Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4419

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
BK-10/00787
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid beslist dat belanghebbende geen recht heeft op toekenning van een proceskostenvergoeding wegens verleende professionele rechtsbijstand. Naar ’s Hofs oordeel is in wezen geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2158
FutD 2012-2138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-10/00787

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 27 juni 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Holland Midden/kantoor [P], hierna: de Ontvanger,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2010, nr. AWB 10/2310 IW, betreffende de hierna vermelde beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Ontvanger heeft belanghebbende met dagtekening 22 februari 2010, schriftelijk aangemaand ter zake van een achterstand in de betaling van de aan belanghebbende opgelegde aanslag premie ziekenfondswet (aanslagnummer [xxx.xx.xxx.x.xx]) voor het jaar 2005. Daarbij is door de Ontvanger voor het verzenden van de aanmaning een bedrag van

€ 6 kosten in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten een bezwaarschrift ingediend dat op 23 februari 2010 bij de Belastingdienst is binnen gekomen. In dat bezwaarschrift heeft belanghebbende op grond van artikel 7:15, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

1.3. De Ontvanger is bij uitspraak van 4 maart 2010 aan het gemaakte bezwaar tegemoet gekomen en heeft de in rekening gebrachte aanmaningskosten verminderd tot nihil. Met betrekking tot het verzoek om een kostenvergoeding heeft de Ontvanger in vorenvermelde uitspraak medegedeeld dat belanghebbende binnenkort bericht zou ontvangen. Bij separate brief van 26 maart 2010 heeft de Ontvanger beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband met het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door de griffier een griffierecht van € 111 geheven.

2.2. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak is aangevangen ter zitting van het Gerechtshof van 26 oktober 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een conclusie van repliek gedagtekend 28 maart 2011 ingediend die noch door het Hof noch door de Ontvanger eerder zijn ontvangen. In verband daarmee heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Na de zitting van 26 oktober 2011 zijn de volgende stukken bij het Hof binnengekomen:

- een brief van belanghebbende van 26 oktober 2011 met vier bijlagen, bij het Hof binnengekomen op 27 oktober 2011;

- de conclusie van dupliek van de Ontvanger van 14 november 2011, bij het Hof binnengekomen op 30 november 2011;

- een brief van belanghebbende van 14 december 2011, bij het Hof binnengekomen op 21 december 2011;

- een brief van de Ontvanger van 23 januari 2012, bij het Hof binnengekomen op 25 januari 2012;

- een brief van belanghebbende van 20 maart 2012, bij het Hof binnengekomen op 20 maart 2012.

Een afschrift van de stukken is aan de wederpartij verstrekt.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van het Gerechtshof van 16 mei 2012, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende treedt op als gemachtigde van [A], die hij heeft gemachtigd om namens hem bezwaar te maken en beroep in te stellen. Op naam van mevrouw [A] is een eenmanszaak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven. Belanghebbende is werkzaam bij dit bedrijf. De activiteiten van dit bedrijf bestaan onder andere uit het verstrekken van belastingadviezen.

3.2. In de tot de gedingstukken behorende brief van 20 maart 2012 schrijft belanghebbende voor zover van belang het volgende: “Ondanks eerder telefonisch toegezegde akkoord verklaarde datum zitting 18 april 2012 te 13.30 uur. Spijt het mij alsnog nader uitstel te moeten vragen, tot na 1 mei 2012, en wel om reden dat: (…)”.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag:

of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep

- en/of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van een redelijke termijn voor de behandeling van het geschil, welke vragen door belanghebbende bevestigend en door de Ontvanger ontkennend worden beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak van de Ontvanger, tot veroordeling van de Ontvanger tot een op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) gebaseerde forfaitaire vergoeding naar een wegingsfactor van 2,5 en tot veroordeling van de Staat der Nederlanden tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding van € 500.

5.2. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft met betrekking tot het verzoek van belanghebbende in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eiser en verweerder gelezen dient te worden respectievelijk belanghebbende en de Ontvanger:

“III.8. De rechtbank is van oordeel dat het in de onderhavige procedure niet redelijk is dat eiser kosten heeft gemaakt door het inschakelen van een derde om aan hem rechtsbijstand te verlenen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat eiser bij deze rechtbank regelmatig optreedt als gemachtigde van cliënten van het onder III.2. vermelde bedrijf en in het kader daarvan bezwaar- en beroepschriften opstelt. Het gaat hierbij ook, zoals eiser zelf in zijn pleitnota heeft aangegeven, om zaken die identiek zijn aan de onderhavige zaak.

Gelet op deze professionele status van eiser, oordeelt de rechtbank dat eiser zeker geacht moet worden te beschikken over de kennis en expertise die nodig zijn om de onderhavige procedure voor zichzelf te voeren. Hiermee rekening houdend, acht de rechtbank de stelling van eiser dat mevrouw [A], met behulp van de tekst van een door eiser voor een cliënt gevoerde procedure, het bezwaar- en beroepschrift heeft opgesteld, niet van belang. Bovendien heeft eiser er in de onderhavige procedure vanaf gezien zich ter zitting van de rechtbank te laten vertegenwoordigen. Blijkbaar achtte eiser dat in het onderhavige geval niet nodig.

III.10. Nu de rechtbank van oordeel is dat eiser de door hem gestelde kosten van door een derde verleende rechtsbijstand niet in redelijkheid heeft gemaakt, behoeft de stelling van eiser dat, het verlenen van rechtsbijstand door een echtgenote ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2009, nr. 08/2570, geen beletsel hoeft te vormen voor het toekennen van een kostenvergoeding, geen behandeling meer.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft met juistheid beslist dat belanghebbende geen recht heeft op toekenning van een proceskostenvergoeding wegens verleende professionele rechtsbijstand. Het Hof maakt het oordeel van de rechtbank tot de zijne. Met betrekking tot de stellingen van belanghebbende in hoger beroep overweegt het Hof nog als volgt.

7.2. Om voor een vergoeding op basis van artikel 1, aanhef, onder a, van het Besluit in aanmerking te komen is onder meer vereist dat door een derde rechtsbijstand wordt verleend. Indien belanghebbende zelf de volgens het Besluit voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht is voor een proceskostenvergoeding als vorenbedoeld geen plaats.

7.3.1. Bijna alle processtukken van belanghebbende zijn voorzien van een stempelafdruk van de gemachtigde van belanghebbende, namelijk het kantoor van [A] belastingconsulente. In de onderhavige zaak vertegenwoordigt belanghebbende dat kantoor. Hoewel mevrouw [A] tezamen met belanghebbende ter zitting is verschenen, is geenszins gebleken dat zij in deze zaak als gemachtigde is opgetreden.

7.3.2. Belanghebbende, die zelf over een ruime kennis en ervaring beschikt om de aan de orde zijnde bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure te kunnen voeren, heeft zich op het standpunt gesteld dat hij als vertegenwoordiger van zijn gemachtigde de processtukken heeft opgesteld.

7.3.3. Het Hof verwerpt het vorenvermelde standpunt van belanghebbende. De feiten en omstandigheden komen naar het oordeel van het Hof erop neer dat mevrouw [A] feitelijk geen rechtsbijstand heeft verleend aan belanghebbende, doch dat belanghebbende louter voor zichzelf is opgetreden.

Naar ’s Hofs oordeel is in wezen geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. Het enkele afstempelen van de processtukken door de gemachtigde belastingconsulente doet aan vorenvermeld oordeel niets af.

7.4. Met betrekking tot het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op diverse bepalingen van het EVRM, BUPO, de Grondwet en op jurisprudentie van de CRvB en de Hoge Raad, heeft belanghebbende niets ter zake dienende aangevoerd op grond waarvan omtrent de proceskostenvergoeding een andere conclusie is te trekken.

7.5. Nu belanghebbende ook overigens niets heeft aangevoerd dat een beletsel van inhoude-lijke of formele aard vormt voor het handhaven van de beschikking dan wel het bevestigen van de uitspraak van de rechtbank en het niet toekennen van de gevraagde proceskostenvergoeding, faalt het hoger beroep. Beslist moet worden als volgt.

Proceskosten en schadevergoeding

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

8.2. Uit de gedingstukken is redelijkerwijs geen andere conclusie te trekken dan dat in de bezwaarfase, welke is aangevangen op 23 februari 2010, tot aan 2 december 2010, de datum van de uitspraak van de Rechtbank, de redelijke termijn niet is overschreden, en dat sedert het instellen van het hoger beroep op 16 december 2010 en 27 juni 2012, de datum waarop het Hof zijn uitspraak zal doen, de redelijke termijn evenmin is overschreden. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding de Staat te veroordelen tot betaling aan belanghebbende van een immateriële schadevergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 27 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.