Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2774

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
200.101.558
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De moeder wil dat een ruimere omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige wordt vastgesteld. De vader wil minder omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012

Zaaknummer : 200.101.558/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 11-1344

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.P. Lagerweij te Delft,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W. Hoebba te Amsterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

10 november 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 3 april 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 22 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De raad heeft bij brief van 9 mei 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Bij faxbericht van 6 juni 2012 is aan het hof meegedeeld dat de advocaat van de vader in verband met ziekte niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn.

De zaak is op 6 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- de vader.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is bepaald dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: Indien en voor zover de vader over eigen woonruimte beschikt heeft hij eenmaal per drie weken op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur de hierna te noemen minderjarige, bij zich, waartoe hij de minderjarige zal ophalen en weer terugbrengen bij de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder: de zorgregeling) ten aanzien van [de minderjarige], geboren op [datum] 2008 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige). De moeder heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarige, die door de vader is erkend. In zoverre dient naar de letter van de wet gesproken te worden omtrent het vast stellen van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige; immers het gaat hier om de toepassing van artikel 1:377a BW. Het hof volstaat met de constatering dat daar waar het woord zorgregeling staat gelezen dient te worden: omgangsregeling.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader de minderjarige bij zich zal hebben een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, met ingang van het tweede weekend na de dag waarop de ten deze te wijzen beschikking aan de vader zal zijn betekend, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vader in gebreke blijft aan de in deze te wijzen beschikking te voldoen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vader het hof, gelet op zijn financiële- en woonsituatie, de door de rechtbank Rotterdam vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat hij de minderjarige, indien en voor zover hij over eigen woonruimte beschikt, bij zich zal hebben eenmaal per vier weken op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur, waarbij hij de minderjarige zal ophalen en weer zal terugbrengen bij de moeder.

4. De moeder voert aan dat de zorg, die de vader op zich dient te nemen, te beperkt is. Zij wenst dat de vader een daadwerkelijk aandeel in de zorg levert. Hierdoor wordt zij ook enigszins ontlast en kan zij een opleiding volgen en quality time besteden aan haar zoon uit een andere relatie. Dat de vader geen werk heeft en in financieel opzicht niet voor de minderjarige kan zorgen – zoals de vader in eerste aanleg heeft gesteld – wordt door de moeder betwist, nu hij de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling diverse keren wegens werkzaamheden in het weekend niet is nagekomen. Verder betwist de moeder dat hij de minderjarigen niet kan huisvesten in verband met een dreigende huisuitzetting. Tot slot is de moeder van mening dat het opleggen van een dwangsom noodzakelijk is, omdat de vader de zorgregeling tot op heden niet heeft geëffectueerd.

5. De vader is van mening dat het niet in het belang van de minderjarige is de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling uit te breiden. Hij voert daartoe aan dat hij de minderjarige vanwege zijn financiële problemen geen stabiele woon- en leefomgeving kan garanderen. Ook is hij door zijn geringe draagkracht niet in staat op adequate manier zijn zorgplicht na te komen, aldus de vader.

6. Het hof overweegt het volgende. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

7. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarige niet is gediend met een wijziging van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Het hof overweegt daarbij dat de door de moeder verzochte zorgregeling thans niet haalbaar is in verband met de financiële situatie van de vader en zijn psychische klachten. Ook het verzoek van de vader om de zorgregeling te beperken tot eenmaal per vier weken op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur, acht het hof niet in het belang van de minderjarige. Deze frequentie van de zorgregeling is naar het oordeel van het hof onvoldoende om tussen de vader en de minderjarige een band op te kunnen bouwen en die te handhaven. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

8. Het hof ziet geen aanleiding aan de uitvoering van de zorgregeling een dwangsom te verbinden.

9. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Zander, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.