Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3871

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
200.082.291
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA3157, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3157
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep echtscheiding. Pensioenverweer. Kinderalimentatie: Zwitserse recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 14 maart 2012

Zaaknummer : 200.082.291/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-7045

[appellante],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J.M.H. de Werd te ’s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 15 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 november 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 30 maart 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 25 februari 2011 een brief van 24 februari 2011 met bijlagen;

- op 4 november 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 6 december 2011 een brief van 5 december 2011 met bijlagen;

van de zijde van man:

- op 4 november 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 december 2011 een brief van 1 december 2011 met bijlagen;

- op 2 december 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 16 november 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn behandelend advocaat mr. M.S. van Gaalen te Amsterdam.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen zijn door het hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk dan wel mondeling hun mening kenbaar te maken. Het hof heeft in reactie hierop de voornoemde brief van 5 december 2011 ontvangen met als bijlagen schriftelijke uitlatingen/tekeningen van de minderjarigen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van chf 1.292,- netto per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Daarbij is voor recht verklaard dat de Zwiterse indexering op de kinderbijdrage van toepassing is.

Iedere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de verdeling is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: de kinderalimentatie) van de minderjarigen:

- [naam], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats], hierna: [naam],

- [naam], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats], hierna:[naam],

- [naam], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats], hierna: [naam], en

- [naam], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna: [naam],

hierna ook gezamenlijk te noemen de minderjarigen.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en is bepaald dat de man gehouden is om met

chf 1.292,- netto per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- alvorens de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken de man wordt verplicht een voorziening in de zin van artikel 1:153 BW te treffen ten behoeve van de vrouw;

- alle ziektekosten van de minderjarigen, waaronder de verzekeringspremies, eigen bijdragen, eigen risico’s en ongedekte ziektekosten, voor rekening van de man komen;

- alle kosten die verband houden met de (privé) school van de minderjarigen voor rekening van de man komen;

- de man gehouden is om met chf 8.179,76 netto per maand per kind bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

Pensioenverweer

4. De vrouw stelt in verband met haar hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op artikel 1:153 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), met name waar het gaat om het nabestaandenpensioen opgebouwd bij [naam], heeft verworpen, aangezien er tussen partijen geen ‘divorce settlement’ tot stand is gekomen hetgeen volgens de vrouw noodzakelijk is om haar recht op het nabestaandenpensioen te verzekeren. Ten tweede heeft de vrouw aangevoerd dat haar rechten op het nabestaandenpensioen eveneens in gevaar kunnen komen indien de man Zwitserland voor zijn werk verlaat. Ten derde heeft de vrouw gesteld dat de in Nederland uitgesproken echtscheiding door de Zwitserse rechter moet worden bekrachtigd en dat deze rechter eerst dan zal beslissen over het nabestaandenpensioen.

5. De man betwist dat de vrouw geen aanspraak zou hebben op het nabestaandenpensioen indien de Nederlandse rechter de echtscheiding uitspreekt. Of de vrouw recht heeft op het nabestaandenpensioen wordt naar Zwitser recht beoordeeld door de Zwitserse rechter, derhalve is de uitspraak van de Nederlandse rechter met betrekking tot de echtscheiding daarvoor niet relevant. Voorts is de man van mening dat de nabestaandenpensioenuitkering van chf 30.240,- per jaar in geval van overlijden van de man niet in verhouding staat tot het bedrag van tenminste € 11.000.000,- dat de vrouw zal verkrijgen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De vrouw zal dan ook ruimschoots in staat zijn om ouderdomsvoorzieningen dan wel inkomensvoorzieningen te treffen om in haar levensonderhoud en dat van de minderjarigen te voorzien in geval van vooroverlijden van de man.

6. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn [in] 1992 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen. Uit de gewisselde stukken is het hof gebleken dat de man in 2009 een inkomen heeft genoten van chf 5.238.245,- en een bonus van $ 22.442.969,-. In 2010 had hij een inkomen van chf 2.130.356,- en een bonus van $ 15.150.073,-. Voorts volgt uit de stukken dat partijen over een aantal kapitale woningen beschikken. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens omvat de huwelijksgemeenschap een waarde van tientallen miljoenen euro’s. De vrouw kan na de verdeling van de huwelijksgemeenschap over tenminste de helft van dit vermogen beschikken. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is om een levensverzekering af te sluiten als er een risico bestaat dat het nabestaandenpensioen zou komen te vervallen, acht het hof het beroep van de vrouw op het zogenaamde pensioenverweer ongegrond. Immers, nu de vrouw meer dan voldoende eigen middelen heeft om een pensioenvoorziening te treffen is voldaan aan de grond in het tweede lid van artikel 1:153 BW, te weten dat redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen. Aldus komt de vrouw een beroep op dit verweer niet toe. De bestreden beschikking zal voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken worden bekrachtigd.

7. Gelet op het vorenstaande heeft het hof het ter zitting door de vrouw gedane verzoek tot aanhouding van de zaak met betrekking tot het pensioenverweer, teneinde een offerte van de man uit het Frans te laten vertalen en met een pensioendeskundige te bespreken, afgewezen, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

De kinderalimentatie

Behoefte van de kinderen

8. Tussen partijen bestaat verschil van mening omtrent de behoefte van de kinderen.

9. De vrouw is van mening dat de netto behoefte per maand per kind gesteld dient te worden op chf 8.1979,-, hetgeen voor vier kinderen resulteert in een netto maandbedrag van chf 32.719,04, hetgeen resulteert in een jaarbedrag van netto chf 392.628,48 voor de minderjarigen tezamen.

Ter onderbouwing van de behoefte heeft de vrouw als productie 5 bij brief van 4 november 2011 een behoefteberekening overgelegd. In voornoemd bedrag zijn de schoolkosten en de ziektekosten (inclusief eigen bijdragen, eigen risico’s en ongedekte ziektekosten) van de kinderen buiten beschouwing gelaten.

10. De man betwist de door de vrouw geformuleerde behoefte van de minderjarigen gemotiveerd en is van mening dat de vrouw deze behoefte niet deugdelijk heeft onderbouwd. De man acht het realistisch en aanvaardbaar uit te gaan van een bedrag aan consumptieve gezinsuitgaven van € 185.000,- per jaar en 40% van die uitgaven toe te rekenen aan de kinderen, naast de kosten van de privéschool en de ziektekosten. De man is bereid, rekening houdend met de door de vrouw te ontvangen kindertoeslag van chf 12.000,- per jaar, de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie van chf 1.292,- netto per maand per kind te betalen. Daarnaast zal hij de volledige kosten van de privéschool en de ziektekosten van de minderjarigen betalen.

11. Het hof overweegt als volgt. De minderjarigen hebben hun feitelijke verblijfplaats in Zwitserland. Op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974,86, dient de onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen te worden beoordeeld naar Zwitsers recht.

12. Door beide partijen zijn stukken in het geding gebracht met betrekking tot het Zwitserse recht inzake kinderalimentatie. Van de zijde van de vrouw heeft het hof een rapport ontvangen van het Internationaal Juridisch Instituut van 12 mei 2010. Van de zijde van de man heeft het hof een juridisch advies van mr. J. Potter van Loon van 1 maart 2010 ontvangen.

13. Op grond van artikel 276 van het Zivilgesetzbuch zijn beide ouders onderhoudsplichtig. In artikel 285 van het Zivilgesetzbuch is het onderhoudsrecht geregeld ten behoeve van kinderen. Naar Zwitsers recht zijn voor de vaststelling van de hoogte van de alimentatie relevant de behoefte van het kind enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds. Tot de onderhoudskosten behoren de elementaire levensbehoeften zoals levensmiddelen, kleding, onderdak, medische verzorging en de kosten voor opvoeding, onderwijs en kinderbescherming. Daarnaast worden, afhankelijk van de levensstandaard en de draagkracht van de ouders, ook kosten ten behoeve van een goede geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind meegerekend. De behoefte van het kind wordt concreet vastgesteld, waarbij de leeftijd, gezondheid en individuele componenten in aanmerking worden genomen. Aan de hand van de voormelde criteria naar Zwitsers recht zal het hof de behoefte van de kinderen vaststellen.

14. Door de vrouw is in appel als productie 5 een behoefteoverzicht in het geding gebracht, waaruit volgt dat de kosten van de kinderen chf 98.157,11 per jaar per kind bedragen. Uit dit overzicht en de stellingen van de vrouw volgt dat zij een groot aantal kosten opvoert, die niet direct betrekking hebben op de kinderen, waaronder de kosten met betrekking tot een drietal woningen en de auto. De vrouw heeft onder meer gesteld dat partijen in 2009 in [plaats] een huis hebben gekocht voor chf 7.050.000,- te vermeerderen met chf 300.00,- transactiekosten. De totale jaarkosten van deze villa bedragen in de visie van de vrouw chf 252.727,-. Daarnaast heeft de vrouw kosten opgevoerd van het chalet te [plaats] van op jaarbasis chf 12.721,45. Tot slot heeft de vrouw ook de kosten van het derde huis te [plaats], Nederland, voor een bedrag van

chf 25.509,45 opgevoerd. De totale kosten van alleen de woningen die de vrouw opvoert zijn

chf 290.957,90, en van deze kosten rekent zij 4/5 deel als kosten voor de minderjarigen. De kosten van de auto begroot de vrouw op chf 41.498,89 en de gemiddelde kosten van de vakanties heeft de vrouw begroot op chf 60.000,-, en van deze posten rekent zij 4/5 deel respectievelijk 4/6 deel aan de minderjarigen toe.

15. In dit specifieke geval is het hof van oordeel dat, uitgaande van de Zwitserse wetgeving, voor de berekening van de kosten van de kinderen uitgegaan moet worden van wat de kinderen concreet kosten, rekening houdend met de in rechtsoverweging 13 gegeven criteria. Uit deze criteria volgt naar het oordeel van het hof dat met name gekeken wordt naar de directe kosten van de kinderen, zoals voeding, kleding en gezondheid. Het hof zal derhalve geen rekening houden met de kosten van de woningen en de auto, hetgeen het hof niet beschouwt als directe kosten met betrekking tot de kinderen maar als vermogen en investeringen van de ouders. Ook zonder de kinderen zou de vrouw mede bezien haar fortuin de beschikking hebben over tenminste één riante woning, hetgeen eveneens geldt voor de luxueuze auto waarin zij rijdt. Ter zake de vakanties heeft de man de aard en de omvang gemotiveerd bestreden. De vrouw heeft zelf gesteld dat de meeste vakanties werden gehouden in het chalet in Zwitserland. Gezien dit feit gaat het hof er van uit dat de kosten van de kinderen met betrekking tot vakanties zeker binnen aanvaardbare normen zullen blijven.

16. Het hof acht het eveneens niet opportuun om bij de berekening van de kosten van de kinderen rekening te houden met de kosten van de Franse oppas. De vrouw heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat er voor de minderjarigen een oppas wordt aangehouden, nu de vrouw niet werkt en ook niet voornemens is te gaan werken. Indien de vrouw toch een oppas voor de kinderen van partijen wenst, kan zij de kosten van deze oppas uit haar vermogen van vele miljoenen euro’s voldoen. Er is voor haar geen enkele financiële belemmering om uit eigen middelen straks haar leven en dat van de kinderen in te richten zoals zij wenselijk acht.

17. Gezien het feit dat de schoolkosten van chf 110.000,- en de ziektekosten van de kinderen integraal door de man worden betaald, begroot het hof de overige directe kosten van de kinderen - waaronder eten, drinken, kleding, vakanties, sporten, hobby’s en bijlessen - op chf 1.237,- per maand per kind. Met betrekking tot de kinderen zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan over de hoogte van de kosten tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen.

Draagkracht man

18. Nu door de man geen draagkrachtverweer is gevoerd, en het hof op basis van de stukken ook niet de indruk heeft dat de man voornoemd bedrag per maand per kind niet zou kunnen betalen, is het hof van oordeel dat de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen terecht op chf 1.292,- per maand per kind heeft bepaald.

Conclusie

19. Nu de door de vrouw geformuleerde grieven geen doel treffen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Mink en Dusamos, bijge¬staan door

mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2012.