Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2850

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
BK-11/00162
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting zijn, ook wanneer aan die besluiten geheel of gedeeltelijk dezelfde feiten ten grondslag liggen, geen nagenoeg identieke besluiten in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1909
V-N 2012/50.6 met annotatie van Redactie
FutD 2012-2001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-11/00162

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 29 juni 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Zuidwest, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2011, nummer AWB 10/1583, betreffende het hierna vermelde verzoek om proceskosten.

Naheffingsaanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 2.263 opgelegd. Tegelijk met de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende een boete opgelegd van € 226. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 219 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Het aanslagbiljet waarmee de naheffingsaanslag en de beschikkingen bekend zijn gemaakt, is gedagtekend 30 oktober 2009.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van proceskosten.

1.4. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 4 december 2009, is de Inspecteur aan het bezwaar tegemoetgekomen en heeft hij de naheffingsaanslag verminderd. Daarbij heeft hij een vergoeding wegens proceskosten toegekend van € 40,86, welk bedrag is toegelicht in een brief van de Inspecteur van 23 november 2009.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep betreft uitsluitend het besluit van de Inspecteur inzake de proceskostenvergoeding. Een griffierecht van € 150 is geheven.

1.6. De rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van € 655 en hem gelast het griffierecht van € 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 mei 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. De Inspecteur is verschenen.

2.4. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende bij aangetekende brief, op 17 februari 2012 verzonden aan [A], tav [B], [a-straat 1], [0000 XX] [Q], onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de vorenbedoelde brief op 27 februari 2012 aan de geadresseerde uitgereikt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. In september 2009 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek doen instellen voor zowel de omzetbelasting als de inkomstenbelasting. Het verslag van het boekenonderzoek is op 5 oktober 2009 aan belanghebbende gezonden. In het verslag zijn een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 en navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting over de jaren 2005, 2006 en 2007 aangekondigd.

3.2. Bij brief van 19 oktober 2009 heeft de gemachtigde van belanghebbende op het verslag gereageerd. Deze reactie strekt tot vermindering van de aangekondigde naheffingsaanslag en navorderingsaanslagen. Omdat de aanslagen al in de systemen van de Belastingdienst waren ingevoerd, was het niet mogelijk wijzigingen aan te brengen die nog effect zouden hebben.

3.3. De bezwarenadministratie van de Belastingdienst heeft de brief van de gemachtigde van belanghebbende aangemerkt als een bezwaar tegen de onderwerpelijke naheffingsaanslag en zulks schriftelijk bevestigd op 6 november 2009.

3.4. Bij brief van 12 november 2009 heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om een proceskostenvergoeding van € 217 ter zake van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

3.5. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag naar aanleiding van het bezwaar verminderd.

3.6. Blijkens een brief van 23 november 2009 heeft de Inspecteur de proceskostenvergoeding voor het bezwaar op € 40,86 gesteld. Hieraan liggen de volgende uitgangpunten ten grondslag:

- indienen bezwaarschrift: 1 punt;

- zwaarte van de zaak: licht, wegingsfactor 0,5;

- samenhang met drie bezwaarschriften inkomstenbelasting: factor 1,5;

- vergoeding per punt: € 218;

De berekening luidt: 1 punt x € 218 x 0,5 x 1,5 = € 163,50.

Van dit bedrag heeft de Inspecteur, wegens samenhang met drie andere bezwaren, een kwart toegekend voor het onderhavige bezwaar, door hem becijferd op € 40,86.

3.7. Voor de andere drie bezwaren is - volgens de brief van 23 november 2009 - geen kostenvergoeding toegekend, evenwel blijkt uit het hogerberoepschrift dat voor de bezwaren betreffende de inkomstenbelasting in totaal € 218 is vergoed.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

2.3. In geschil is slechts of de toegekende proceskostenvergoeding juist is. De hoogte van de naheffingsaanslag, boete en heffingsrente zijn niet in geschil. Belanghebbende verzoekt hierbij om een kostenvergoeding van € 218 in bezwaar en € 436 in beroep.

2.4. In beginsel behoort de behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure tot de categorie gemiddeld tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. In dat laatste geval ligt het op de weg van degene die zich erop beroept om de afwijking te onderbouwen. De stellingen van de inspecteur, dat de gemachtigde slechts gereageerd heeft op het boekenonderzoek en niet op de aanslag en dat de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag een eenvoudig vast te stellen vergissing is, is een onvoldoende motivering waarom de onderhavige zaak, in afwijking van het uitgangspunt dat een zaak als “gemiddeld” moet worden aangemerkt als “licht” aangemerkt zou moeten worden.

2.5. Met betrekking tot de samenloop van zaken overweegt de rechtbank het volgende. Belanghebbende heeft naar aanleiding van een controlerapport op 19 oktober 2009 een brief geschreven waarbij hij in gaat op de in het rapport beschreven correcties voor de omzetbelasting en inkomstenbelasting. In verschillende brieven van 12 november 2009 heeft belanghebbende tegen de verschillende aanslagen bezwaar gemaakt. Nu de verschillende aanslagen (er is hier sprake van verschillende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en een naheffingsaanslag omzetbelasting) gebaseerd zijn op een andere juridische grondslag is er ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting geen nagenoeg identiek besluit en is er geen sprake van samenhangende zaken. Overigens kan er slechts met samenhangende zaken rekening gehouden worden indien en voorzover belanghebbende in die zaken (gedeeltelijk) in het gelijk wordt gesteld.

2.6. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken op een bedrag van € 218 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 218 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak). Nu belanghebbende al een kostenvergoeding van € 40,86 heeft ontvangen, resteert nog te vergoeden een bedrag van € 177,14.

2.7. De rechtbank vindt tevens aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van eerdergenoemd besluit vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten bedrage van € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). De totale proceskostenvergoeding wordt dus € 655 (waarvan € 40,86 al is betaald).

2.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In geschil is of de proceskostenvergoeding die de Inspecteur voor de behandeling van het bezwaar heeft toegekend voldoende is. Het geschil spitst zich toe op twee vragen, namelijk:

a) is samenhang - in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) - aanwezig met de bezwaren betreffende de inkomstenbelasting en heeft de Inspecteur, uitgaande van zodanige samenhang, terecht niet meer dan een evenredig gedeelte toegekend voor het bezwaar inzake de omzetbelasting; en

b) heeft de Inspecteur terecht wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak: licht) toegepast.

5.2. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bezwaar in de omzetbelasting los staat van de bezwaren betreffende de inkomstenbelasting, zodat van samenhang geen sprake is, en voorts dat het gewicht van de zaak ’gemiddeld’ is, met wegingsfactor 1.

5.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot bevestiging van zijn besluit de proceskostenvergoeding voor bezwaar te stellen op € 40,86 en subsidiair tot vaststelling van de proceskostenvergoeding op eenderde van € 218, ofwel € 73,67.

6.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep van € 850.

Beoordeling van het hoger beroep

Samenhang

7.1 De onderwerpelijke naheffingsaanslag in de omzetbelasting onderscheidenlijk de eveneens in het controleverslag aangekondigde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting zijn besluiten die vanwege een andere juridische grondslag niet als nagenoeg identieke besluiten in de zin van artikel 3, tweede lid van het Bpb zijn te beschouwen. Dit is niet anders indien aan die besluiten geheel of gedeeltelijk dezelfde feiten ten grondslag liggen. Mitsdien is geen sprake van samenhang in de zin van die bepaling. In zoverre is het oordeel van de rechtbank juist en faalt het hoger beroep.

Gewicht van de zaak

7.2. In het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, nummer 10/04238, LJN BT2293, waarin een klacht is behandeld over ’het gewicht van de zaak’ is het volgende overwogen:

”(…)

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de onder 1 bedoelde aanslag verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar.

3.1.2. De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend. Hij is bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding uitgegaan van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het [Bpb].

3.2.1. De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat de behandeling van een bezwaar in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), en dat het op de weg van de Inspecteur lag om afdoende te onderbouwen dat het gewicht van de zaak als zeer licht moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Rechtbank is de Inspecteur daarin niet geslaagd.

3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de Rechtbank geformuleerde regel geen steun vindt in het recht. Het Hof heeft in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak vooropgesteld dat iedere zaak op zichzelf moet worden beoordeeld naar aard, belang en ingewikkeldheid en omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden. Deze factoren dienen tot uitdrukking te komen in de voor die zaak te bepalen wegingsfactor, aldus het Hof. Kennelijk op basis van deze uitgangspunten, en derhalve op grond van zijn eigen beoordeling van de zwaarte van de zaak, heeft het Hof vervolgens in onderdeel 4.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25.

3.2.3. De klacht in cassatie houdt onder meer in dat de Rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd en dat het Hof de Rechtbank ten onrechte niet heeft gevolgd.

3.3.1. Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.2. Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe.

3.3.3. De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8-9:

’Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.’

De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:

’Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.’

3.3.4. Uit het in 3.3.2 en 3.3.3 vermelde volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig - op grond van een eigen waardering - dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Hiermee verdraagt zich niet de opvatting van de Rechtbank, die erop neerkomt dat het gewicht van een zaak wordt beoordeeld aan de hand van regels met betrekking tot stelplicht en bewijslast, en dat een zaak bij gebreke van voldoende onderbouwing door de partij die daarbij belang heeft, in de categorie gemiddeld wordt ingedeeld.

3.3.5. De klacht faalt derhalve.

3.3.6. Het in 3.3.4 overwogene behoeft overigens niet te verhinderen dat een beoordelende instantie in de regel tot de bevinding komt dat het gewicht van een zaak gemiddeld is.

(…)”

7.3. Uit de inhoud van de brief van 19 oktober 2009 van de gemachtigde van belanghebbende volgt dat de bezwaren inzake de inkomstenbelasting niet als ’licht’, doch ten minste als ’gemiddeld’ zijn aan te merken. Nu het Hof hiervoor in 7.1 heeft geoordeeld dat van samenhang tussen de bezwaren inzake de inkomstenbelasting en het bezwaar inzake de omzetbelasting geen sprake is, moet het gewicht van de zaak betreffende de omzetbelasting op de eigen merites worden beoordeeld. Zulks doende is het Hof van oordeel dat de desbetreffende zaak, uitgaande van de correcties voor de inkomstenbelasting, op zichzelf beschouwd eenvoudig was. Mitsdien heeft de Inspecteur terecht wegingsfactor 0,5 toegekend voor het gewicht van de zaak. In zoverre slaagt het hoger beroep.

Proceskosten in beroep

7.4. De rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en deze vastgesteld op € 437. De Inspecteur heeft hiertegen in hoger beroep geen grief gericht, zodat het Hof die beslissing in stand laat.

Slotsom

7.5. De uitspraak van de rechtbank kan niet in stand blijven. Beslist moet worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. De Inspecteur moet worden veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 109 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (zie 7.3), € 437 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (zie 7.4) en € 218,50 {1 punt à € 437 x 0,5 (gewicht van de zaak)} wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Omdat de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt van de Staat wegens het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing inzake het griffierecht,

- wijzigt het besluit van de Inspecteur inzake de proceskosten in bezwaar aldus, dat het bedrag van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 109,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 218,50.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 29 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.