Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3841

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
22-005591-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:713, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer driemaal met keukenmesjes in diens lichaam te steken.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 131 (honderdeenendertig) dagen. Tevens veroordeelt het Hof de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2012, afl. 5, p. 211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005591-11

Parketnummer: 09-920291-10

Datum uitspraak: 24 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te '[geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij] van het leven te beroven, opzettelijk (met kracht) met twee (aardappelschil)messen, althans een (aardappelschil)mes, althans een of twee scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt,

- in het bovenbeen en/of

- de onderarm en/of

- het gezicht althans het lichaam van die [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te 's-Gravenhage aan een persoon, genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (grote snijwond in het bovenbeen), door deze opzettelijk een of meermalen met twee (aardappelschil)messen, althans met één (aardappelschil)mes, althans met een of twee scherp(e) en/of puntig(e) voorwerpen in het bovenbeen van die [benadeelde partij] te snijden en of te steken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met twee (aardappelschil)messen, althans met één (aardappelschil)mes, althans met één of twee scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt,

- in het bovenbeen en/of

- de onderarm en/of

- het gezicht althans het lichaam van die [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij]), heeft gestoken met twee (aardappelschil)messen, althans met één (aardappelschil)mes, althans met één of twee scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het bovenbeen en/of onderarm en/of het gezicht, althans het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Salduz-verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities en onder verwijzing naar de zogenaamde Salduz-jurisprudentie- betoogd dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschonden nu de verdachte tijdens zijn verhoor niet is bijgestaan door een advocaat dan wel een vertrouwens- persoon.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en van de Hoge Raad der Nederlanden (te weten het zogenaamde Salduz-arrest van 27 november 2008 respectievelijk het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009) heeft een aangehouden jeugdige verdachte recht op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. Behoudens het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van bepaalde dwingende redenen, zal hem, de verdachte, binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dit recht te verwezenlijken.

Uit de onderliggende processtukken is gebleken dat de destijds zeventienjarige verdachte, na zijn aanhouding op 16 juli 2010, op 17 juli 2010 om 09:05 uur tegenover de politie heeft verklaard dat hij gebruik wenst te maken van verhoorbijstand door een vertrouwenspersoon, te weten zijn floormanager. De politie heeft de verdachte hierop mede gedeeld dat nog bezien moet worden of de door hem gekozen vertrouwenspersoon als getuige betrokken is in de onderhavige zaak, en dat de verdachte in dat geval een andere vertrouwenspersoon moet kiezen.

Op 17 juli 2010 om 16:00 uur en op 18 juli 2010 om 19:58 uur heeft de verdachte vervolgens tegenover de politie een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij het hem ten laste gelegde zonder dat hij daarbij bijstand van een raadsman/-vrouw of een vertrouwenspersoon heeft gehad.

Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat is gehandeld in strijd met de eisen die voortvloeien uit de rechtspraak van het EHRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad en dus sprake is van schending van artikel 6 EVRM. Dit levert een vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal de eerdergenoemde verklaringen van de verdachte van het bewijs uitsluiten.

Vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 juli 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met twee (aardappelschil)messen, heeft gestoken,

- in het bovenbeen en

- de onderarm en

- het gezicht van die [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities- bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem meer subsidiair ten laste gelegde nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring daarvan.

De raadsvrouw heeft hiertoe, zakelijke weergegeven, aangevoerd dat:

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 21 oktober 2010 uitgesloten dient te worden van het bewijs nu contaminatie niet kan worden uitgesloten en de sluit- en identiteitszegels waarmee het materiaal naar het NFI is verzonden niet in het onderhavige dossier zijn terug te vinden;

- uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken. In het NFI-rapport staat dat uit de DNA-bemonsteringen van de heften van de messen blijkt dat er DNA-kenmerken van minimaal drie personen op aanwezig zijn, alsmede zwak aanwezige kenmerken van minimaal twee andere personen. Aan het NFI zijn slechts de DNA-profielen van de verdachte en de aangever ter beschikking gesteld;

- mocht het hof bewezen verklaren dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken, er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feitelijke toedracht

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

Op 16 juli 2010 is de verdachte aan het werk in de supermarkt Jumbo, gelegen op de hoek van de Van Bergenstraat en de Westduinweg te 's-Gravenhage. Omstreeks 18:30 uur wordt de verdachte aangesproken door een aantal jongens, onder wie de aangever. De aangever zegt tegen de verdachte dat hij zijn vriendin met rust moet laten en er ontstaat een woordenwisseling.

De verdachte heeft hierop tegen het latere slachtoffer gezegd: "Als je het wilt uitpraten moet je om 22:00 uur terugkomen".

Na sluitingstijd van de supermarkt, rond 21:00 uur, komen er twee mannen de supermarkt binnen die aangeven op zoek te zijn naar de verdachte. De mannen wordt verteld dat de verdachte er niet is en zij gaan weer weg. Als de verdachte omstreeks 22.00 uur de zij-uitgang van de Jumbo verlaat ziet hij een aantal jongens op de Westduinweg bij het BP tankstation staan. Hij is samen met [naam 1] en [naam 2] (achternaam onbekend). De verdachte loopt met zijn vrienden in de richting van de groep jongens en er ontstaat een duw- en trekpartij tussen enerzijds de verdachte en zijn vrienden en anderzijds de aangever en zijn vrienden, gevolgd door klappen en schoppen. De groep vechtende jongens verplaatst zich naar de rijbaan van de Westduinweg en de verdachte en zijn beide vrienden gaan terug in de richting van de zij-uitgang van de Jumbo gevolgd door de aangever en een aantal van zijn vrienden, waarna de verdachte en zijn beide vrienden de Jumbo in rennen.

In de Jumbo pakt de verdachte een brandblusser uit de kantine en probeert hiermee naar buiten te lopen. Zijn teamleider pakt deze af en zegt hem dat hij binnen moet blijven. De verdachte gaat weer naar buiten. De aangever komt op de verdachte af en er ontstaat een handgemeen waarna de verdachte wederom de Jumbo binnengaat. De aangever blijft achter en blijkt driemaal met een mes te zijn gestoken.

Ten aanzien van het NFI-rapport

De politie was dadelijk na het incident ter plaatse.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van het Bureau Forensische Opsporing politie Haaglanden blijkt dat op het trottoir voor de zij-ingang van de Jumbo twee keukenmesjes zijn aangetroffen. Beide keukenmesjes waren bebloed, één van de mesjes had een wit heft en het ander een zwart heft. Beide mesjes zijn separaat, middels plastic messenkokers met schroefsluiting, veiliggesteld. Het witte keukenmesje krijgt het Spoor Identificatienummer (SIN-nummer) AACI6232NL en het mesje met het zwarte heft het SIN-nummer AACI6233NL. Van de verdachte en van het slachtoffer is DNA afgenomen middels wangslijm. Beide mesjes en beide wangslijmsets zijn op 7 september 2010 voor een DNA-onderzoek aangeboden bij het NFI.

Uit de processen-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming, beide gedateerd 4 februari 2011, blijkt dat het mesje met het witte heft op 16 juli 2010 om 23:00 uur en het mesje met het zwarte heft op 17 juli 2010 om 00:20 uur is veiliggesteld en inbeslaggenomen.

Uit het rapport van het NFI blijkt dat de verpakkingen van de mesjes met de SIN-nummers AACI6232NL en AACI6233NL niet waren voorzien van een NFI-sluitzegel en derhalve niet voldeden aan de intakecriteria van het NFI. Middels een e-mailbericht van de officier van justitie is verzocht toch het DNA-onderzoek uit te voeren. Uit het DNA-onderzoek is vervolgens naar voren gekomen dat het bloed dat op de beide lemmets is aangetroffen van het slachtoffer is en dat op beide heften een afgeleid DNA-hoofdprofiel is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de afgeleide DNA-kenmerken is kleiner dan één op één miljard.

Het hof stelt voorop dat nu de kokers waarin de mesjes zijn veiliggesteld geen NFI-sluitzegel droegen de mesjes niet conform de geldende regels van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken in beslag zijn genomen. Artikel 5 van voornoemd besluit luidt - voor zover van belang - immers: "1. De opsporingsambtenaar voorziet de verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs celmateriaal aanwezig is, (...), van een identiteitszegel zodra het voorwerp in beslag is genomen dan wel zo spoedig mogelijk daarna. 2. (...) 3. De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat het voorwerp of celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, na een opdracht van de officier van justitie (...) tot het daaraan verrichten van DNA-onderzoek, zo spoedig mogelijk in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels bij het instituut wordt bezorgd."

Niet-naleving van voormelde regels levert een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering op. Met inachtneming van de rechtspraak van de Hoge Raad op voormeld wetsartikel (het arrest van 21 november 2006, LJN: AY7363 en het arrest van 5 juli 2011, LJN: BQ0839) is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval het verzuim niet leidt tot bewijsuitsluiting van het rapport van het NFI d.d. 21 oktober 2010. Het hof overweegt daartoe dat het geschonden voorschrift uit het Besluit DNA-onderzoek ertoe strekt te voorkomen dat onzekerheid rijst omtrent de identiteit van het onderzochte celmateriaal. Naar het oordeel van het hof blijkt op grond van de genoemde gang van zaken, met name het feit dat beide messen separaat van elkaar en op verschillende tijdstippen zijn veiliggesteld (ieder afzonderlijk in een messenkoker met schroefsluiting), dat er geen sprake is van een kans op contaminatie van het onderzoeksmateriaal en evenmin onzekerheid omtrent de identiteit van het onderzochte celmateriaal. Naar het oordeel van het hof leidt de enkele omstandigheid dat de sluitzegels die betrekking hebben op de verzending van DNA-materiaal naar het NFI ontbreken - anders dan door de verdediging is aangevoerd - er niet toe dat het door het NFI opgemaakte onderzoeksrapport onbruikbaar is voor het bewijs.

Ten aanzien van het steken en het voorwaardelijk opzet

De aangever heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de verdachte de Jumbo uit zag komen met een wit aardappelschilmesje in zijn hand.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij op 16 juli 2010 een keukenmesje in zijn achterbroekzak had zitten. Hij heeft voorts verklaard dat het op het trottoir voor de zij-uitgang van de Jumbo aangetroffen mesje met het witte heft waarschijnlijk van hem was en dat hij het witte mesje die dag had gekregen voor zijn werkzaamheden in de Jumbo.

Gelet op de hierboven genoemde onderzoeksresultaten van het NFI rapport d.d. 21 oktober 2010, de genoemde feiten en omstandigheden en de verklaringen van de aangever en de verdachte, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die de aangever driemaal met een mes heeft gestoken. Dat naast het DNA-profiel van de verdachte tevens DNA-kenmerken van tenminste vier andere personen op de heften van de messen zijn aangetroffen, kan worden verklaard door het feit dat deze messen bij de Jumbo steeds worden uitgedeeld aan werknemers die een mes voor hun werkzaamheden van die dag nodig hebben en kennelijk steeds weer worden ingenomen aan het eind van de werktijd. De verdachte heeft immers ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: "Normaal blijven de mesjes in de winkel".

De aangever heeft als gevolg van de messteken, blijkens de geneeskundige verklaring (pagina 92 van het dossier), een snijwond op zijn linker bovenbeen van 15 centimeter doorsnede tot op de spier en een kleine snijwond aan zijn linker onderarm en aan zijn rechter mondhoek overgehouden.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals in casu het zware lichamelijk letsel - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Naar 's hofs oordeel leert de algemene ervaring dat indien iemand een ander meermalen met een mes steekt, waaronder in het gezicht en in de richting van de lies, de kans aanmerkelijk is te achten dat die gedragingen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben. Gezien de aard van de gedragingen van de verdachte en gezien de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, kunnen deze gedragingen worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijke gevolg - zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer - dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities- bepleit dat de verdachte ten aanzien van het hem meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan hem een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, dan wel psychische overmacht toekomt.

Voor wat betreft de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotities is verwoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van het beroep op noodweer

Het hof gaat uit van de reeds hierboven genoemde feiten en omstandigheden en onderscheidt twee confrontaties; de eerste confrontatie vindt plaats wanneer de verdachte de Jumbo de eerste maal verlaat en samen met zijn twee vrienden in de richting van de groep jongens, onder wie de aangever zich bevindt, loopt. De verdachte onttrekt zich aan deze confrontatie door de Jumbo weer binnen te gaan. Aangever is tot op dat moment niet gewond.

Kort hierna komt de verdachte weer naar buiten en ontstaat de tweede confrontatie; de verdachte en aangever treffen elkaar en de aangever wordt door de verdachte driemaal met een mes verwond.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ten aanzien van de tweede confrontatie verklaard dat toen hij de Jumbo voor de tweede maal verliet hij de aangever niet direct zag en dat hij pas op het laatste moment uit zijn ooghoek de aangever op hem af zag komen. De aangever heeft hem toen bij zijn armen vastgegrepen, waarna er door hen beiden is geduwd en getrokken.

Ook de aangever heeft tegenover de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte hem in eerste instantie niet zag toen deze de Jumbo uit kwam. De aangever is op de verdachte afgerend -naar zijn zeggen- om hem te ontwapenen. Op het laatste moment draaide de verdachte zich om en bemerkte hij de aangever.

Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat de gedraging van de aangever tijdens de tweede confrontatie kan worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

De vraag is echter of de verdachte zich in deze noodweersituatie heeft mogen verweren door de aangever driemaal met messen te verwonden. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel in de gegeven omstandigheden disproportioneel was. Tot op dat moment was het een treffen met "blote handen"; er was immers slechts sprake geweest van een duw- en trekpartij gevolgd door trappen. Verdachte verklaart daarover tegenover de politie (proces-verbaal pagina 80): "Er zijn geen vuisten gevallen. Ik heb wel een aantal duwen en trappen gehad." In die situatie acht het hof het steken met messen een disproportionele manier om zich te verdedigen. Dat de aangever met een vlindermes naar hem stak, zoals de verdachte heeft verklaard, is niet aannemelijk. De aangever heeft dit ontkend. [naam 1], die tussenbeide is gekomen, heeft evenmin een vlindermes in handen van de aangever gezien en ook geen ander mes. Niemand heeft deze lezing van verdachte bevestigd. Ter plekke is geen vlindermes aangetroffen, terwijl aangever gewond is achtergebleven. Verdachte heeft geen verwonding opgelopen die wijst op de aanwezigheid van een mes bij de aangever.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces

Een beroep op noodweerexces kan slechts slagen indien de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakt. Deze hevige gemoedsbeweging dient van doorslaggevend belang te zijn geweest voor de grensoverschrijdende gedraging van de verdachte (Hoge Raad 13 juni 2006, NJ 2006, 343 en Hoge Raad 12 december 2006, NJ 2007, 245).

De verdachte heeft door de aangever in de genoemde noodweersituatie driemaal te verwonden met messen de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van de verdachte en uit de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet is gebleken dat de verdachte heeft gehandeld als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door het door de aangever gepleegde geweld. Dat de verdachte door het handelen van de aangever is geschrokken, omdat hij hem niet heeft zien aankomen, acht het hof aannemelijk geworden, maar niet dat de overschrijding van vorenbedoelde grenzen het onmiddellijk gevolg is geweest van die gemoedsbeweging, voor zover deze al als hevig valt te duiden. Immers verdachte is - anders dan hem was geadviseerd en hoewel hij daartoe op dat moment niet genoopt was - naar buiten gegaan met twee messen, terwijl hij kon verwachten dat hij aangever daar zou aantreffen. Hij heeft daardoor reeds welbewust gekozen voor de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging en de verdere escalatie gezocht op het moment dat hij naar buiten ging en niet pas op het moment dat aangever zijn armen vastgreep. Ook het beroep op noodweerexces faalt.

Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht

Een dergelijk beroep kan slechts slagen wanneer sprake is van een uitwendige drang waartegen het bieden van weerstand (voor een normaal persoon) redelijkerwijs niet is te vergen, waarbij de reactie op die drang dient te voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een uitwendige drang waartegen de verdachte geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Dat de verdachte door de groep jongens, waartoe ook de aangever behoorde, en hun fysieke overmacht zich genoodzaakt voelde de Jumbo te verlaten en de confrontatie op te zoeken acht het hof allerminst aannemelijk geworden nu de verdachte noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep aldus heeft verklaard en hij op dat moment in een veilige omgeving verkeerde; hij bevond zich immers in een op dat moment niet voor publiek toegankelijke supermarkt.

Dat de verdachte de Jumbo niet meer als veilig zou hebben ervaren omdat eerder op de avond, na sluitingstijd, twee mannen de Jumbo waren binnengekomen die dreigementen aan zijn adres hebben geuit, zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, acht het hof niet aannemelijk nu de verdachte immers ter terecht- zitting in eerste aanleg zelf heeft verklaard dat hij de Jumbo binnen is gevlucht omdat hij zich daar veilig voelde. Voorts is gebleken dat de bedoelde twee mannen niet vrijelijk de Jumbo konden binnendringen, maar eerder op de avond waren binnen gelaten door een medewerker van de Jumbo, die ze ook weer naar buiten had weten te werken.

Dat de verdachte zich genoodzaakt voelde naar buiten te gaan en de confrontatie aan te gaan omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de aanwezige politie niet zou optreden is tevens uiterst onaannemelijk, omdat juist indien dat het geval zou zijn, het in de Jumbo blijven een goed, wellicht zelfs het enige, alternatief lijkt.

Het hof is voorts van oordeel dat nu de verdachte een brandblusser heeft gepakt en heeft getracht deze mee naar buiten te nemen de verdachte op dat moment juist blijk geeft van zijn intentie om de confrontatie met de aangever wederom op te zoeken. Deze intentie komt naar het oordeel van het hof uit de verdachte zelf en wordt niet ingegeven door een van buiten komende drang.

Gelet op het hierboven overwogene acht het hof het niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich zo onveilig voelde en bang was dat hij, in die gemoedstoestand verkerende, niet anders heeft kunnen handelen dan is bewezen verklaard. Van enige externe druk die een beroep op psychisch overmacht kan rechtvaardigen is niet gebleken. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Nu evenmin een andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het bewezenverklaarde als de verdachte strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van honderdéénendertig dagen, waarvan negentig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren, subsidiair vijfenzeventig dagen jeugddetentie.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer driemaal met keukenmesjes in diens lichaam te steken, waaraan het slachtoffer onder andere een diepe snijwond in zijn bovenbeen heeft overgehouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer; dat het slachtoffer geen ernstige verwondingen met een langdurig herstel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die niet aan de verdachte is te danken.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de volgende rapporten:

- een rapport raadsonderzoek strafzaken van Bureau Jeugdzorg Haaglanden d.d. 19 juli 2010, opgemaakt door M. van Kolck;

- een briefrapport van Bureau Jeugdzorg Haaglanden d.d. 27 juli 2010, opgemaakt door M.C.J. van Kolck, jeugdreclasseringswerker;

- een rapport Psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 25 oktober 2010, opgemaakt door dr. P.M. van den Bergh, forensisch psycholoog;

- een rapport Pro Justitia d.d. 26 oktober 2010, opgemaakt door J. de Jonge, psychiater/kinder- en jeugdpsychiater;

- een voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 juli 2011, opgemaakt door A. Hoekstra, raadsonderzoeker;

- een evaluatie Plan van Aanpak Jeugdreclassering d.d. 3 november 2011, opgemaakt door M. van Kolck, jeugdreclasseerder;

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 28 juni 2012, opgemaakt door M. Bijkerk, raadsonderzoeker.

Psychiater De Jonge acht de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het delict, psycholoog Van den Bergh acht hem volledig toerekeningsvatbaar.

Het hof heeft tevens acht geslagen op hetgeen M.C.J. van Kolck, jeugdreclasseringmedewerker bij Bureau Jeugdzorg Haaglanden, als deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard en hetgeen mevrouw Bos, jeugdreclasseerder bij de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, afdeling jeugdreclassering, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade tot een bedrag van € 677,61 en geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van in totaal € 1.667,61, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De advocaat-generaal heeft -overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte requisitoir- geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 838,80, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist -overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities- waarnaar het hof kortheidshalve verwijst.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering tot vergoeding van materiële schade van de benadeelde partij ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in deze vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van het hof is echter aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. Het hof zal bij het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij rekening houden met het aandeel dat de benadeelde partij zelf heeft gehad in het ten laste gelegde, zoals door de raadsvrouw bepleit, en zal het bedrag aan schadevergoeding matigen en de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 250,-,te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 131 (honderdeenendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,

mr. T.L. Tan en mr. A.P. van der Linden, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juli 2012.

Mrs. Tan en Van der Linden zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen