Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4012

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
200.095.044
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie door vrouw te betalen; vastgesteld op ruim € 15.000,- per maand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012

Zaaknummer : 200.095.044/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-3444 & 375577 / F1 RK 11-991

[appellante]

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat mr. J. Broijl te Rotterdam,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats] doch verblijvende in Groot-Brittannië,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: [geintimeerde],

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

[appellante] is op 5 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 juli 2011 van de rechtbank Rotterdam.

[geintimeerde] heeft op 2 december 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

[appellante] heeft op 30 december 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van [appellante]:

- op 6 februari 2012 een faxbericht met bijlage;

van de zijde van [geintimeerde]:

- op 2 februari 2012 een brief van 31 januari 2012 met bijlage.

De zaak is op 17 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- [appellante], bijgestaan door haar advocaat;

- [geintimeerde], bijgestaan door haar advocaat.

Verder is aan de zijde van [geintimeerde] verschenen mevrouw P. Molenaar, tolk in de Engelse taal.

Mr. De Boer heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, ten laste van [geintimeerde] een uitkering tot levensonderhoud toegekend aan [appellante]:

- van € 3.645,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en

- van € 5.518,- per maand met ingang van de datum dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op [dag, maand] 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is de door [geintimeerde] te betalen uitkering tot levensonderhoud voor [appellante] (hierna ook: de partneralimentatie).

2. [appellante] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen genoemd onder grief 1 en grief 2 betreft en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de verplichting van [geintimeerde] tot betaling van de onderhoudsbijdrage zoals in eerste aanleg verzocht, wordt gelijkgesteld aan de behoefte van [appellante], vast te stellen op een bedrag van € 7.900,- netto, zijnde € 15.183,- bruto.

3. [geintimeerde] verzoekt het hof om [appellante] in haar vordering niet te ontvangen althans haar die te ontzeggen (het hof leest: [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen). In incidenteel appel verzoekt [geintimeerde] de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan haar een alimentatieverplichting is opgelegd en, opnieuw beschikkende, de alimentatie te bepalen op nihil, kosten rechtens.

4. [appellante] voert verweer en verzoekt het hof [geintimeerde] in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen. Onder handhaving van haar principale appel verzoekt [appellante] ten aanzien van de proceskosten:

- primair [geintimeerde] te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure aan de zijde van [appellante] gemaakt, te begroten op € 8.244,48, en

- subsidiair [geintimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure door het hof in goede justitie te bepalen.

Tweede grief [appellante]

5. Het hof stelt voorop dat de tweede grief van [appellante] geen bespreking meer behoeft, nu [geintimeerde] erkent dat hetgeen [appellante] in deze grief stelt juist is. Tussen partijen staat nu vast dat de boekhouder van [geintimeerde] niet de vader van [appellante] is maar de boekhouder van de vader van [appellante].

Ingangsdatum

6. Nu partijen geen grief hebben gericht tegen de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als ingangsdatum voor de partneralimentatie, zoals door de rechtbank bepaald, zal het hof van deze datum uitgaan, derhalve van [dag, maand] 2011.

Behoefte

7. [appellante] stelt dat zij een netto behoefte heeft van € 7.900,- per maand, hetgeen volgens haar resulteert in een behoefte van € 15.183,-bruto per maand. Volgens [appellante] komt haar behoefte gebaseerd op de zogenaamde 60%-norm overeen met (en overstijgt zelfs) de behoefte zoals die blijkt uit het door haar overgelegde behoefteoverzicht.

8. In incidenteel appel stelt [geintimeerde] dat moet worden uitgegaan van een netto behoefte van € 3.645,- per maand, waarbij zij uitgaat van de zogenaamde 60%-norm.

9. Door [appellante] is als productie 8 bij haar verweerschrift op het incidentele appel een behoefteoverzicht overgelegd, welk overzicht door haar ook reeds in eerste aanleg in het geding is gebracht. [geintimeerde] heeft dit behoefteoverzicht niet bestreden, ook niet nadat de behoefte ter zitting door het hof expliciet aan de orde is gesteld. Gezien dit behoefteoverzicht en de toelichting die [appellante] heeft gegeven ter zitting alsmede het aanzienlijke inkomen van [geintimeerde] in het verleden waarvan partijen leefden, acht het hof de door [appellante] gestelde behoefte onvoldoende weersproken. Het hof stelt de behoefte derhalve vast op € 15.183,- bruto per maand, zoals door [appellante] verzocht.

Draagkracht

10. Voor de bepaling van de draagkracht van [geintimeerde] moet naar het oordeel van het hof uitgegaan worden van haar inkomen met ingang van [dag, maand] 2011, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

11. Uit de gewisselde stukken volgt dat [geintimeerde] in de vorm van een eenmanszaak een onderneming heeft geëxploiteerd, welke onderneming in 2010 is ingebracht in de besloten vennootschap [naam] B.V.. Uit de jaarrekening 2010 van [naam] B.V. volgt dat [geintimeerde] in dat betreffende jaar een omzet heeft weten te realiseren van € 558.336,-. In casu is sprake van een door één persoon gedreven besloten vennootschap. Veelal wordt voor een dergelijke constructie gekozen ter beperking van belastingen, hetgeen in de onderhavige zaak ook het geval is. Gezien de aard van de besloten vennootschap behoeft daarin geen groot vermogen te worden opgebouwd om de continuïteit te waarborgen. Op basis van de financiële gegevens van [geintimeerde] privé met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 alsmede de financiële gegevens van [naam] B.V. 2010, is het hof van oordeel dat [geintimeerde] in ieder geval in het verleden over een zeer aanzienlijke verdiencapaciteit beschikte.

12. [geintimeerde] stelt weliswaar in haar incidentele appel dat de besloten vennootschap over 2011 geen inkomsten heeft genoten en haar als werknemer ook geen salaris heeft kunnen uitkeren, echter zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Door [geintimeerde] is geen inzicht verstrekt in haar inkomen met betrekking tot het jaar 2011 noch heeft zij inzicht gegeven in haar verdiencapaciteit met betrekking tot het jaar 2012. Het had op de weg van [geintimeerde] gelegen om minimaal in het geding te brengen voorlopige cijfers 2011 met betrekking tot de vennootschap dan wel een verklaring van de accountant waaruit kan worden afgeleid dat de kasstromen met betrekking tot de ondernemingsactiviteiten van [geintimeerde] zijn opgedroogd.

Voorts zijn door [geintimeerde] geen stukken in het geding gebracht waaruit zou kunnen volgen waarom zij niet meer in staat is het inkomen te verwerven dat zij voorheen genoot. Dat de besloten vennootschap geen inkomsten meer heeft omdat de enige opdrachtgever, [naam], niet meer van haar diensten gebruik wilde maken, zoals [geintimeerde] stelt, wordt door [appellante] gemotiveerd betwist en ook uit de overgelegde stukken blijkt van meerdere opdrachtgevers in het verleden voor [geintimeerde]. Ook heeft [geintimeerde] geen stuk in het geding gebracht waaruit kan volgen dat zij, voor zover haar stelling dat zij geen inkomsten meer ontvangt al juist zou blijken te zijn, probeert weer inkomen te verwerven en haar verdiencapaciteit te benutten. Haar stelling ter zitting, dat zij ongeveer tien keren per maand solliciteert en zich heeft aangemeld bij uitzendbureaus op internet, is daartoe onvoldoende. Andere belemmeringen bij het vinden van betaalde werkzaamheden zijn gesteld noch gebleken.

13. Nu [geintimeerde] geen inzicht heeft gegeven in haar financiële positie met betrekking tot haar inkomsten gaat het hof er van uit dat zij nog steeds een zodanige verdiencapaciteit heeft dat zij in staat is de verzochte onderhoudsbijdrage van € 15.183,- bruto per maand te voldoen. Een dergelijke onderhoudsbijdrage is, bezien in het perspectief van een door [geintimeerde] gerealiseerde omzet van € 558.336,- in 2010, binnen de wettelijke maatstaven ondanks de overige door haar opgevoerde lasten, waaronder hypothecaire verplichtingen.

14. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van [appellante] betreffende de uitkering tot levensonderhoud toewijzen.

Proceskosten

15. Het hof ziet geen aanleiding om [geintimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure – noch in de werkelijke kosten noch in de kosten op basis van het liquidatietarief – en zal, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, de kosten compenseren. Het verzoek van [appellante] om [geintimeerde] te veroordelen in de kosten wordt dan ook afgewezen.

16. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor [appellante] ten laste van [geintimeerde] met ingang van [dag, maand] 2011 op € 15.183,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Mink en Ydema, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.