschap ad € 140.993,20, althans betaling van een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal bepalen, te betalen binnen dertig dagen na de ten deze te geven beslissing;

b.

de hond Myca toe te bedelen aan de man;

c.

te bepalen dat de vrouw aan de man voldoet de helft van haar deel van de erfenis van haar moeder;

d.

toe te bedelen aan de man:

- de gewone bril op sterkte van de man;

- motorsleutel Suzuki RG250;

- reserve sleutels VW Golf;

- bedieningspasje elektrisch hek.

e.

de in de echtelijke woning aanwezige inboedel (voor zover nog rechtens vereist).

3. De vrouw verzet zich tegen het incidenteel appel van de man en verzoekt het hof de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen.

Ontvankelijkheid

4. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoeken in hoger beroep. Volgens de man had de vrouw deze verzoeken moeten indienen bij de rechtbank en niet bij het hof.

5. Het hof overweegt als volgt. Het verzoek om partneralimentatie betreft een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en kan ook voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Met haar verzoek aan het hof de verdeling vast te stellen komt de vrouw op tegen de beslissing van de rechtbank dat partijen ten overstaan van een notaris moeten overgaan tot verdeling. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoeken in hoger beroep.

Onbevoegdheid

6. Voorts stelt de man dat het hof onbevoegd is van het beroep kennis te nemen, nu het beroepschrift bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch had moeten worden ingediend.

7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 60 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie oordelen de gerechtshoven in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in burgerlijke zaken, strafzaken en belastingzaken van de rechtbanken in hun ressort. Nu de rechtbank Rotterdam, gelegen in het ressort van het gerechtshof ’s-Gravenhage, een beschikking heeft gegeven in een burgerlijke zaak en de vrouw van die beschikking in hoger beroep is gekomen, is het gerechtshof ’s-Gravenhage bevoegd daarvan kennis te nemen. Mitsdien slaagt het beroep van de man op de onbevoegdheid van het hof niet.

Partneralimentatie

Samenwonen als ware zij gehuwd

5. Ingevolge artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze, voor zover thans van belang, is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

6. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw met de heer [X] sinds geruime tijd samenwoont als ware zij gehuwd. De vrouw is in 2011 zwanger geraakt (niet van de man) en inmiddels bevallen van een kind. De vrouw heeft op 1 september 2011 een e-mail gestuurd aan de ouders van de heer [X]. De e-mail luidt als volgt: “a.s zaterdag heb ik een afspraak, maar voor de rest van alle dagen kan ik altijd. Of ik en [X]. Het kan ook doordeweeks in de avonduren. We zijn zo in Oss, dus dat is geen enkele prbleem. U mag zeggen wanneer het beste uitkomt. Hele dikke knuffel, en hopelijk tot gauw. [de vrouw] xxxx.” Volgens de man staat de vrouw slechts voor de vorm ingeschreven bij haar vader te [woonplaats]. Ter zitting in hoger beroep heeft de man dit standpunt aangevuld en gesteld dat hij hiermee een beroep doet op artikel 1:160 BW.

7. De vrouw heeft voormeld standpunt van de man niet (gemotiveerd) weersproken.

8. Het hof overweegt als volgt. De man heeft nauwkeurig aangegeven vanaf welke datum de vrouw met de heer [X] samenwoont. De vrouw is tijdens het huwelijk met de man bevallen van een kind, waarvan vast staat dat het niet het kind van de man is. Zij heeft de man niet geïnformeerd over het kind. De vrouw heeft contact met de ouders van de heer [X]. Gezien deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, welke niet door de vrouw zijn weersproken, is er een duidelijk bewijsvermoeden dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd in de zin van art 1:160 BW. Het had op de weg van de vrouw gelegen om dat bewijsvermoeden te weerleggen, hetgeen zij naar het oordeel van het hof niet heeft gedaan. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat sprake is van een samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW, waardoor van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de man. Het verzoek van de vrouw een partneralimentatie te bepalen, zal worden afgewezen. De grieven van partijen aangaande de behoefte en draagkracht behoeven dan ook geen bespreking meer.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

9. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een notaris heeft benoemd ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling van de huwelijksgemeenschap dienen plaats te vinden. Volgens de vrouw zal een verdeling ten overstaan van een notaris niet tot enig resultaat leiden omdat de man zich op het standpunt stelt dat zij geen aanspraak kan maken op enig aandeel in de huwelijksgemeenschap. De vrouw verzoekt het hof dan ook om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen.

10. De man stelt dat de huwelijksgemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld en dat de vrouw dient te worden veroordeeld tot uitbetaling van haar aandeel van de schuld van € 140.993,20. Volgens de man is de waarde van de woning thans € 492.000,-. De polis AXA levensverzekering is een risicoverzekering en de polis heeft geen waarde. De man is niet bereid de vrouw een vergoeding te geven voor een deel van de inboedel, nu hij de gehele inboedel heeft opgebouwd en de vrouw daaraan geen bijdrage heeft geleverd. Bovendien heeft de vrouw, zo stelt de man, bij haar vertrek afgezien van het meenemen van een deel van de inboedel.

11. Het hof overweegt als volgt. Indien de rechter op grond van artikel 3:185 BW wordt verzocht de verdeling vast te stellen, dienen aan de rechter voldoende gegevens te worden verschaft om de verdeling te kunnen vaststellen. De rechter zal dan onder meer inzicht moeten hebben in de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap per datum ontbinding van het huwelijk. Voorts dient de rechter inzicht te hebben in waarde van boedelbestanddelen.

12. Het hof heeft geen beschrijving gekregen van de bestanddelen behorende tot de huwelijksgemeenschap per ontbinding huwelijk, zijnde 20 december 2011. Het hof heeft derhalve geen inzicht kunnen verkrijgen in de omvang van de boedel. Ook ter zitting in hoger beroep is daarover door partijen geen duidelijkheid verschaft. Gelet hierop kan het hof niet de verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststellen en dient het verzoek van de vrouw daartoe te worden afgewezen. Dit leidt in zoverre tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Van Wijk, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2012.