Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4054

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
22-003362-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BR4143, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:819, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het plan om de leveranciers van twintig kilo heroïne “op te lichten” loopt op dramatische wijze uit de hand. Teneinde het bezit van de heroïne te verzekeren en de verdachte uit zijn benarde positie te bevrijden, schieten de mededaders van de verdachte de leveranciers van de heroïne neer met een automatisch vuurwapen. Hierbij komt een van de slachtoffers te overlijden, terwijl de ander zwaar gewond raakt. Voorts hebben de verdachte en zijn mededaders zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twintig kilo heroïne.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003362-11

Parketnummer: 10-630117-07

Datum uitspraak: 6 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1978,

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 14 en 23 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met twee, althans één, vuurwapen(s) één of meer kogels in het hoofd en/of het lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een hoeveelheid heroïne), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een hoeveelheid heroïne), en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met één vuurwapen kogels in het hoofd en lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd door enig strafbaar feit, te weten verduistering van een hoeveelheid heroïne, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2. subsidiair

hij op 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met twee vuurwapens in de armen en het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd door enig strafbaar feit, te weten verduistering van een hoeveelheid heroïne, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemer(s)het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

hij op 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 20 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Toelichting op de bewezenverklaring

Ter toelichting op de bewezenverklaring onder 1 subsidiair en 2 subsidiair merkt het hof op dat de verdachte weliswaar zelf niet met een vuurwapen heeft geschoten, maar dat het hof de tenlastelegging zo interpreteert dat de zinsnede "tezamen en in vereniging" ook betrekking heeft op dit schieten (vgl. HR 26 juni 1973, NJ 1974, 80).

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 2] en [getuige 2]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - betoogd dat de getuigenverklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige] als onbetrouwbaar door het hof ter zijde moeten worden geschoven, nu de verklaringen van [slachtoffer 2] op een aantal punten haaks staan op het aanwezige technische bewijs en [getuige] aantoonbaar leugenachtig heeft verklaard over zijn aanwezigheid in de woning.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De getuige [getuige] heeft op 10 september 2008 en op 23 februari 2011 een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter in Turkije. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij op 27 april 2007 in de auto van het slachtoffer [slachtoffer] naar de voorzijde van een woning in Rotterdam is gereden. Kort daarop arriveerde [slachtoffer] met twee "Turken" en een aantal "negers" bij de woning. [slachtoffer] reed in de auto van [getuige] en de anderen reden in een grijze Volkswagen. Op verzoek van [slachtoffer] heeft [getuige] vervolgens een tas uit de auto van [slachtoffer] in de kofferbak van de Volkswagen gelegd. [slachtoffer] is hierop samen met de twee "Turken" en de "negers" naar een bovenwoning gegaan. [getuige] en de chauffeur van de Volkwagen bleven beneden. Na ongeveer tien minuten tot een kwartier is de chauffeur van de Volkswagen naar boven geroepen. Enkele minuten hierna hoorde [getuige] salvo's van een machinegeweer uit de woning komen. Toen hij in de richting van de ingang van de woning liep, zag hij dat een "neger", die hij vanaf een foto heeft herkend als de verdachte, vanuit de woning op hem af kwam, een wapen op hem richtte en tegen hem zei dat hij weg moest gaan. Hierop rende [getuige] weg en hoorde hij dat een andere "neger" bezig was diens vuurwapen te laden, welk vuurwapen ook op hem werd gericht.

Uit de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige 2], alsmede uit de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] volgt dat [getuige] in de woning aanwezig is geweest en dat hij, nadat de verdachte de heroïne heeft getest en goed heeft bevonden, de woning met de tas met heroïne heeft verlaten. Het hof is dan ook van oordeel dat [getuige] op dit punt - dat ziet op zijn eigen aandeel - leugenachtig heeft verklaard. Dit hoeft echter niet te leiden tot uitsluiting van de andere onderdelen van de verklaringen van [getuige] van het bewijs, nu zijn verklaringen op andere punten worden ondersteund door overig bewijs. Zo heeft de getuige [getuige 3] op 27 april 2007 tegenover de politie verklaard dat hij, direct nadat hij vier luide knallen uit een naburige woning hoorde komen, zijn voordeur open heeft opengetrokken en een Afrikaanse man met een pistool in zijn rechterhand naar beneden heeft zien rennen. Het door [getuige 3] gegeven signalement van deze Afrikaanse man komt overeen met het door de getuige [getuige] op

30 april 2007 tegenover de politie gegeven signalement van de verdachte. Daarenboven heeft de verdachte steeds verklaard dat hij, na het uitbreken van de vechtpartij, als eerste de woning zou hebben verlaten.

Het verweer van de raadsvrouw dat de getuigenverklaringen van [getuige] door het hof ter zijde moeten worden geschoven wordt mitsdien verworpen.

Nu het hof de verklaringen van de getuige [slachtoffer 2] niet zal bezigen tot het bewijs, behoeft voormeld verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de verklaringen van deze getuige geen nadere bespreking meer.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte - overeenkomstig de door haar overlegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en [slachtoffer 2], nu de kans dat het 'oplichten' van de "Turken" zou uitlopen op een schietpartij niet aanmerkelijk is geweest. Op grond van eerdere ervaringen van de verdachte in de drugsbranche, alsmede op grond van de wetten die gelden in de kring van zogenaamde 'criminelen onder elkaar', is deze kans zelfs klein te noemen. Mocht het hof van oordeel zijn dat de kans op een gewelddadige escalatie wel aanmerkelijk is geweest, dan kan geenszins worden bewezen dat de verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De verdachte heeft zich immers gedistantieerd van het geweld door de woning te verlaten direct na het ontstaan van het gevecht tussen zijn broer en de "Turken".

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is geweest van een gekwalificeerde (poging) tot doodslag, nu in artikel 288 Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk niet kan worden bewezen. De heroïne was immers al uit de woning op het moment dat de schietpartij plaatsvond. Ook overigens kan de schietpartij niet in relatie worden gebracht met het bemachtigen van de heroïne.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Opzet op de dood van [slachtoffer] en [slachtoffer 2]

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte wordt daags voor de ten laste gelegde feiten door [getuige 2] en [medeverdachte] benaderd met het plan een paar "Turken" 'op te lichten' bij een drugsdeal. De drugsdeal bestond uit de levering van twintig kilo heroïne aan de verdachte en zijn mededaders - zogenaamd - ten behoeve van een paar Engelsen. Naar zeggen van de verdachte was het zijn bedoeling en die van zijn mededaders om bij de overdracht van de heroïne uiteindelijk de tas met het echte - deels de dag ervoor getoonde - geld te verwisselen voor eenzelfde uitziende tas met vals geld en om er vervolgens met de heroïne vandoor te gaan. Het was de rol van de verdachte zich voor te doen als Engelsman, de heroïne te testen en goed te keuren en het echte geld aan de "Turken" te tonen. Ook heeft de verdachte via zijn contacten 'echt' geld geregeld/geleend teneinde het aan de "Turken" te tonen en hen aldus te brengen tot het verder gaan met de deal.

Op 27 april 2007 vindt in de woning aan de [adres] te Rotterdam vervolgens de drugsdeal plaats. In de woning zijn op dat moment aanwezig als verkopers: [slachtoffer] en [slachtoffer 2] en [getuige], als kopers: [getuige 2], [medeverdachte] en de verdachte en als tussenpersoon: [getuige]. Nadat de verdachte de heroïne in de woonkamer heeft getest, brengt [getuige] deze naar buiten en plaatst hij de heroïne in de achterbak van een grijze Volkswagen. [medeverdachte] en [getuige 2] volgen hem naar buiten om de tas met 'geld' uit deze auto te pakken. De verdachte moest als borg achterblijven in de woning.

Even later is er gerommel aan de deur en loopt [slachtoffer] richting de voordeur van de woning. [medeverdachte] en [getuige 2] komen vervolgens de woning binnen en beginnen te worstelen met [slachtoffer] en [slachtoffer 2]. Hierop loopt de verdachte naar de gang en wordt er een schot gelost. [medeverdachte] vuurt vervolgens met een uzi twee salvo's af. [slachtoffer] blijkt dodelijk te zijn getroffen door kogels afgevuurd met de uzi. [slachtoffer 2] raakt zwaar gewond door kogels afgevuurd met de uzi en een pistool.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het "in zijn kring" normaal is om een vuurwapen op je lichaam bij je te dragen. Hij ging er dan ook van uit dat zijn mededaders - en overigens ook de "Turken" - waren bewapend. Volgens de verdachte was het ook bij de "Turken" bekend dat er over en weer wapens zouden zijn.

Het hof neemt aan dat de drugsdeal een transactie betrof tussen, zoals de raadsvrouw heeft aangeduid, 'criminele onder elkaar.' Gebleken is echter dat het niet ging om een "reguliere" drugsdeal, maar dat de verdachte en zijn mededaders het plan hadden om in het bezit te komen van twintig kilo heroïne zonder daarvoor te betalen. De verdachte had bij de uitvoering van dat plan, door als vertrouwenspersoon de drugs te testen en geld te tonen, een cruciale rol.

Naar oordeel van het hof is in dit samenstel van feiten en omstandigheden de kans als aanmerkelijk te kwalificeren dat bij onregelmatigheden fysiek geweld zou worden gebruikt waarbij dodelijke slachtoffers het gevolg zouden kunnen zijn. De verdachte heeft deze kans bewust aanvaard door deel te nemen aan de uitvoering van het plan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat:

- de verdachte - anders dan hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - blijkens de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige] en [getuige 3] zelf een vuurwapen bij zich had;

- de verdachte ervan uitging dat ook de mededaders en andere aanwezigen gewapend zouden zijn en hij naar eigen zeggen bekend was met transacties die in zijn eigen criminele kring hadden plaatsgevonden en die op gewelddadige wijze waren geëscaleerd en waarbij dodelijke slachtoffers waren gevallen;

- een geweldsuitbarsting zeer waarschijnlijk was aangezien de verdachte en zijn mededaders het vooraf beraamde plan uitvoerden om zich door middel van een soort geldomwisseltruc van het bezit van een grote partij drugs te verzekeren zonder daarvoor te betalen en zich daartoe hadden begeven in het pand dat in gebruik was bij één van de beoogde slachtoffers van de truc;

- de verdachte naar eigen zeggen niet vooraf met zijn mededaders afspraken heeft gemaakt over het gebruik van de aanwezige vuurwapens, hetgeen impliceert dat er vooraf ook niet is afgesproken dat er niet geschoten zou worden.

Distantiëren van het geweld?

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte niet als medepleger van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde kan worden aangemerkt, aangezien hij zich van het geweld heeft gedistantieerd door het desbetreffende pand te verlaten nadat de geweldsuitbarsting was begonnen.

Het hof verwerpt dit verweer. Uit de verklaring die [getuige 3] en [getuige] hebben afgelegd blijkt namelijk, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, dat er van een dergelijk distantiëren geen sprake is geweest.

Blijkens de hierboven weergegeven verklaring van [getuige 3] heeft hij, nadat hij vier luide knallen in een naburige woning hoorde, de verdachte het portiek zien uitrennen met een vuurwapen in zijn hand. [getuige 3] heeft op 27 april 2007 tegenover de politie verder verklaard dat hij direct daarop, voordat hij zijn voordeur sloot, een aantal andere mannen naar beneden heeft zien rennen. Nu uit de overige gebezigde bewijsmiddelen volgt dat ook verdachtes mededaders meteen na de schietpartij zijn weggegaan, leidt het hof uit de verklaring van [getuige 3] af dat de verdachte het pand op vrijwel op hetzelfde moment heeft verlaten als zijn mededaders.

Voorts volgt uit de hierboven weergegeven verklaringen van [getuige] dat de verdachte na de schietpartij zelf nog uitvoeringshandelingen heeft verricht ter voltooiing van de gekwalificeerde doodslag. [getuige] heeft immers verklaard dat een persoon, die hij op een foto heeft herkend als de verdachte, bij het verlaten van het pand een vuurwapen op hem heeft gericht en tegen hem heeft gezegd dat hij weg moest gaan.

Gekwalificeerde doodslag

Ter zake van het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake kan zijn van een gekwalificeerde doodslag nu de heroïne op het moment van de schietpartij reeds uit de woning was, overweegt het hof als volgt.

Van een gekwalificeerde doodslag kan sprake zijn indien de doodslag is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een ander strafbaar feit en is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan anderen het bezit van het wederrechtelijke te verzekeren. Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de heroïne op het moment van uitbreken van de schietpartij inderdaad reeds in het bezit was van de verdachte en zijn mededaders. Het hof is echter van oordeel dat [getuige 2] en [medeverdachte] niet zijn teruggekeerd naar de woning om het bezit van de heroïne te verkrijgen, maar om de verdachte daar te bevrijden uit zijn benarde positie als borg en om aldus het bezit van de heroïne aan hen allen te verzekeren.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, gevolgd door een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag, gevolgd door een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het plan om de leveranciers van twintig kilo heroïne "op te lichten" loopt op dramatische wijze uit de hand. Teneinde het bezit van de heroïne te verzekeren en de verdachte uit zijn benarde positie te bevrijden, schieten de mededaders van de verdachte de leveranciers van de heroïne neer met een automatisch vuurwapen en een vuurwapen. Hierbij raakt het slachtoffer [slachtoffer] dodelijk gewond en het slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar gewond.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer [slachtoffer] het meest fundamentele recht, het recht op leven ontnomen. Daarnaast is de nabestaanden van het slachtoffer een zeer groot en onherstelbaar leed aangedaan. Voorts is op zeer brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Dat het slachtoffer [slachtoffer 2] - die door de schietpartij potentiële dodelijke verwondingen heeft opgelopen - niet aan zijn verwondingen is komen te overlijden, is opmerkelijk te noemen. Het gaat in deze om zeer ernstige feiten. Het hof rekent het de verdachte tevens zwaar aan dat deze feiten zijn begaan in een woning midden in een woonwijk.

Voorts hebben de verdachte en zijn mededaders zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twintig kilo heroïne. Heroïne is een zeer schadelijke stof en bedreigend voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast is het gebruik van heroïne ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de verdere verspreiding ervan, die gebruikelijk gepaard gaat met criminaliteit.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder, zij het langer geleden, eveneens geweldsdelicten en overtreding van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Feiten als de onderhavige rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van die duur neemt het hof in aanmerking dat de verdachte op geen enkel moment inzicht heeft getoond in de ernst van de feiten en zijn gedragingen. De vanzelfsprekendheid waarmee de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over de drugsdeal en de beoogde oplichting heeft gesproken, vindt het hof zeer verontrustend.

Ook zal het hof bij het bepalen van de strafduur acht slaan op de rol die de verdachte - de oudere broer van medeverdachte [medeverdachte] - in het geheel van de gebeurtenis heeft gehad. Naar oordeel van het hof is deze rol gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachte [medeverdachte]. De verdachte heeft weliswaar zelf niet geschoten, maar zijn rol bij de uitvoering van het plan om de leveranciers van de heroïne op te lichten is cruciaal geweest. Immers, de verdachte heeft het echte geld geregeld dat aan de "Turken" kon worden getoond en was gedurende de transactie de vertrouwensman. Daarenboven heeft de verdachte door bij het verlaten van de woning een vuurwapen te richten op [getuige] de aftocht van zichzelf en zijn mededaders mogelijk gemaakt.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 3.095,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag EUR 3.095,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 3.095,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Het hof zal bepalen - gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid - dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] terzake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.095,00 (drieduizend vijfennegentig euro) bestaande uit EUR 95,00 (vijfennegentig euro) materiële schade en EUR 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van EUR 3.095,00 (drieduizend vijfennegentig euro) bestaande uit EUR 95,00 (vijfennegentig euro) materiële schade en EUR 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2012.