Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3848

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
22-005967-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een tankstation.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen.

En stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005967-10

Parketnummers: 11-860037-10 en 11-500305-08 (tul)

Datum uitspraak: 13 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 18 november 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 maart 2012 en 29 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede omtrent de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf en maatregel bij vonnis van 6 januari 2009, onder parketnummer 11-500305-08, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2010 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [benadeelde partij] (die op die dag werkzaam was als cassière bij het BP tankstation, aan de Munnikensteeg) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van 100,- à 150,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (het) BP (tankstation aan de Munnikensteeg), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

- verdachte en/of zijn mededader(s) een (alarm)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan mevrouw [benadeelde partij] heeft/hebben getoond;

- verdachte en/of zijn mededader(s) een (alarm)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op mevrouw [benadeelde partij] voornoemd heeft/hebben gericht en/of op mevrouw [benadeelde partij] voornoemd gericht heeft/hebben gehouden;

- verdachte en/of zijn mededader(s) mevrouw [benadeelde partij] voornoemd (dreigend) de woorden: "Geld, geld, twee seconden en ik schiet je kop eraf." en/of "Geld, geld schiet op, schiet op, alleen papiergeld.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft/hebben toegevoegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 januari 2010 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld mevrouw [benadeelde partij] (die op die dag werkzaam was als cassière bij het BP tankstation, aan de Munnikensteeg) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan het BP (tankstation aan de Munnikensteeg, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat:

- verdachte een alarmpistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan mevrouw [benadeelde partij] heeft getoond;

- verdachte een alarmpistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op mevrouw [benadeelde partij] voornoemd heeft gericht en op mevrouw [benadeelde partij] voornoemd gericht heeft gehouden;

- verdachte mevrouw [benadeelde partij] voornoemd de woorden: "Geld, geld, twee seconden en ik schiet je kop eraf." en "Geld, geld, schiet op, schiet op, alleen papiergeld.", heeft toegevoegd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - overeenkomstig zijn pleitnota en hier in de kern weergegeven - het verweer gevoerd dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de personen die bij het BP tankstation wegrenden enige tijd uit het zicht zijn verloren, en derhalve uit het relaas van deze twee getuigen, die hun waarnemingen verrichtten in het donker met beperkt zicht, niet kan volgen dat de verdachte één van de twee personen is geweest die de overval op het tankstation hebben gepleegd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte ter plaatse aan het joggen was en toen twee jongens, van wie één de jas van zijn broer droeg, op een scooter tegenkwam aan welke jongens hij zijn handschoenen heeft uitgeleend. De verdachte is op de jongens gaan wachten. De jongens zijn vervolgens rennend met de scooter teruggekomen, terwijl zij hun kleren uittrokken, zijn zij verder gevlucht waarna verdachte is aangehouden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aangeefster [benadeelde partij] heeft op 17 januari 2010 bij de politie verklaard dat zij, toen zij werkzaam was als caissiere van het tankstation BP aan de Munnikensteeg te Zwijdrecht, door twee jongens werd gedwongen tot afgifte van geld. Met betrekking tot het signalement van de jongens heeft aangeefster verklaard dat dader 1 een man was van ongeveer 1.75 à 1.80 meter groot. Dader 2 was kleiner dan dader 1 en had een zwart rugzakje bij zich met rode letters. Zij heeft geld in een plastic tasje van de BP gestopt en aan de dader afgegeven (dossierparagraaf A.1.2).

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] heeft de verdachte een lengte van 1.86 m. lang (dossierparagraaf A.1.12).

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] heeft deze verbalisant de camerabeelden van de overval uitgekeken. De verbalisant ziet op de beelden dat een overvaller witte handschoenen en een donkere lange trainingsbroek met witte verticale strepen droeg. De tweede overvaller draagt een donkere jas/bodywarmer. Het verschil in lengte van beide verdachten is op de camerabeelden duidelijk waar te nemen (dossierparagraaf A.1.10).

Blijkens de verklaring van de getuige [getuige 1], op 17 januari 2010 afgelegd bij de politie, zag hij in de winkel bij het tankstation BP aan de Munnikensteeg in Zwijdrecht twee jongens in donkere kleding in grote haast weglopen/rennen. Ze hadden echt haast. De jongens liepen rechtsaf om het gebouw heen. De vriendin van de getuige, [getuige 2], heeft vervolgens het alarmnummer gebeld. De getuige heeft de telefoon van zijn vriendin overgenomen en is daarom de jongens even uit het oog verloren, maar korte tijd later zag hij dat deze twee jongens, of in ieder geval twee jongens die aan hetzelfde signalement voldeden, over het spoorviaduct heen renden met een scooter. De jongens waren echt hard aan het lopen en de getuige weet gevoelsmatig zeker dat dit de twee jongens waren die uit het BP station zijn komen rennen. De getuige zag de twee jongens de Bakesteinsezoom oprennen. De getuige is ook de Bakesteinsezoom opgereden. De getuige heeft de scooter steeds in het zicht gehad. Bij de rotonde is de getuige stil blijven staan. Hij zag dat de jongens het fietspad opreden dat langs het viaduct loopt. De getuige heeft vervolgens middels zijn alarmlichten de politie in de richting van het fietspad verwezen. Met betrekking tot het signalement van de twee jongens heeft de getuige verklaard dat ze allebei ongeveer 17 jaar oud waren. Een van de twee jongens had een joggingbroek aan met een witte bies. Deze broek met bies was de getuige al opgevallen toen ze uit de BP kwamen rennen. De getuige zag dat deze broek ook door een van de jongens die hij later de scooter zag duwen werd gedragen (dossierparagraaf G.1.1).

Blijkens de verklaring van de getuige [getuige 2], op 22 januari 2010 afgelegd bij de politie, zag zij twee personen het BP tankstation uitrennen, waarvan de een beduidend groter was dan de ander. Zij heeft het alarmnummer gebeld en is toen de jongens even uit het zicht verloren. Vervolgens zag zij naast de hoofdrijbaan twee personen met een scooter aan de hand lopen. Een van de twee personen was beduidend groter dan de ander. Gevoelsmatig wist zij direct dat dit dezelfde twee personen waren als de twee personen die zij kort daarvoor het BP tankstation had zien uitrennen. De getuige zag dat de twee jongens constant aan het rennen waren alsof ze voor iets op de vlucht waren. De getuige reed op dat moment ongeveer 50 meter achter de jongens aan.(dossierparagraaf G.5.1).

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten[verbalisanten] kregen deze verbalisanten de melding dat twee jongens met een vuurwapen in de BP gedreigd hadden. Voorts hoorden de verbalisanten dat de melder van het feit op de rotonde stond aan de Langeweg te Zwijndrecht. De verbalisanten zagen de personenauto op de rotonde en de vrouw in de auto riep naar de verbalisanten dat ze 'daar' moesten zijn omdat 'ze' daar zouden lopen met een scooter, en wees in de richting van de Bakesteinsezoom. Via de meldkamer hoorden de verbalisanten vervolgens dat een vermoedelijke dader een trainingspak met een witte streep aan de zijkant droeg. Na ongeveer 300 meter vanaf het moment dat de verbalisanten de Bakesteijnsezoom zijn opgereden zagen zij een man lopen in een donker trainingspak met witte streepjes op de zijkant. De persoon, zijnde de verdachte, is aangehouden (dossierparagraaf A.1.3).

Voorts is blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] nabij de trap, welke loopt vanaf de Bakesteinsezoom naar de Langeweg, een scooter aangetroffen. In de ruimte onder het zadel van de scooter werden onder meer een jas en een vuurwapen aangetroffen. In de zak van de jas werd een paspoort aangetroffen ten name van [naam]. De omgeving rond de vindplaats van de scooter is met behulp van een warmtebeeldcamera van de helikopter van de KLPD gescand. Hierbij werden geen verdachte personen meer waargenomen (dossierparagraaf A.1.4).

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] stond de aangetroffen scooter op naam van [medeverdachte] (dossierparagraaf A.1.6).

Verdachtes medeverdachte [medeverdachte] heeft als op 25 januari 2010 bij de politie verklaard dat hij de gebruiker is van de scooter en dat hij de scooter op 17 januari 2010 heeft uitgeleend aan de verdachte (dossierparagraaf V.2.1).

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] werden in de buurt van de plaats waar verdachte is aangehouden, de volgende goederen aangetroffen: twee binnenstebuiten gekeerde witte handschoenen, een binnenstebuiten gekeerde donkerblauwe trainingsbroek met drie witte biezen en een binnenstebuiten gekeerde sweater. Voorts werd een zwart tasje met rode letters, alsmede een wit met groene plastic tas met daarin een geldbedrag (dossierparagraaf A.1.9).

Blijkens het rapport DNA onderzoek van het NFI van 1 april 2010 is het DNA hoofdprofiel van de man wiens celmateriaal prominent in de bemonstering van de in beslaggenomen witte handschoen aanwezig is, opgenomen in de DNA databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA profiel van de verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen man een DNA profiel heeft dat matcht met het DNA van het celmateriaal in de handschoen is kleiner dan één op één miljard.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte één van de personen is geweest die de overval bij het tankstation BP aan de Munnikensteeg te Zwijndrecht heeft gepleegd. Hoewel de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de verdachten even uit het oog zijn verloren acht het hof het aannemelijk dat beide getuigen het goed gezien hebben dat de personen die zij met de scooter zagen rennen, dezelfde personen waren als de twee personen die zij uit het tankstation BP zagen komen. Het hof acht het daartoe redengevend dat beide getuigen hebben verklaard dat de twee jongens met de scooter aan het signalement voldeden van de jongens die uit de BP zijn gekomen. De getuige [getuige 2] is op beide momenten met name het verschil in lengte tussen de twee jongens is opgevallen, hetgeen ook volgt uit de camerabeelden. De getuige [getuige 1] is op beide momenten met name de witte bies op de broek van een van de jongens opgevallen. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent het zicht in de avond van 17 januari 2010, doet hier niet aan af.

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het houden van een schouw ter plaatse van de aanhouding van de verdachte acht het hof gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Voorts acht het hof het alternatieve scenario van de gebeurtenissen dat door de verdachte en zijn raadsman is geschetst, niet aannemelijk. Het hof heeft daartoe met name acht geslagen op het volgende.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de lange overvaller tijdens de overval witte handschoenen - zonder afgeknipte vingers - droeg, gelijk aan de handschoenen welke in de nabijheid van de plaats van aanhouding van de verdachte zijn aangetroffen. In de in beslaggenomen handschoenen is een DNA hoofdprofiel aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte. De inbeslaggenomen handschoenen, waarin het DNA van de verdachte is aangetroffen, zijn ter terechtzitting in hoger beroep getoond en deze hadden geen afgeknipte vingers. De verklaring van de verdachte dat hij handschoenen met afgeknipte vingers had gedragen en heeft uitgeleend aan de bestuurder van de scooter acht het hof niet geloofwaardig. De stelling wordt niet nader onderbouwd en er zijn ook geen handschoenen met daadwerkelijk afgeknipte vingers aangetroffen; wel zijn foto's in het dossier gevoegd van handschoenen waarvan de vingers afgeknipt lijken te zijn, doordat de handschoenen binnenstebuiten zijn gekeerd. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat zijn DNA is aangetroffen op de inbeslaggenomen handschoenen zonder afgeknipte vingers. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet aannemelijk dat andere personen dan de verdachte de witte handschoenen heeft/hebben gedragen.

Voorts is het ongeloofwaardig dat op een avond in januari verdachte de scooter met daarin de jas met het paspoort van diens broer en zijn telefoon zou uitlenen aan twee jongens.

Het hof verwerpt het verweer.

Tot slot heeft de raadsman - overeenkomstig zijn pleitnota van de zitting in eerste aanleg - het verweer gevoerd dat de verklaring van [medeverdachte] kennelijk leugenachtig is. Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 17 januari 2010 de scooter heeft uitgeleend aan de verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door een sms die [medeverdachte] op 18 januari 2010 aan de verdachte heeft gestuurd en waarin hij de verdachte vraagt waar hij is en dat hij zijn scooter wil hebben. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman wordt aangevoerd voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring.

Het hof is van oordeel dat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een van de personen is geweest die de overval op het tankstation BP heeft gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een tankstation. Door aldus te handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer hevige gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Geconfronteerd worden met gewapende mannen is naar algemeen bekend is een zeer traumatische ervaring. De slachtoffers kunnen hier nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met een ander - uit eigenbelang en pure geldzucht - het slachtoffer zo ernstig heeft bedreigd. Het plegen van een dergelijk feit getuigt van een groot gebrek aan respect voor anderen en hun eigendommen. Bovendien brengen dergelijke delicten gevoelens van onveiligheid teweeg in de maatschappij.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 juni 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak heeft niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier eerst op 17 november 2011 bij het hof is binnengekomen, hetgeen niet binnen de termijn van zes maanden na het instellen van het hoger beroep op 23 november 2010 is geweest. Gelet op deze (geringe) overschrijding zal het hof een groter deel van de straf voorwaardelijk opleggen dan eigenlijk gepast en geboden wordt geacht, waardoor het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf met 6 (zes) dagen wordt beperkt, zodat in plaats van de overwogen 12 (twaalf) maanden jeugddetentie voorwaardelijk een groter deel van de voorwaardelijk op te leggen straf, te weten 366 (driehonderdzesenzestig) dagen jeugddetentie voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Het hof is - alles overwegende en gelet op navolgende beslissing met betrekking tot de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf en maatregel - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij]-zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.777,24, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.777,24.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 2.177,24, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.177,24 aan materiële en immateriële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige (betreffende de post 'toekomstige noodzakelijke kosten analytische therapie' ter hoogte van het bedrag van € 600,-) levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De voorgaande beslissing over de toewijzing van de vordering brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.177,24 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer te Dordrecht van 6 januari 2009 onder parketnummer 11-500305-08 is de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 148 dagen, en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaren aan hem opgelegd, met het bevel dat die jeugddetentie en die maatregel niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf en maatregel is derhalve gegrond.

Het hof heeft bij de beoordeling van de vordering acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 juni 2012, inhoudende onder meer het volgende.

Uit het onderzoek blijkt dat betrokkene goed lijkt te functioneren op al zijn leefgebieden. Hij heeft goed contact met zijn familie. Ook lijken er geen zorgen meer te zijn over zijn vrijetijdsbesteding. Betrokkene is afgelopen periode naar school gegaan. Onlangs is hij van school veranderd maar dit lijkt een weloverwogen keuze te zijn. Daarnaast besteedt hij veel vrije tijd aan sport en zijn vriendin in Arnhem. Met de vrienden met wie hij in het verleden contact heeft hij nu geen contact meer. Tevens valt het op dat betrokkene aangeeft dat hij veel heeft geleerd tijdens zijn detentieperiode. Tijdens zijn detentieperiode heeft hij deelgenomen aan een aantal behandelingen en trainingen waarvoor hij certificaten heeft behaald. Het lijkt alsof die het gewenste effect hebben opgeleverd. Betrokkene is niet meer gerecidiveerd. Verdachte heeft geen hulpvraag waardoor een behandeling weinig zinvol is.

Het inzetten van de PIJ maatregel is op dit moment volgens de Raad voor de Kinderbescherming niet meer reëel. De certificaten die hij tijdens zijn detentieperiode heeft behaald zouden voor een deel ook onderdeel zijn van de PIJ behandeling dan wel een behandeling binnen een GBM (Gedrags Beïnvloedende Maatregel). Daarnaast is hij nu reeds een jaar weer vrij. Het opnieuw in detentie plaatsen van de betrokkene in het kader van een PIJ maatregel, lijkt dan, doordat deze maatregel in een laat stadium wordt ingezet en er al enige vorm van behandeling is geweest, niet meer bij te dragen aan de gewenste gedragsverandering. Het gevaar is dan groot dat betrokkene zich verhardt en de aansluiting met de maatschappij, die hij net lijkt te hebben teruggevonden, mist.

Voorts is de Raad evenals Bureau Jeugdzorg van mening dat een straf middels een GBM niet wenselijk is. Betrokkene heeft geen hulpvraag waardoor de interventies niet gericht ingezet kunnen worden.

Gelet op voorgaand rapport en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat het tenuitvoerleggen van de PIJ maatregel niet in het belang is van de verdachte. Het hof zal de vordering in zoverre afwijzen.

Het hof zal in plaats van het tenuitvoerleggen van de niet-tenuitvoergelegde jeugddetentie evenwel een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77dd, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 366 (driehonderdzesenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]-

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.177,24 (tweeduizend honderdzevenenzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 487,24 (vierhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.690,- (duizend zeshonderdnegentig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 2.177,24 (tweeduizend honderdzevenenzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 487,24 (vierhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.690,- (duizend zeshonderdnegentig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Dordrecht van 6 januari 2009, parketnummer 11-500305-08, te weten een jeugddetentie voor de duur van 148 dagen met een proeftijd van 2 jaar, te vervangen door: een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Dordrecht van 6 januari 2009, parketnummer 11-500305-08.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. A.L.J. van Strien en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2012.