Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3361

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.095.823/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderlijk gezag: geschil inzake schoolkeuze; verdragsbepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 9 mei 2012

Zaaknummer : 200.095.823/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 11-2927

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Oolgaard te ‘s-Gravenhage.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 juli 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 15 december 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 3 november 2011 een brief van 2 november 2011 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 15 november 2011 een brief van 14 november 2011 ingekomen, waarbij het raadsrapport van 13 april 2011 is overgelegd.

De zaak is op 28 maart 2012, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.096.213/01, mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door mr. J. de Visser, kantoorgenoot van haar advocaat;

- namens de raad: mevrouw Y. de Ruiter en de heer I. Cuvalay.

Voorts is aan de zijde van de vader verschenen: mevrouw A. Küthe, tolk in de Engelse taal.

De beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - in de plaats van de moeder aan de vader vervangende toestemming verleend om met de minderjarige: [naam], geboren op [in] 2007 te [geboorteplaats], logopedische therapie bij een [taal] logopedist te volgen.

Het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarige met ingang van het nieuwe schooljaar medio augustus 2011 voor zijn vervolgonderwijs naar [naam school] kan gaan, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarige voor het volgen zijn vervolgonderwijs naar [naam school] kan gaan.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot het volgen van vervolgonderwijs door de minderjarige aan [naam school] en, in zoverre opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad,

1. Primair te bepalen dat de minderjarige met ingang van het nieuwe schooljaar medio augustus 2012 voor zijn onderwijs naar [naam school] kan gaan;

2. Subsidiair te bepalen dat de minderjarige met ingang van in ieder geval

vanaf 6-jarige leeftijd naar [naam school] kan gaan;

3. Te bepalen dat de inschrijving van de minderjarige op het adres van de vader zal zijn op het moment dat hij naar die school zal gaan, met bepaling dat dit uitsluitend tot doel heeft om de schoolkosten te kunnen declareren en dat er verder geen enkel rechtsgevolg aan deze beslissing kan worden ontleend;

4. Kosten rechtens.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt alle verzoeken van de vader af te wijzen.

4. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om te bepalen dat de minderjarige voor zijn vervolgonderwijs naar [naam school] kan gaan, heeft afgewezen. Volgens de vader heeft de rechtbank daarmee artikel 29 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM) geschonden.

De vader acht het in het belang van de minderjarige dat hij naar [naam school] gaat. Hij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. [naam school] biedt de minderjarige kwalitatief hoog onderwijs en zal hem de beste kansen geven in zijn leven en zijn toekomstige carrière. Bovendien biedt [naam school] de minderjarige de mogelijkheid om Nederlands te leren en kan hij hulp krijgen van vakbekwame logopedisten, in dienst van [naam school], bij het oplossen van zijn spreek- en taalvaardigheidsproblemen. De vader is dan ook van mening dat de bestreden beschikking in zoverre vernietigd moet worden.

De vader merkt nog op dat voor het verkrijgen van een vergoeding van de kosten van [naam school] het noodzakelijk is dat de minderjarige op zijn adres staat ingeschreven. De vader verzoekt om die reden de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen.

5. De moeder stelt allereerst dat de vader geen belang heeft bij zijn verzoek, nu hij volgens haar toestemming heeft gegeven voor de plaatsing van de minderjarige op zijn huidige school (hierna te noemen: [naam school]). De vader dient volgens haar om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

6. Voor zover het hof van oordeel is dat de vader in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, stelt de moeder het navolgende.

7. De moeder acht het niet in het belang van de minderjarige om hem te plaatsen op de [naam school]. Zij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. De minderjarige kampt met een taalachterstand in de Nederlandse en [taal] taal. Het volgen van Engelse lessen, en daarmee een derde taal, vormt een te grote belasting voor hem. Het is in het belang van de minderjarige dat hij de Nederlandse taal machtig wordt, nu zijn toekomst in Nederland ligt. Voorst stelt de moeder dat [naam school] voldoende mogelijkheden biedt om de taal- en spraakachterstand van de minderjarige te verkleinen. De minderjarige krijgt daarvoor op dit moment ook logopedie. De moeder is gelet op het vorenstaande van mening dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen en daarmee geen internationale verdragen heeft geschonden. Zij verzoekt dan ook de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ten aanzien van het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige stelt de moeder zich primair op het standpunt dat de vader daarin niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu hij niet (tijdig) in appel is gekomen van een eerdere beslissing van de rechtbank, waarbij de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is bepaald.

8. Het hof overweegt als volgt. Aan de stelling van de moeder dat de vader niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn hoger beroep gaat het hof - wat daar verder ook van zij - voorbij, nu niet is gebleken dat de vader destijds toestemming aan de moeder heeft verleend voor het plaatsen van de minderjarige op [naam school].

9. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarige voor zijn vervolgonderwijs naar [naam school] kan gaan, heeft afgewezen. In hoger beroep zijn door de vader geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking.

10. Het hof stelt voorop dat de minderjarige nog steeds kampt met een achterstand in zijn spraak- en taalontwikkeling, in zowel de Nederlandse als de [taal] taal. Het hof acht het aannemelijk dat het leren van een derde taal (te weten de Engelse taal) te belastend is voor de minderjarige, gelet op zijn taalachterstand. Het hof betrekt daarbij de visie van de raad die, zo volgt uit het raadsrapport van 13 april 2011, om gelijke reden van mening is dat het in het belang van de minderjarige is dat hij onderwijs volgt op een Nederlandse school.

11. Voorts neemt het hof in aanmerking dat in hoger beroep als onweersproken is komen vast te staan dat het goed gaat met de minderjarige op [naam school]. De minderjarige heeft op school zijn draai gevonden en daar vriendjes gemaakt. Ook zijn taalontwikkeling is, mede door de logopedie die hij krijgt, vooruitgegaan.

12. De vader heeft naar het oordeel van het hof geen inhoudelijke bezwaren opgeworpen tegen [naam school], doch met name een pleidooi gehouden voor [naam school]. Ten aanzien van zijn stelling dat [naam school] de minderjarige betere carrièremogelijkheden biedt, is het hof van oordeel dat dit een onzekere factor in de toekomst betreft, die niet zonder meer kan leiden tot de door de vader gewenste beslissing.

13. Hetgeen de vader heeft opgemerkt ten aanzien van de internationaal georiënteerde achtergrond van de minderjarige, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Te meer niet nu de moeder in hoger beroep heeft bevestigd dat de toekomst van de minderjarige in Nederland ligt.

14. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat hij zijn plaatsing op [naam school] kan continueren. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

15. Het hof is, gelet op hetgeen is overwogen omtrent het belang van de minderjarige bij continuering van de plaatsing in [naam school], van oordeel dat niet is gebleken dat door deze plaatsing de door de vader genoemde verdragsbepalingen zijn geschonden.

16. Nu het hof de bestreden beschikking bekrachtigt voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader met betrekking tot de schoolkeuze van de minderjarige, behoeven zijn subsidiaire verzoeken geen bespreking meer.

17. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van de Poll en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2012.