Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3869

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
22-001245-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een aanzienlijk geldbedrag voorhanden gehad waarvan hij wist dat dit door misdrijf was verkregen. Daarnaast heeft de verdachte op de openbare weg een vuurwapen met in de patroonhouder maar liefst dertien patronen voorhanden gehad.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden. Het Hof stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder het toezicht van het Leger des Heils zal moeten stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/194

Uitspraak

Rolnummer: 22-001245-12

Parketnummer: 10-730396-11

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Huis van Bewaring De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden dat de veroordeelde zal deelnemen aan een behandelings-/begeleidingstraject bij Frontline of een soortgelijke instelling. Daarbij is aan de reclassering opdracht gegeven de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Het inbeslaggenomen geldbedrag is verbeurdverklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is aldus - voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 31 oktober 2011 te Rotterdam, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedragen (totaal 177960 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten van voornoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 te Rotterdam een of meer wapens als bedoeld in art.2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk ZASTAVA, model 99, kaliber 9 mm PARA

en/of

munitie in de zin van art.1 onder 4 van de wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet, van Categorie III, te weten 13 kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of 9 mm LUGER en/of 9x19, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 31 oktober 2011 te Rotterdam, geldbedrag van in totaal 177.970 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

3.

hij op 24 augustus 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art.2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk ZASTAVA, model 99, kaliber 9 mm PARA

en

munitie in de zin van art.1 onder 4 van de wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet, van Categorie III, te weten 13 kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of 9 mm LUGER en/of 9x19, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen t.z.v. feit 2

Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - verkort en zakelijk weergegeven, op gronden zoals nader weergegeven in de door haar overgelegde pleitnota - dat het binnentreden in de woning aan de [adres] in Rotterdam, alsmede de daarop volgende doorzoeking en inbeslagneming, onrechtmatig is geweest, nu dit heeft plaatsgevonden slechts op basis van een anonieme melding waarvan de inhoud onvoldoende specifiek, actueel en substantieel was en die niet werd ondersteund dan wel geverifieerd door het resultaat van enig voorbereidend opsporingsonderzoek.

Al het als gevolg daarvan onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden uitgesloten, met als gevolg dat geen bewijsmiddelen overblijven en vrijspraak van de verdachte moet volgen.

Het hof overweegt hieromtrent, op grond van het strafdossier van de verdachte en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, als volgt.

Uit het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van 1 november 2011 opgemaakt door de opsporingsambtenaar Veelers blijkt - verkort en zakelijk weergegeven - dat er op 30 oktober 2011 bij de politie Rotterdam-Rijnmond een anonieme melding is binnengekomen die inhield - zakelijk weergegeven - dat op de [adres 2] te Rotterdam drugs en een wapen zouden liggen en dat op de [adres] te Rotterdam zeer veel geld zou liggen. Uit nader onderzoek door de politie blijkt dat op de [adres 2] te Rotterdam staat ingeschreven een persoon genaamd [verdachte], geboren op [geboortejaar] 1984; de verdachte. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat deze persoon op 24 augustus 2011 is neergeschoten en dat hij tijdens dit incident zelf ook in het bezit was van een vuurwapen. Verder blijkt uit dat onderzoek dat op het adres [adres] te Rotterdam de moeder van de verdachte staat ingeschreven, alsmede dat zij heeft verklaard dat haar zoon [verdachte] op 24 augustus 2011 bij haar in de woning had geslapen. Op basis hiervan wordt aannemelijk geacht dat de verdachte zowel op de [adres 2] als op de op de [adres] te Rotterdam verblijft.

Op grond van vorenstaande informatie heeft de officier van justitie op 31 oktober 2011 mondeling gevorderd dat de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam een doorzoeking zal verrichten op voornoemde adressen. De officier van justitie heeft zijn mondelinge vordering op 2 november 2011 schriftelijk bevestigd. De rechter-commissaris heeft vervolgens op 31 oktober 2011 de mondelinge beslissing gegeven doorzoeking te doen op de adressen [adres 2] te Rotterdam en [adres] te Rotterdam. Op 19 juli 2012 heeft hij deze mondelinge beslissing schriftelijk bevestigd.

In afwachting van de komst van de rechter-commissaris voor die doorzoeking heeft de politie, voorzien van een machtiging tot binnentreden die is afgegeven op grond van onder meer artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering, de woning aan de [adres] te Rotterdam op 31 oktober 2011 om 14:26 uur betreden en de situatie in die woning 'bevroren'. Na de komst van de rechter-commissaris om 14:35 uur is de doorzoeking gestart.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechter-commissaris op grond van de inhoud van de anonieme melding, in combinatie met de uit het nader onderzoek verkregen informatie, in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om op de [adres] te Rotterdam een doorzoeking te laten plaatsvinden. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de binnentreding en doorzoeking heeft plaatsgevonden conform de toepasselijke wettelijke regels. Van enig onrechtmatig handelen is niet gebleken. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Wetenschap van de criminele herkomst van het geld

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het in de woning aan de [adres] aangetroffen geldbedrag door misdrijf is verkregen dan wel van een misdrijf afkomstig is, nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het geld in bewaring heeft genomen op verzoek van een aannemer werkzaam in de bouw, genaamd [naam], van wie hij geen achternaam of andere contactgegevens heeft. Hij deed dit als gunst voor [naam], die hij nog kent uit de tijd dat ze in dezelfde garage werkten. [naam] vertelde hem dat hij naar Marokko ging.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [naam] een Turkse aannemer is en dat hij in het verleden auto's voor hem heeft gerepareerd.

Het hof acht de verklaringen van de verdachte ter zake volstrekt onaannemelijk.

De verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst met dit verhaal gekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep wordt het verhaal gewijzigd in die zin dat [naam] nu niet een voormalige collega is, maar een Turkse aannemer wiens auto's door de verdachte zijn gerepareerd. De verdachte wil geen enkele nadere informatie geven over "[naam]" en het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van zijn verhaal. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat [naam] - ruim een half jaar nadat het geldbedrag onder de verdachte in beslag is genomen - geen contact met hem heeft opgenomen over de teruggave ervan. Dat hij niet over contactgegevens beschikt van een persoon die een dermate groot geldbedrag als waar het hier om gaat bij hem in bewaring heeft gegeven, acht het hof ongeloofwaardig. Het hof acht het evenmin geloofwaardig dat de persoon van wie de verdachte het geld in bewaring zou hebben gekregen zich nog steeds niet zou hebben gemeld voor teruggave.

Dat de verdachte het geldbedrag met zijn werkzaamheden als automonteur zelf bij elkaar heeft verdiend acht het hof onaannemelijk, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij met zijn verdiensten de maand wel kon doorkomen, maar dat hij daar niet van kon sparen.

Het hof neemt ten slotte in aanmerking dat de verdachte antecedenten heeft ter zake van artikel 2 van de Opiumwet en het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in harddrugs grote geldbedragen gemoeid zijn.

Het voorgaande leidt het hof, in samenhang met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, tot de conclusie dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad, te weten € 177.970,- (bestaande uit verschillende - gelet op het totaalbedrag - kleine coupures), - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig(e) misdrijf/misdrijven en dat de verdachte dit wist. Het verweer wordt verworpen.

Verweer met betrekking tot feit 3

De raadsvrouw heeft betoogd dat nu de verdachte het vuurwapen slechts een zeer korte tijd onder zich heeft gehad, dit enkel onder zich hebben geen "voorhanden hebben" oplevert in de zin van de Wet wapens en munitie.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij het vuurwapen voor de veiligheid bij de moskee heeft afgepakt van een persoon die hij kent als ADHD. Vervolgens is hij samen met deze persoon naar het huis van ene [naam 2] gegaan. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het wapen heeft afgepakt van een vriend die hij ADHD noemt, omdat hij bang was dat die vriend er anders mee zou schieten. Voorts heeft hij toen verklaard dat hij er niet aan heeft gedacht om het vuurwapen naar de politie te brengen. Hij wilde het later teruggeven aan ADHD wanneer deze wat was bedaard.

Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat de verdachte een zodanige macht over het vuurwapen en de daarin aanwezige munitie had dat van "voorhanden hebben" in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie kan worden gesproken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarde van - kort gezegd -reclasseringscontact.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een aanzienlijk geldbedrag voorhanden gehad waarvan hij wist dat dit door misdrijf was verkregen. Dit vormt een onaanvaardbare bedreiging voor de legale economie en voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Daarnaast heeft de verdachte op de openbare weg een vuurwapen met in de patroonhouder maar liefst dertien patronen voorhanden gehad. Gezien de gevaarsaspecten van onbevoegd wapenbezit dient hiertegen streng te opgetreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder ter zake van overtreding van (artikel 2 van) de Opiumwet. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts in het bijzonder in aanmerking genomen het door de afdeling Jeugdzorg en Reclassering van het Leger des Heils te Rotterdam over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport d.d. 6 februari 2012. In dit rapport wordt geadviseerd om aan de verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact, in te vullen overeenkomstig het in het rapport opgenomen plan van aanpak, dat onder meer deelname door de verdachte aan het project 'Frontline' inhoudt. Bij de reclassering heeft de verdachte aangegeven te willen meewerken aan een proeftijd met bijzondere voorwaarden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en onder de na te melden bijzondere voorwaarde een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag zal worden verbeurdverklaard.

Naar het oordeel van het hof is het inbeslaggenomen geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het onder 2 bewezenverklaarde met betrekking tot dit geldbedrag is begaan en het hof van oordeel is dat het hem toebehoorde. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg & Reclassering, te Rotterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook als dit inhoudt dat de verdachte zal deelnemen aan een behandelings-/begeleidingstraject bij Frontline of een soortgelijke instelling, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van laatstgenoemde voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 177.970.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. J.A.C. Bartels en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 augustus 2012.