Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4178

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
200.106.501/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van een machtiging uithuisplaatsing. Situatie bij de moeder is inmiddels wezenlijk verbeterd. Bijstand van grootouders moederszijde. De relatie tussen de moeder en de vader, die slecht uitwerkte, is definitief verbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.106.501/01

Rekestnummer rechtbank : 12-373

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Breda,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader;

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg te Tilburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg;

3. [belanghebbende] en [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de grootouders vaderszijde.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, zijn aangemerkt:

[informant] en [informant],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de grootouders moederszijde.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 februari 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 11 juni 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 8 juni 2012 een brief van 7 juni 2012 met bijlage;

- op 12 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 14 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- de heer I. Cuvelay namens de raad;

- mevrouw G.H. van Versendaal en mevrouw N. Baltussen namens Jeugdzorg;

- de grootouders vaderszijde;

- de grootouders moederszijde.

De moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), onder toezicht gesteld van Jeugdzorg gesteld van 21 februari 2012 tot 21 februari 2013. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de moeder het gezag heeft over de minderjarige en dat de vader de minderjarige heeft erkend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 21 februari 2012 tot 21 februari 2013.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, onder vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de verleende machtiging uithuisplaatsing betreft, alsnog het inleidend verzoek strekkende tot afgifte van een machtiging uithuisplaatsing af te wijzen, althans een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven voor een beperkte periode teneinde de minderjarige geleidelijk terug te laten keren naar haar moeder, kosten rechtens.

3. Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De raad verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De moeder stelt dat de gronden voor uithuisplaatsing niet aanwezig zijn. De moeder voert daartoe in het beroepschrift aan dat zij hulp wenst te accepteren, dat zij door middel van therapie aan zichzelf heeft gewerkt, dat zij met de minderjarige in de woning van de grootouders moederszijde zal verblijven en er daarom nog een vorm van begeleiding zal zijn na thuisplaatsing van de minderjarige en dat de ondertoezichtstelling voldoende zicht geeft op de situatie van de minderjarige en de moeder.

De moeder stelt dat zij vrijwillig hulp heeft gezocht bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Jeugdzorg heeft er echter voor gekozen de minderjarige uit huis te plaatsen, in plaats van de moeder te ondersteunen bij de opvoeding. De moeder stelt dat de reden hiervoor volslagen onduidelijk is en niet uit de stukken volgt. De moeder stelt dat tot op heden onvoldoende is onderzocht op welke wijze, met hulp in het vrijwillig kader, de minderjarige door de moeder verzorgd en opgevoed kan worden. Er is op dit moment bovendien geen problematiek bij de minderjarige die plaatsing bij de moeder tegenhoudt. De moeder stelt voorts dat zij de minderjarige thans kan bieden wat zij nodig heeft en dat terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder derhalve in het belang van de minderjarige is. De moeder wijst erop dat de raad op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat er sprake is van enige vorm van psychiatrische problematiek of problematiek met betrekking tot de pedagogische vaardigheden van de moeder.

De moeder zorgt, in het weekeinde dat de minderjarige bij haar in [woonplaats] verblijft, volledig zelf voor de minderjarige, net als zij in het verleden ook op maandag en dinsdagochtend deed. De moeder heeft sinds de geboorte altijd, zij het niet voltijds, voor de minderjarige gezorgd. Daarenboven is de moeder bereid om adviezen van Jeugdzorg op te volgen en zich verder te bekwamen in de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Aan dergelijke adviezen heeft het echter, zo stelt de moeder, tot nu toe ontbroken. De moeder stelt daarnaast dat zij sinds juni 2011 bij grootouders moederszijde woont, waar zij twee kamers ter beschikking heeft en waar zij de minderjarige zelfstandig zou kunnen verzorgen en opvoeden en waar, indien nodig, hulp voorhanden is.

De moeder stelt voorts dat een deugdelijk plan om toe te werken naar een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder ontbreekt. Er is geen enkele poging ondernomen om de ouders, althans de moeder, te ondersteunen en te coachen in verband met een mogelijke terugplaatsing van de minderjarige, en er is geen indicatie dat een dergelijke poging in de nabije toekomst wel ondernomen zal worden. De moeder benadrukt dat er geen gronden zijn voor uithuisplaatsing, nu onvoldoende is gebleken dat de opvoedkundige kwaliteiten van de moeder tekort zouden schieten, zij bereid is hulpverlening in vrijwillig kader te accepteren, zij in staat is de minderjarige een veilige plek te bieden met voldoende zorg en zij door middel van therapie een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Daarom zou de minderjarige verzorgd moeten worden door haar ouders en haarzelf.

Tot slot wijst de moeder erop dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de grootouders vaderszijde niet de intentie lijken te hebben de minderjarige in de toekomst bij de moeder te laten wonen, noch om de contacten tussen de moeder en de minderjarige uit te breiden.

6. Jeugdzorg stelt dat bij aanvang van de uitvoering van de ondertoezichtstelling duidelijk werd dat er veel spanningen waren tussen alle betrokkenen en dat deze spanningen de minderjarige niet ten goede kwamen. Nu in het kader van de ondertoezichtstelling duidelijke kaders zijn gesteld, hebben zowel de ouders als de grootouders vaderszijde benoemd dat dit hun samenwerkingsrelatie ten goede is gekomen. Jeugdzorg stelt voorts dat aan de ouders is uitgelegd wat concreet van hen verwacht wordt, teneinde op een gegeven moment toe te kunnen werken naar een veilige, stabiele opvoedsituatie van de minderjarige bij de ouders. Voor zover bij Jeugdzorg bekend, hebben de ouders echter nog weinig concrete stappen gezet. Jeugdzorg stelt dat de ouders momenteel nog erg gefocust zijn op het aangaan van de strijd met de hulpverlening en erop gericht zijn om zoveel mogelijk tijd met de minderjarige door te brengen. Jeugdzorg hoopt dat de ouders hun vechtlust gaan inzetten om op een positieve manier aan hun persoonlijke situatie te werken, zodat er uiteindelijk weer een toekomst is voor hen met de minderjarige samen.

7. De raad signaleert diverse zorgpunten in de ontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige is mogelijk blootgesteld aan huiselijk geweld tussen haar ouders en in ieder geval aan verbale agressie. Zij werd bovendien ingezet in de strijd tussen de ouders. De minderjarige heeft veel verschillende woon/verblijfssituaties en opvoeders gekend. Een gebrek aan stabiele opvoeders en woonomgeving kan negatieve consequenties hebben voor een adequate gehechtheidsontwikkeling van een minderjarige en de raad ziet in het gedrag van de minderjarige aanwijzingen dat haar gehechtheidsontwikkeling zorgelijk verloopt. De minderjarige heeft behoefte aan een stabiele, voorspelbare opvoedingsomgeving met vaste opvoeders, waar geen sprake is van spanningen en huiselijk geweld en waar zij langdurig kan verblijven en zich kan hechten.

De ouders hebben tot op heden geen rustige, stabiele en duidelijke opvoedingsomgeving kunnen scheppen voor de minderjarige. Beide ouders kampen met persoonlijke problematiek. De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis, zij is wispelturig en trekt mensen aan en stoot hen vervolgens weer af. Naar de moeder heeft nooit een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden, maar de raad sluit niet uit dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Bovendien hebben de ouders in het verleden drugs gebruikt en is gebleken dat zij zich nauwelijks aan regels of afspraken met betrekking tot de minderjarige en zichzelf te kunnen houden. Zij hebben een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel getoond. De ouders hebben zichzelf steeds centraal gesteld en onvoldoende ingespeeld op de behoeften van de minderjarige. De ouders hebben de minderjarige bijvoorbeeld diverse keren slecht verzorgd, zonder geld of spullen, achtergelaten bij de grootouders vaderszijde terwijl zij zelf uitgingen. De ouders waren op die momenten onbereikbaar.

De ouders zijn, zo stelt de raad, op dit moment niet in staat om te voorzien in de basisvoorwaarden, zoals inkomsten en een woonplek, om voor de minderjarige een veilige en stabiele opvoedingssituatie te creëren. De ouders hebben geen werk en zijn financieel afhankelijk.

De raad stelt voorts dat de ouders een groot deel van de problematiek bagatelliseren, de oorzaken van de problemen hoofdzakelijk bij anderen leggen en onvoldoende naar hun eigen aandeel kijken. Hoewel de raad ziet dat de ouders hun best hebben gedaan, heeft dit, naar het oordeel van de raad, niet geresulteerd in een pedagogisch verantwoord opvoedingsklimaat voor de minderjarige. De raad constateert dat de ouders hebben bijgeleerd, maar onvoldoende in staat zijn om de minderjarige een veilige en stabiele leefomgeving te bieden.

Tot slot stelt de raad dat de ouders ambivalent staan ten opzichte van het accepteren van (professionele) hulpverlening en ondersteuning. Het is derhalve de vraag of zij in de toekomst voldoende van hulp kunnen profiteren.

8. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

9. Het hof acht het aannemelijk mede gezien hetgeen ter zitting is gebleken, dat de moeder de afgelopen periode wezenlijke verbeteringen in haar leefomstandigheden heeft bewerkstelligd en dat zij hulp heeft aanvaard voor haar problemen. De moeder heeft therapie gevolgd, zij heeft een psychiatrisch onderzoek ondergaan, zij werkt aan haar toekomst door het volgen van een opleiding en zij beschikt thans over een stabiele woonomgeving, waarin indien nodig opvoedondersteuning geboden kan worden. De moeder heeft hiermee inzet en betrokkenheid op de minderjarige getoond. Het hof is op grond van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht van oordeel dat de moeder thans in staat moet worden geacht de minderjarige een stabiele, voorspelbare opvoedingsomgeving te bieden met vaste opvoeders, waar geen sprake is van spanningen en huiselijk geweld en waar zij langdurig kan verblijven en zich kan hechten. Het hof is bovendien van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake zou zijn van psychiatrische problematiek of problematiek met betrekking tot de pedagogische vaardigheden van de moeder en de vader en de moeder ter zitting hebben verklaard, dat hun relatie definitief is verbroken, zodat van een gezamenlijke opvoeding en strijd in het bijzijn van de minderjarige geen sprake zal zijn. Voorts is niet gebleken dat de grootouders moederszijde niet of minder in staat zouden zijn de moeder bij te staan bij de dagelijkse zorg voor de minderjarige dan de grootouders vaderszijde, waar de minderjarige thans verblijft.

10. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat op dit moment niet voldoende gronden aanwezig zijn om de uithuisplaatsing van de minderjarige te handhaven. Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat uithuisplaatsing thans nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het hof acht het evenwel in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat in stappen wordt toegewerkt naar de thuisplaatsing. Omdat de minderjarige een goede band heeft met de moeder en zij reeds regelmatig bij de moeder thuis verblijft, is het hof van oordeel dat een termijn van vier weken voldoende is om de minderjarige geleidelijk aan te laten over gaan naar de moeder.

11. Uit het voorgaande volgt dat de duur van de bij beschikking van 21 februari 2012 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekort tot 1 augustus 2012. De bestreden beschikking zal dan ook in zoverre worden vernietigd en het hof zal aldus beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen;

bepaalt dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing eindigt op 1 augustus 2012;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, van Nievelt en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.