Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2985

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
BK-11/00089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht van successie. Aangezien in het onderhavige geval het incidenteel hoger beroep tegelijk is ingesteld met de indiening van het verweerschrift kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn incidenteel hoger beroep. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende een vergoeding toekomt voor de bezwaar- en beroepsfase. Geen sprake van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, Bpb. Geen aanleiding tot vergoeding van de werkelijke proceskosten. De rechtbank heeft met voldoende redengeving geoordeeld dat het ingediende uitstelverzoek niet als voldoende zwaarwegend om tot uitstel van de zitting te leiden kon worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1957
FutD 2012-2032
V-N Vandaag 2012/1915

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00089

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 27 maart 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2011, nr. AWB 10/1628 SUCCR betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en loop van het geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 4 augustus 2009 een aanslag in het recht van successie opgelegd berekend naar een verkrijging van € 833.880.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een verkrijging van € 641.435.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 162,92 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord. Belanghebbende heeft vervolgens in het principaal hoger beroep een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft geantwoord met een conclusie van dupliek. De Inspecteur heeft in het incidenteel ingestelde hoger beroep een conclusie van repliek ingediend, waarop belanghebbende heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 14 februari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Op [dag en maand] 2006 is [A] (hierna: erflater) overleden, achterlatende zijn echtgenote en zijn vier kinderen, die allen tot erfgenaam benoemd zijn. Erflater heeft bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament bevat een ouderlijke boedelverdeling overeenkomstig artikel 4:1167 BW (oud) waarbij de langstlevende echtgenote voor een percent tot erfgenaam benoemd is en zijn vier kinderen gezamenlijk voor 99 percent. De nalatenschap is overeenkomstig dit testament verdeeld.

3.2. Een van de kinderen van erflater, die van beroep belastingadviseur is, is benoemd tot executeur-testamentair van de nalatenschap (hierna: de executeur). Hij voerde zijn praktijk aanvankelijk uit in Nederland, doch is thans in [land] als belastingadviseur werkzaam.

3.3. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aangiftebiljet inzake het recht van successie uitgereikt (hierna: het aangiftebiljet). Het aangiftebiljet vermeldt als uiterste inleverdatum 1 augustus 2007.

3.4. In februari 2008 hebben de erven een eerste en in mei 2008 een tweede aanmaning voor de indiening van de aangifte successierecht ontvangen.

3.5. Het aangiftebiljet is namens de erfgenamen door de executeur ondertekend en is op 4 juni 2008 bij de Inspecteur binnengekomen. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde onder meer het door erflater en zijn echtgenote bewoonde woonhuis te [Q] (hierna: de eigen woning). De executeur heeft aangifte van het recht van successie gedaan naar een zuiver saldo van de nalatenschap van ((voor ieder van de kinderen € 719.947) + € 29.069 (voor de langstlevende)=) € 2.906.817. In deze aangifte is de eigen woning opgenomen voor € 783.500. De Inspecteur heeft deze waarde gecorrigeerd tot € 860.000, welke correctie in hoger beroep niet meer in geschil is.

3.6. Bij brief van 12 juni 2008 heeft de Inspecteur verzocht een kopie van het testament van erflater aan hem te doen toekomen. Bij brief van 15 januari 2009 heeft de Inspecteur dat verzoek herhaald.

3.7. Bij brief van 26 maart 2009 heeft de Inspecteur wederom gevraagd om een afschrift van het testament. Voorts heeft hij gevraagd hoe de aangegeven waarde van de woning was bepaald, alsmede een kopie van de rekeningafschriften op overlijdensdatum van een aantal specifiek aangeduide (bank)rekeningen. Op 9 april 2009 heeft hij zijn verzoek herhaald.

3.8. De executeur heeft bij brief met dagtekening 14 april 2009 verklaard hoe het bedrag van de waarde van de woning was berekend. Voorts heeft hij medegedeeld dat het hem niet duidelijk was waarom (nogmaals) werd gevraagd om een afschrift van het testament. Ten slotte heeft hij medegedeeld dat in de aangifte de juiste bedragen staan vermeld van de banksaldi per overlijdensdatum.

3.9. De Inspecteur heeft bij brief van 21 april 2009 de executeur wederom verzocht de gevraagde informatie te verstrekken en heeft erop gewezen dat hij daartoe verplicht is onder verwijzing naar relevante regelgeving. Voor het indienen van die informatie is uitstel verleend tot 29 mei 2009.

3.10. Op 8 juli 2009 heeft de Inspecteur, omdat geen reactie van de executeur was ontvangen, de aanslag vastgesteld. Hij heeft daarbij rekening gehouden met een hogere waarde van de huwelijksgemeenschap, bestaande uit een hogere waarde van de woning ad € 76.500 en voorts, omdat zulks bleek uit hem ter beschikking staande renseignementen, een hogere waarde van de (bank)rekeningen ten bedrage van € 848.300, in totaal derhalve € 924.800. Gelet op de testamentaire bepalingen heeft de Inspecteur het bedrag ad € 719.437 dat volgens de aangifte aan belanghebbende toekomt met (50 percent x 99 percent x 0,25=) 12,375 percent van € 924.800, of te wel € 114.444, verhoogd tot € 833.880.

3.11. De executeur heeft bij brief van 4 augustus 2009 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Voorts heeft hij erop gewezen dat geen rekening is gehouden met het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 1989, op grond waarvan het erfdeel van belanghebbende niet dient te worden vastgesteld op het in de aangifte vermelde bedrag van € 719.437, doch op 88 percent daarvan, zijnde € 633.105. De executeur verzocht voorts, omdat zijns inziens willens en wetens een onjuiste aanslag is opgelegd, om een kostenvergoeding op basis van de werkelijke kosten van het bezwaarschrift.

3.12. Bij brief van 10 september 2009 heeft de executeur een klacht bij de Belastingdienst ingediend.

3.13. In overleg met executeur is op 24 augustus 2010 door de rechtbank telefonisch de zittingsdatum vastgesteld op 14 december 2010. Deze datum heeft de rechtbank bij brief van 7 september 2010 aan gemachtigde bevestigd. Het door de executeur bij brief van 17 november 2010 ingediende verzoek om uitstel van de zitting van 14 december 2010 heeft de rechtbank afgewezen. De executeur heeft bij brief van 24 november 2010 zijn verzoek om uitstel nader gemotiveerd. Deze brief heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om alsnog uitstel te verlenen.

Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of:

- belanghebbende terecht aanspraak maakt op een vergoeding van de kosten van het bezwaar en zo ja, of er bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen de Inspecteur te veroordelen in de werkelijke kosten van de bezwaarfase, bestaande uit de door de executeur verrichte werkzaamheden ten bedrage van € 6.188;

- aan de Inspecteur op grond van een door belanghebbende voorgestane a contrario toepassing van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete van € 44.262 moet worden opgelegd, met welk boetebedrag de aanslag moet worden verminderd;

- de rechtbank ten onrechte het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling niet heeft ingewilligd.

4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. De executeur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een verkrijging van € 597.173 (€ 641.435 -/- € 44.262) en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van het volledige bedrag aan gemaakte proceskosten ten bedrage van € 6.188. Tevens concludeert hij tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.4. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. In incidenteel hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.

Overwegingen van de rechtbank

5. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Onderzoek ter zitting

II.1. De rechtbank heeft het door gemachtigde van [belanghebbende] bij brief van 17 november 2010 ingediende verzoek om uitstel van de zitting van 14 december 2010 afgewezen, aangezien in overleg met gemachtigde op 24 augustus 2010 telefonisch de zittingsdatum is vastgesteld. Deze datum heeft de rechtbank bij brief van 7 september 2010 aan gemachtigde bevestigd. Gemachtigde van [belanghebbende] heeft bij brief van 24 november 2010 zijn verzoek om uitstel nader gemotiveerd. Deze brief heeft de rechtbank geen reden gegeven om alsnog uitstel te verlenen. In haar afweging om het uitstel niet te verlenen heeft de rechtbank de door gemachtigde aangedragen redenen voor uitstel, te weten een bezoek om zakelijke redenen aan het Verre Oosten, het niet kunnen voorzien van deze afspraak ten tijde van het overeenkomen van de zittingsdatum op 24 augustus 2010 en het niet in de gelegenheid zijn om een vervanger naar de zitting te sturen, afgewogen tegen het belang om de zitting doorgang te laten vinden. Hierbij heeft de rechtbank geconcludeerd dat, gelet op de in overleg met gemachtigde vastgestelde zittingsdatum, gemachtigde onvoldoende heeft gesteld waarom deze belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Hierbij heeft meegewogen dat uit de gedingstukken blijkt dat gemachtigde van [belanghebbende] vele malen uitstel heeft gevraagd voor respectievelijk het doen van aangifte en het verstrekken van inlichtingen in de fase van aanslagoplegging en in de bezwaarfase en dat [de Inspecteur] gemachtigde na het verlenen van uitstel veelvuldig heeft moeten aanmanen om hem te bewegen aan zijn verplichtingen te voldoen.

Waarde woning

(…)

Boete

II.4. Het standpunt van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] bestraft dient te worden met een boete van € 44.262 wegens het opzettelijk opleggen van een onjuiste aanslag door het a-contrario toepassen van artikel 67e van de Awr, kan de rechtbank - wat daar ook van zij - niet volgen reeds omdat dit standpunt geen steun vindt in het recht. De rechtbank overweegt hierbij ten overvloede dat het opleggen van een vergrijpboete, anders dan [belanghebbende] bepleit, nimmer ten goede zou kunnen komen aan [belanghebbende].

Kosten bezwaarfase

II.5. De stelling van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] in de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2010 geen beslissing heeft genomen omtrent het toekennen van een kostenvergoeding voor de gemaakte kosten in de bezwaarfase, volgt de rechtbank niet. In de brief van 13 oktober 2009 van [de Inspecteur] is een concept-uitspraak op bezwaar opgenomen waarin [de Inspecteur] ook zijn standpunt ten aanzien van een proceskostenvergoeding kenbaar maakt. Deze brief maakt blijkens de tekst van de uitspraak op bezwaar onderdeel daarvan uit.

II.6. Bij uitspaak op bezwaar van 9 februari 2010 is [de Inspecteur] deels tegemoet gekomen aan de bezwaren van [belanghebbende]. Nu het bezwaarschrift gegrond is verklaard, komt [belanghebbende], zoals [de Inspecteur] ter zitting heeft bevestigd, in beginsel in aanmerking voor een proceskostenvergoeding inzake de in bezwaar gemaakte kosten van door een derde verleende rechtskundige bijstand.

II.7. [De Inspecteur] heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat een familierelatie tussen een gemachtigde en een [belanghebbende] niet in de weg staat aan het toekennen van een proceskostenvergoeding en derhalve de werkzaamheden van gemachtigde voor zijn broer en zussen in verband met de aan hen opgelegde aanslagen aangemerkt kunnen worden als rechtsbijstand verleend door een derde in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van [de Inspecteur], gelet op de arresten van de Hoge Raad van 27 november 2009, nr. 08/02053, LJN: BJ7924 en nr. 08/02570, LJN: BJ7929, juist is.

II.8. Gelet op wat is overwogen onder II.6. en II.7. heeft [de Inspecteur] in zijn uitspraak op bezwaar van 9 februari 2010 ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan [belanghebbende] toegekend en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

II.9. De rechtbank vindt aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ten aanzien van de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van [belanghebbende] in deze zaak en in de met deze zaak gezamenlijk ter zitting behandelde zaken met de procedurenummers AWB 10/1630 en AWB 10/1635 nagenoeg gelijkluidende bezwaar- en beroepschriften heeft ingediend en dat dit ook geldt voor de conclusie van repliek. De rechtbank merkt deze zaken daarom aan als samenhangende zaken en kent in elke zaak 1/3 van € 488,75 is € 162,92 toe op de voet van het Besluit (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5 aangezien het beroep uitsluitend gegrond wordt verklaard vanwege het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase).

II.10 Voor een hogere vergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig. Weliswaar heeft de gemachtigde van [belanghebbende] verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten, maar van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit, die afwijking van de forfaitaire regeling voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

In het incidenteel hoger beroep

6.1. Het Hof zal eerst het incidenteel ingestelde hoger beroep van de Inspecteur behandelen omdat daarin de meest vergaande stelling ten aanzien van de kostenvergoeding wordt betrokken, te weten dat geen proceskostenvergoeding dient te worden toegekend.

6.2. Op grond van artikel 27m, lid 1, van de AWR kan de andere partij bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen. Aangezien in het onderhavige geval het incidenteel hoger beroep tegelijk is ingesteld met de indiening van het verweerschrift kan, anders dan belanghebbende betoogt, niet worden geoordeeld dat de Inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn incidenteel hoger beroep. De geschilpunten die in het incidenteel hoger beroep worden opgeworpen, zijn zodanig omschreven dat belanghebbende in voldoende mate in staat is zich daartegen te verweren.

6.3. Voldoende aannemelijk is geworden dat de executeur de werkzaamheden in deze zaak beroepshalve als belastingadviseur heeft verricht. Het enkele door de Inspecteur overgelegde interne document van de Belastingdienst, waarin staat vermeld dat uit een beoordeling blijkt dat de executeur met ingang van 22 oktober 2008 voor de heffing van omzetbelasting is afgevoerd en dat de aangifteverzending met ingang van juli 2010 is stopgezet, is onvoldoende bewijs voor de stelling van de Inspecteur dat de executeur zijn beroepswerkzaamheden als belastingadviseur heeft gestaakt. Dat de executeur zijn werkzaamheden voor familieleden heeft verricht staat in beginsel aan toekenning van een proceskostenvergoeding niet in de weg. Gelet op het tot de stukken van het geding behorende afschrift van een declaratie van de executeur aan een van de erven ter zake van in rekening gebrachte kosten in het kader van het verzorgen van het bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag in het successierecht, en het afschrift waaruit de betaling van die declaratie blijkt, leidt het Hof af dat de executeur, zoals hij heeft gesteld en het Hof niet onaannemelijk acht, aan ieder van de erfgenamen, behalve aan hemzelf, een declaratie heeft verzonden ter zake van zijn vorenvermelde werkzaamheden. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende een vergoeding toekomt voor de bezwaar- en beroepsfase. Het Hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne.

De in hoger beroep door de Inspecteur ingenomen stelling dat belanghebbende in het geheel geen recht op een kostenvergoeding heeft faalt, omdat bij het opleggen van de aanslag geen rekening was gehouden met het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 1989 en belanghebbende het niet eens was met de door de Inspecteur gehanteerde waarde van de woning.

In het principale hoger beroep

Vergoeding werkelijke proceskosten

6.4. Art. 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar in aanmerking komen voor vergoeding door het bestuursorgaan (i) indien de belanghebbende om vergoeding heeft verzocht vóórdat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist, en (ii) voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In beroep en hoger beroep kunnen de Rechtbank respectievelijk het Hof op grond van art. 8:75 Awb een partij veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar of het (hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

6.5. Bij algemene maatregel van bestuur zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een dergelijke veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze nadere regels zijn voor bestuursrechtelijke procedures uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), waarin in artikel 2, lid 1 een normering van de proceskosten is gegeven door de verwijzing naar bedragen in de bijlage bij het Besluit. Van dit eerste lid kan ingevolge het derde lid van dat artikel worden afgeweken in bijzondere omstandigheden.

6.6. In zijn arrest van 8 april 2011, nr. 10/00652, LJN: BQ0415 overwoog de Hoge Raad dat de bedoelde bijzondere omstandigheden zich niet licht voordoen:

"3.4.2. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb (Besluit proceskosten bestuursrecht, Hof), Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.

3.4.3. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend te worden toegepast."

6.7. In zijn arrest van 4 februari 2011, LJN: BP2975 gaf de Hoge Raad aanwijzingen voor de beoordeling of grond bestaat voor afwijking van het forfait:

"3.3. Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is (…) grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41235, LJN BA2802, BNB 2007/260).

(…)

3.5. De hiervoor in 3.3 bedoelde regel sluit echter niet uit dat ook in andere gevallen aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.”

6.8. Belanghebbende stelt dat er bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin aanwezig zijn die rechtvaardigen om af te wijken van het forfaitaire puntensysteem van het Besluit, aangezien de Inspecteur verschillende fouten heeft gemaakt, onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens een onjuiste aanslag op te leggen, waardoor belanghebbende nodeloos op kosten is gejaagd, op grond waarvan een vergoeding van de werkelijke kosten van de bezwaarfase ad € 6.188 op zijn plaats is.

6.9. Als hoofdregel heeft te gelden dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding voor de rechtbank wordt veroordeeld, indien een belanghebbende die bij de rechtbank tegen een besluit van het bestuursorgaan in beroep is gekomen, geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank de Inspecteur terecht met in achtneming van het Besluit veroordeeld in de proceskosten. Een kostenveroordeling is niet bedoeld als volledige schadevergoeding, maar heeft het karakter van een tegemoetkoming in de kosten (zie Nota van Toelichting op het Besluit, Stb. 1993, 763, p. 5).

6.10. Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat de Inspecteur, doordat hij, in afwijking van de aangifte, de aanslag heeft vastgesteld op basis van de banksaldi ultimo 2006 in plaats van de banksaldi op de sterfdatum - waarbij hij heeft veronachtzaamd dat in de periode tussen voormelde tijdstippen aandelen zijn verkocht -, waardoor hij opzettelijk of voorwaardelijk opzettelijk onjuiste aanslagen heeft opgelegd.

6.11. Belanghebbende is niet geslaagd in de bewijslast van de stelling dat sprake is van het opzettelijk dan wel voorwaardelijk opzettelijk opleggen van een onjuiste aanslag. De Inspecteur heeft in het kader van het opleggen van de aanslag herhaaldelijk gevraagd om overlegging van afschriften van een aantal bankrekeningen. Belanghebbende heeft aan deze verzoeken niet voldaan. De stelling van belanghebbende dat de aangifte is verzorgd door een professioneel belastingadviseur, die desgevraagd in zijn brief van 14 april 2009 nog eens nadrukkelijk de juistheid van de in de aangifte opgenomen bedragen heeft bevestigd, waardoor enige terughoudendheid van de aanslagregelaar op zijn plaats is, kan niet worden beschouwd als een voldoening aan het verzoek van de Inspecteur. In verband met het niet voldoen door belanghebbende aan de wettelijke verplichting desgevraagd de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, resteerde de Inspecteur redelijkerwijs niets anders dan de aanslag op te leggen op basis van saldi van de bankrekeningen ultimo 2006, zoals die hem uit renseignementen bekend waren.

6.12. Gelet op het vorenoverwogene is geen sprake van een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin en en is er geen aanleiding tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.

Boete Inspecteur

6.13. Een gedraging van een persoon kan alleen strafbaar zijn als er op het moment van plegen van het feit een wettelijke strafbepaling bestond (nulla poena sine lege). Anders dan belanghebbende betoogt kan met een a-contrario uitleg van artikel 67e Awr niet een zodanige strafbepaling worden gecreëerd.

Niet verlenen uitstel zitting rechtbank

6.14. De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat ingeval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in zijn uitspraak met redenen te worden omkleed (HR 20 december 1989, nr. 26194, BNB 1990/57, HR 31 januari 2001, nr. 35914, LJN AA9724, BNB 2001/132 en HR 4 mei 2007, nr. 41429, LJN BA4301, BNB 2007/203).

6.15. In haar oordeel om het uitstel niet te verlenen heeft de rechtbank de door de executeur aangedragen redenen voor uitstel, te weten een bezoek om zakelijke redenen aan het Verre Oosten, het niet kunnen voorzien van deze afspraak ten tijde van het overeenkomen van de zittingsdatum op 24 augustus 2010 en het niet in de gelegenheid zijn om een vervanger naar de zitting te sturen, afgewogen tegen het belang om de zitting doorgang te laten vinden. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de in overleg met gemachtigde vastgestelde zittingsdatum, gemachtigde onvoldoende heeft gesteld waarom deze belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Hierbij heeft zij meegewogen dat uit de gedingstukken blijkt dat de executeur vele malen uitstel heeft gevraagd voor respectievelijk het doen van aangifte en het verstrekken van inlichtingen in de fase van aanslagoplegging en in de bezwaarfase en dat de Inspecteur de executeur na het verlenen van uitstel veelvuldig heeft moeten aanmanen om hem te bewegen aan zijn verplichtingen te voldoen.

6.16. De rechtbank heeft met voldoende redengeving geoordeeld dat het ingediende uitstelverzoek niet als voldoende zwaarwegend om tot uitstel van de zitting te leiden kon worden beschouwd. Het Hof maakt de door de rechtbank dienaangaande gebezigde overwegingen tot de zijne. Dat de rechtbank de executeur heeft geweigerd een pleitnota of een tiendagenstuk in te dienen, blijkt niet uit de stukken van het geding, in zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het betoog van de executeur ertoe strekt dat de rechtbank hem ambtshalve in de gelegenheid had moeten stellen zodanig stuk in te dienen dan wel hem in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de pleitnota van de Inspecteur, faalt dat betoog eveneens, omdat geen rechtsregel de rechtbank daartoe verplicht.

Slotsom

6.17. De slotsom is dat het principaal noch het incidenteel hoger beroep doel treft. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 27 maart 2012 in het openbaar uitgesproken,

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.