Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3017

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.095.326-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Ontzeggingsgrond niet meer aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 18 april 2012

Zaaknummer : 200.095.326/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-1816

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam - Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 juli 2011 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 14 oktober 2011 een brief van 13 oktober 2011 met bijlagen;

- op 7 februari 2012 een brief van 6 februari 2012;

- op 24 februari 2012 een brief van 22 februari 2012 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 21 februari 2012 een brief van 20 februari 2012 ingekomen, waarbij het raadsrapport van 18 april 2011 is overgelegd.

De zaak is op 22 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer J. Kuhn namens de raad.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – aan de vader het recht op omgang met na te noemen minderjarige ontzegd voor de duur van een jaar.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Vast staat dat de vader de minderjarige heeft erkend en dat de moeder alleen het gezag heeft over de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige [naam minderjarige] geboren [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarige inhoudende dat de minderjarige elk weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem zal verblijven alsmede op zijn extra vrije dagen en gedurende de helft van alle feestdagen en van alle schoolvakanties.

De vader betwist dat er redenen zijn om tot ontzegging van het recht op omgang tussen hem en de minderjarige te komen. Volgens hem is geen van de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek van toepassing. Voorts stelt de vader dat de rechtbank haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Communicatieproblemen leveren geen reden op om tot ontzegging van omgang over te gaan. Inmiddels is de situatie volgens de vader gewijzigd. De moeder heeft, sinds haar relatie is verbroken, de vader omgang met de minderjarige toegestaan. De vader is echter afhankelijk van de gratie van de moeder nu partijen niet tot een eenduidige omgangsregeling hebben kunnen komen.

Tot slot betoogt de vader dat de communicatie tussen partijen kan verbeteren middels de inzet van forensische mediation.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en heeft ter zitting bij het hof – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De moeder hoorde begin september 2011 dat de vader was veranderd en zijn leven weer op de rails had. Zij heeft toen voorzichtig contact met hem opgenomen. De moeder kreeg weer vertrouwen in de vader en heeft omgang tussen de vader en de minderjarige toegelaten. Eerst was zij zelf aanwezig bij het contact, later is de minderjarige zonder de moeder een dag naar de vader gegaan en uiteindelijk is de minderjarige bij de vader gaan logeren. Dit is anderhalve maand goed verlopen tot de vader weer verviel in zijn oude gedrag en er weer problemen tussen partijen ontstonden. De communicatie tussen partijen verslechterde en het gedrag van de minderjarige veranderde in negatieve zin. Uiteindelijk heeft de moeder de omgangsregeling in januari 2012 stopgezet. Zij vreest dat omgang tussen de vader en de minderjarige schadelijke gevolgen zal hebben voor de minderjarige. De minderjarige lijdt zichtbaar onder de spanningen tussen de ouders.

4. De raad heeft ter zitting bij het hof verklaard dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en dat geprobeerd is aan partijen uit te leggen dat dat schadelijk kan zijn voor een kind. De ouders hebben tegen alle adviezen in toch de omgang opgestart. Later is de omgang weer stopgezet. De minderjarige raakt hiervan in de war. De ouders zijn nog jong en kunnen niet goed omgaan met de problemen die zich voordoen. Zij stellen geen grenzen in hun onderlinge discussies hetgeen heel zorgelijk is en van negatieve invloed op de minderjarige. De ouders zullen eerst een manier moeten vinden om om te gaan met hun tegenstellingen en hun onderlinge communicatie zien te verbeteren alvorens er omgang zal kunnen plaatsvinden. De raad betwijfelt, gezien de reactie van de minderjarige, of de omgang, die vanaf september 2011 tot januari 2012 heeft plaatsgevonden, wel zo goed verlopen is als het lijkt.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten tijde van de bestreden beschikking goede gronden had om aan de vader het recht op omgang te ontzeggen. Bij de huidige stand van zaken zijn, naar het oordeel van het hof, de gronden om het recht op omgang te ontzeggen niet langer aanwezig. Gebleken is dat partijen ondanks hun onderlinge strijd en de moeizame communicatie tussen hen toch in staat zijn geweest om enige tijd een omgangsregeling uit te voeren. Gelet hierop en nu het hof het in het belang van de minderjarige acht dat zij een band opbouwt met de vader, de minderjarige en partijen er naar het oordeel van het hof bij gebaat zijn als er structuur wordt gebracht in de omgang, en mede gezien de jonge leeftijd van de minderjarige, zal het hof een omgangsregeling vaststellen van twee uur in de week, op zaterdagmiddag van 16.00 – 18.00 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder en haar daar weer terugbrengt. Het hof geeft partijen daarbij, evenals de rechtbank, dringend in overweging om zich op vrijwillige basis aan te melden bij Flexus Jeugdplein zodat zij onder begeleiding van Flexus Jeugdplein kunnen werken aan de verbetering van hun communicatie, zulks in het belang van de minderjarige.

6. Gezien het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de periode na 18 april 2012 betreft en vanaf die datum bovengenoemde omgangsregeling vaststellen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de periode na 18 april 2012 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige, inhoudende dat de vader de minderjarige bij zich mag hebben elke zaterdagmiddag van 16.00 – 18.00 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder en bij haar terugbrengt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Kamminga en Mink, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2012.