Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4030

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
22-002718-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een door hem gehuurde woning een hennepkwekerij gehad.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Tevens veroordeelt het Hof de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002718-11

Parketnummer: 09-655380-10

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1961 te '[geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

Hij, in of omstreeks 1 augustus 2009 tot en met 2 mei 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans een maal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand de [adres]) een hoeveelheid van (telkens) ca. 6 kg, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van 900 planten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair:

Één of meer tot dusverre onbekend gebleven personen, in of omstreeks 1 augustus 2009 tot en met 2 mei 2010 te

's-Gravenhage, meermalen, althans een maal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand de [adres]) een hoeveelheid van (telkens) ca. 6 kg, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van 900 planten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in of omstreeks 1 augustus 2009 tot en met 2 mei 2010 te 's-Gravenhage, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk de gelegenheid en/of middelen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft, door:

- een woning gelegen aan de [adres], al dan niet tegen betaling, ter beschikking te stellen aan die één of meerdere niet nader bekend geworden personen, en/of

- de deur te openen voor één of meerdere personen om zodoende deze personen in staat te stellen de hennep te telen en/of te bereiden en/of te bewerken en/of verwerken;

2.

Hij op of omstreeks 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres], ongeveer 900, althans in elk geval 400, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

Hij, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2009 tot en met 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit van ca 39000kw/h, althans een grote hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair:

Één of meer tot dusverre onbekend gebleven personen, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2009 tot en met 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit van ca 39000kw/h, althans een grote hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die één of meer tot dusverre onbekend gebleven personen,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2009 tot en met 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk de gelegenheid en/of middelen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft, door:

- een woning gelegen aan de [adres], al dan niet tegen betaling, ter beschikking te stellen aan die één of meerdere niet nader bekend geworden personen;

4.

Hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 03 mei 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) wand(en) en/of dak in een woning aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een of meer grote gat(en) (met een diameter van 10 cm en/of 30 cm en/of 40 cm) te boren;

Subsidiair:

Één of meer tot dusverre onbekend gebleven personen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 03 mei 2010 te 's-Gravenhage, opzettelijk en wederrechtelijk (een) wand(en) en/of dak in een woning aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die één of meer tot dusverre onbekend gebleven personen, heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een of meer grote gat(en) (met een diameter van 10 cm en/of 30 cm en/of 40 cm) te boren,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk de gelegenheid en/of middelen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft, door:

- een woning gelegen aan de [adres], al dan niet tegen betaling, ter beschikking te stellen aan die één of meerdere niet nader bekend geworden personen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren

Door de verdediging zijn -zakelijk weergegeven- de volgende verweren gevoerd.

a) Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte primair betoogd dat er een vormverzuim is opgetreden in het vooronderzoek. Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat blijkens de stukken van het geding op het moment van het doorzoeken van de woning aan de [adres] te Den Haag er onvoldoende concrete verdenking was dat zich daar binnen een hennepkwekerij zou bevinden. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, door welk vormverzuim de verdachte aanzienlijk is benadeeld. Het vorenstaande dient, aldus de raadsman, ertoe te leiden dat de tijdens de doorzoeking van de genoemde woning aangetroffen waar als verboden vrucht van onrechtmatig handelen, moet worden beschouwd en derhalve niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, kan het volgende worden vastgesteld.

Op 4 december 2009 en 4 februari 2010 werd er via de anonieme meldlijn Meld Misdaad Anoniem (MMA) melding gedaan van de mogelijke aanwezigheid van een illegale hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres] te Den Haag.

In de M-melding van 4 december 2009 (p. 78) werd het volgende gemeld:

[adres], Den Haag. In deze woning is een hennepkwekerij. De woning wordt niet bewoond en 's-avonds laat en/of 's-morgens vroeg komen mannen voor een half uurtje en verlaten de woning weer. Ze komen lopend of met een scooter. Voor de verlichting is een tijdklok ingesteld.

Twee maanden later, op 4 februari 2010, kwam er wederom een anonieme melding binnen met betrekking de mogelijke aanwezigheid van een illegale hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres] te Den Haag. Toen werd het volgende gemeld (p. 80):

In een niet bewoonde maisonnette op de [adres] te Den Haag is een hennepkwekerij. Op vaste tijden gaan er lichten aan en in de avonduren komen geregeld twee mannen. Een man komt met een scooter. Dit is een ongeveer 45-jarige man met Italiaans uiterlijk, grijzend, kalend en stevig gebouwd.

Naar aanleiding van voornoemde meldingen werd door politie Haaglanden een onderzoek ingesteld naar de bewoners van voornoemd pand. Uit dat onderzoek op 4 februari 2010, bleek dat er destijds niemand stond ingeschreven op het adres aan de [adres] te Den Haag (p. 81).

Vervolgens is, blijkens een aanvulling onder eerstgenoemde M-melding (p. 79), de woning op 14 maart 2010 van buitenaf gecontroleerd door verbalisant [verbalisant]. Uit zijn bevindingen blijkt dat de woning aan de [adres] onbewoond leek. Het betrof een etage met zolder/dakkapel waarvan de gordijnen dicht waren. Voorts zag hij via de brievenbus dat er was gerommeld aan een elektrakabel die naar boven leidt. Voorts vermeldt hij dat de buren het pand ook verdenken op hennep in verband met onder meer een vreemde geur.

Op 3 mei 2010 is, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2010 (p. 72), met een door de hulpofficier van justitie verleende machtiging, binnengetreden op grond van de Opiumwet in de woning aan de [adres] te Den Haag. Voorafgaand aan het binnentreden werd ter plaatse een onderzoek ingesteld. De dienstdoende verbalisant zag aan de voorzijde van de woning dat alle ramen waren afgeplakt dan wel dicht zaten met zonwering. Aan de achterzijde van de woning waren eveneens alle ramen van de woning afgeplakt. Voorts nam de dienstdoende verbalisant waar dat er op de ramen van de dakkapel vocht en schimmel zat. Door het bovenlicht van de voordeur zag hij stroomdraden richting de zolder lopen. Op grond van voornoemde bevindingen heeft de verbalisant opdracht gegeven het slot van de voordeur te forceren. Eenmaal in de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - is het hof van oordeel dat de bij politie Haaglanden binnengekomen anonieme meldingen voldoende concreet en van voldoende gewicht waren. Deze informatie leverde tezamen met de resultaten van het daaropvolgende politieonderzoek ter plekke, voldoende grond voor het redelijke vermoeden dat er een hennepkwekerij aanwezig was in de woning aan de [adres] te 's-Gravenhage. Het ontstane redelijke vermoeden leverde vervolgens voldoende grond op om op basis van artikel 9 van de Opiumwet rechtmatig deze woning te betreden. Het hof verwerpt in zoverre het verweer.

b) De raadsman heeft subsidiair ter terechtzitting in hoger beroep bepleit -zakelijk weergegeven- dat er onrechtmatig is binnengetreden in de woning aan de [adres] te Den Haag, nu uit de stukken volgt dat de afgegeven machtiging niet voldoet. Immers, er is binnengetreden bij afwezigheid van de bewoner terwijl er op de machtiging geen kruisje was gezet bij het onderdeel "bepaalt voorts dat bij dringende noodzakelijkheid ingeval van afwezigheid van de bewoner in genoemde woning kan worden binnengetreden". Verder is er evenzeer onbevoegd overgegaan tot inbeslagname van spullen uit die woning, nu de komst van de rechter-commissaris niet is afgewacht. Het binnentreden in en de doorzoeking van de woning van de verdachte is derhalve onrechtmatig geweest en ook de inbeslagname van goederen uit de woning heeft onrechtmatig plaatsgevonden. Al het als gevolg daarvan onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden uitgesloten en mag niet worden gebruikt tot bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde.

Het hof overweegt te dien aanzien op grond van het strafdossier van de verdachte en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat in dit geval -nu is binnengetreden bij afwezigheid van de bewoner en de verleende machtiging tot binnentreden in de woning aan de [adres] te Den Haag niet uitdrukkelijk bepaalt dat kon worden binnengetreden bij afwezigheid van de bewoner - niet is voldaan aan artikel 7 lid 2 van de Algemene wet op het binnentreden.

Op grond daarvan is het hof van oordeel dat het binnentreden van de politie onrechtmatig is geweest.

Het hof is evenwel van oordeel dat met de constatering van dit verzuim kan worden volstaan en overweegt daartoe als volgt.

Wat betreft de ernst van het verzuim stelt het hof vast dat de binnentredende politiefunctionaris wel beschikte over een machtiging. De ernst van het verzuim is derhalve in zoverre beperkt.

Voorts is het hof van oordeel dat er een dringende noodzaak als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de Algemene wet op het binnentreden was om de woning aan de [adres] in Den Haag onmiddellijk binnen te treden, ook bij afwezigheid van de bewoner. Er was immers een concrete verdenking van de aanwezigheid van een hennepkwekerij midden in een woonwijk, waarbij, mede gelet op het geconstateerde 'gerommel' met elektriciteitsdraden, een onmiddellijke ontmanteling in het belang is van de veiligheid van de direct omwonenden. Tenslotte is het hof van oordeel dat de verdachte door het verzuim niet daadwerkelijk in zijn belangen die door voornoemd artikel worden beschermd, is geschaad. De schending van het huisrecht en de privacy van de verdachte was immers zeer beperkt nu de woning feitelijk nagenoeg uitsluitend slechts gebruikt werd als hennepkwekerij en geen voorwerpen zijn aangetroffen die vanuit een oogpunt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van enige betekenis waren. Verdachte heeft ook niet aangevoerd dat hij door het verzuim in bedoelde belangen of in zijn verdediging is geschaad.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat volstaan kan worden met de constatering van het verzuim.

Nu de verbalisanten in de woning slechts zoekend hebben rondgekeken en daarmee de bevoegdheid die artikel 9 Opiumwet geeft niet hebben overschreden, treft het verweer van de raadsman dat de komst van de rechter-commissaris had moeten worden afgewacht geen doel.

c) Tenslotte heeft de verdediging betoogd -verkort en zakelijk weergegeven- dat de verdachte weliswaar een bekennende verklaring heeft afgelegd, maar dat hij daarop bij andere gelegenheden anders heeft verklaard, onder andere ter terechtzitting in hoger beroep, zodat aan de bekennende verklaring geen waarde mag worden gehecht.

Het hof houdt de verdachte aan diens- voor het bewijs als voldoende betrouwbaar geachte- bekennende verklaring bij de politie. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de andersluidende verklaringen van de verdachte op geen enkele wijze aannemelijk zijn geworden, terwijl het op de weg van de verdachte had gelegen de voor verificatie ervan noodzakelijke informatie te verschaffen, hetgeen hij zonder overtuigende reden uitdrukkelijk heeft geweigerd.

Op grond van al het voorgaande verwerpt het hof de onder a), b) en c) weergegeven verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij, in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 2 mei 2010 te 's-Gravenhage, meermalen, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van telkens een groot aantal hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan de [adres], ongeveer 900 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij, in de periode van 15 oktober 2009 tot en met 3 mei 2010 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit van ca 39000kw/h, toebehorende aan Energiebedrijf Eneco;

4.

hij, in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 03 mei 2010 te 's-Gravenhage, opzettelijk en wederrechtelijk wanden en/of een dak in een woning aan de [adres], toebehorende aan [benadeelde partij], heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een of meer grote gaten te boren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een door hem gehuurde woning een hennepkwekerij gehad. Zodoende heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. De verdachte heeft voorts de voor die kwekerij benodigde elektriciteit gestolen en zodoende de netbeheerder benadeeld. Deze feiten zijn schadelijk voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de woning door in wanden en/of het dak gaten te boren. Dit zijn ergerlijke feiten die de eigenaar van de woning een grote schadepost hebben opgeleverd.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is van oordeel dat als reactie op feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het hof zal echter, gelet op de relatieve ouderdom van de feiten en de omstandigheid dat de verdachte niet eerder een soortgelijk opiumdelict heeft gepleegd en na het onderhavige feit niet meer ter zake van soortgelijke feiten in aanraking is geweest met politie en justitie, afzien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur en - ter voorkoming van herhaling - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.697,64.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor zover de raadsman van de verdachte heeft willen betogen dat de door hem aan de verhuurder betaalde borg en maandelijkse voorschotten à € 150,-- van de totale vordering zouden moeten worden afgetrokken, is dit naar 's hofs oordeel onvoldoende onderbouwd.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 12.697,64 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.697,64 (twaalfduizend zeshonderdzevenennegentig euro en vierenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 12.697,64 (twaalfduizend zeshonderdzevenennegentig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 98 (achtennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. G. Knobbout,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 augustus 2012.