Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2762

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
200.103.037
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Wijze van tenuitvoerlegging: niet aan het hof ter beoordeling of vaststelling.

Positie van de vader: belanghebbende ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2012

Zaaknummer : 200.103.037/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-3140

1. [verzoekster],

hierna te noemen: de moeder, en

2. [verzoeker],

hierna te noemen: de stiefvader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: verzoekers,

advocaat mr. D.Th.J. van der Klei te 's-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.B. Baumgarten te 's-Gravenhage;

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg;

3. [de oom],

hierna te noemen: de oom, en

[de tante],

hierna te noemen: de tante,

beiden wonende te [woonplaats],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekers zijn gezamenlijk op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage.

De vader heeft op 6 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verzoekers: op 27 maart 2012 een brief van 26 maart 2012 met bijlage.

De raad heeft bij brief van 11 april 2012, ingekomen bij het hof op 12 april 2012, aan het hof laten weten ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 25 april 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- verzoekers, bijgestaan door hun advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw J.E. van der Sande namens de raad;

- mevrouw T. Khorrami namens Jeugdzorg;

- de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige) gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin van 5 december 2011 tot 5 juni 2012. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Vast staat dat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlening van de machtiging om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin van 5 december 2011 tot 5 juni 2012.

2. Verzoekers vragen (zo begrijpt het hof), zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging aan Jeugdzorg is verleend om de minderjarige bij een netwerkpleeggezin te plaatsen en het inleidende verzoek van de raad om Jeugdzorg een machtiging te verlenen om de minderjarige uit huis te plaatsen bij een netwerkpleeggezin, zijnde bij de pleegouders, alsnog af te wijzen, dan wel, subsidiair, Jeugdzorg te instrueren de minderjarige niet te plaatsen bij haar oom en tante (de pleegouders), noch bij haar grootouders, voor zover Jeugdzorg de minderjarige plaatst in een netwerkpleeggezin, kosten rechtens.

3. Verzoekers voeren daartoe – onder meer – het volgende aan. De moeder heeft een hechte en duurzame relatie met de stiefvader. Zij zijn in feite de ouders van de minderjarige. De vader heeft al tien jaar geen contact gehad met de minderjarige. De familieleden van de moeder keuren haar relatie met de stiefvader af. In het kader van de familieverwikkelingen is Jeugdzorg bij het gezin van de moeder betrokken. Uiteindelijk is de minderjarige bij de pleegouders geplaatst. Het is volgens de moeder en de stiefvader goed dat de minderjarige geen onderdeel van de familievete is en er niet dagelijks mee wordt geconfronteerd, maar de minderjarige is geplaatst bij “de vijand” in het familiegeschil. De kritiek en de houding van de pleegouders jegens de moeder en de stiefvader geven de minderjarige niet de rust die zij nodig heeft om uiteindelijk weer terug te kunnen keren naar de moeder en de stiefvader. De opvoeding die wordt gegeven door de pleegouders gaat tegen de wensen in van de verzoekers. De pleegouders dienen de minderjarige te behandelen als het tienjarige meisje dat zij is en niet als een kind dat bijna gelijk is aan de 30-jarige oude kinderen van henzelf. De voorkeur van verzoekers gaat uit naar een thuisplaatsing van de minderjarige. Mocht dit niet kunnen, dan zou plaatsing in een bestandpleeggezin de voorkeur hebben van verzoekers.

Ter zitting hebben verzoekers gesteld dat de rechtbank de vader niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat deze niet-ontvankelijkheid zich ook uitstrekt tot het hoger beroep. De vader heeft niet gegriefd tegen zijn niet-ontvankelijkheidsverklaring. Volgens verzoekers is het verweerschrift van de vader ook niet ontvankelijk omdat het te laat is ingediend. Verder heeft de vader nagelaten incidenteel hoger beroep in te stellen. Voorts heeft de moeder naar voren gebracht dat zij wenst dat de minderjarige bij haar terug wordt geplaatst. Zij is van mening dat zij samen met de stiefvader een stabiele omgeving kan bieden aan de minderjarige. Er zijn slechts incidenteel ruzies tussen haar en de stiefvader, aldus de moeder.

4. De vader bestrijdt het beroep en concludeert tot afwijzing van het appel, de minderjarige te plaatsen bij haar opa en oma dan wel bij hem thuis, althans op een plaats die dit hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Hij voert – kort samengevat – aan dat de thuissituatie bij de moeder nu en in de toekomst niet de juiste plek is om de minderjarige op te laten groeien. De vader zou graag zien dat zijn dochter opgroeit bij de pleegouders. Hij is van mening dat hij recht heeft om zijn mening te geven nu hij mede het gezag heeft over de minderjarige. Verder betwist hij de overige stellingen van verzoekers gemotiveerd.

Ten aanzien van de door verzoekers gestelde niet-ontvankelijkheid stelt de vader dat hij door het hof is uitgenodigd om zijn visie te geven op de zaak. De vraag of hij belanghebbende is, is hierdoor al gepasseerd. De vader hoefde geen incidenteel hoger beroep in te stellen. Hij is de biologische vader met gezag die zich met de minderjarige heeft bemoeid de afgelopen jaren. Daarom is hij belanghebbende in deze zaak, aldus de vader.

5. Jeugdzorg heeft ter zitting het volgende verklaard. De minderjarige heeft rust, stabiliteit, en structuur nodig. De moeder is niet in staat om die de minderjarige te bieden. De minderjarige ervaart in het contact met volwassenen geen rust en veiligheid. De woning van de moeder zag er ten tijde van de uithuisplaatsing verwaarloosd uit. Ook waren en zijn er regelmatig ruzies tussen de moeder en de stiefvader. Het netwerkberaad is niet op gang gekomen omdat de familie niet met elkaar om de tafel wil zitten. Daarnaast brengt de moeder de stiefvader bij iedere afspraak mee, terwijl het vaak de bedoeling is dat de moeder alleen komt. Ook maakt de moeder soms een verwarde indruk en lijkt zij zeer beïnvloedbaar. Zij zou hulp moeten zoeken voor haar eigen problematiek. Verder is het voor de moeder moeilijk om gemaakte afspraken na te komen. Zo is het al verschillende keren voorgekomen dat de minderjarige na haar bezoek aan de moeder alleen terug naar de pleegouders is gegaan, terwijl was afgesproken dat de moeder de minderjarige zou brengen. Ook heeft de minderjarige al een paar keer op het afgesproken tijdstip voor een gesloten deur gestaan bij de moeder. De minderjarige is zo meerdere keren teleurgesteld. De moeder handelt niet in het belang van de minderjarige en kan volgens Jeugdzorg niet voor de minderjarige zorgen. Jeugdzorg heeft besloten om de uithuisplaatsing bij de pleegouders te continueren en er een definitieve plaatsing van te maken, tenzij de moeder zich houdt aan de gemaakte afspraken. De minderjarige heeft zelf gezegd dat zij bij de pleegouders wil blijven wonen en dat zij de moeder af en toe wil bezoeken.

Ten aanzien van de vader stelt Jeugdzorg dat de minderjarige, zonder daarbij te zijn begeleid door Jeugdzorg, kennis heeft gemaakt met de vader bij de pleegouders thuis. Jeugdzorg is niet blij met die gang van zaken omdat de minderjarige daardoor in de war is geraakt. Zij krijgt gelukkig voldoende emotionele steun van de pleegouders.

6. De pleegouders hebben gesteld dat de moeder zelf naar hen toe is gekomen voor hulp na het verbreken van haar relatie. Ook hebben zij, toen de moeder ging studeren en later ging werken, vaak op de minderjarige gepast. Sinds de minderjarige een baby was, gebeurde dat al. Ook de moeder kwam vaak bij de pleegouders over de vloer. De pleegouders zijn van mening dat een kind bij de eigen ouders dient op te groeien, maar dat dit dan wel in een veilige en vertrouwde omgeving dient te gebeuren. Niet gebleken is dat de moeder een dergelijke omgeving kan bieden, aldus de pleegouders.

Vader als belanghebbende

7. Het hof overweegt ten aanzien van de hoedanigheid van de vader als belanghebbende als volgt. Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof niet dat de vader niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank. De rechtbank heeft bepaald dat de vader niet moet worden aangemerkt als belanghebbende. Het hof heeft een eigen bevoegdheid om iemand aan te merken als belanghebbende. Het hof heeft gezien het feit dat de vader de biologische vader is die mede met het gezag over de minderjarige is belast, de vader aangemerkt als belanghebbende. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen kan verder in het midden blijven.

Machtiging uithuisplaatsing

8. Het hof overweegt als volgt.

9. Een machtiging tot uithuisplaatsing mag slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

10. Uit de stukken, met name het raadsrapport van 3 november 2011, en het verhandelde ter zitting bij het hof is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is een stabiel opvoedingsklimaat voor de minderjarige te scheppen. Er is bij de minderjarige sprake van emotionele verwaarlozing door herhaalde verbreking en verstoring van emotionele banden. Een langdurige, warme en betrokken emotionele band tussen primaire opvoeders (ouders, verzorgers of nabije volwassenen) en een kind is een voorwaarde voor een veilige en stabiele opvoeding en daardoor ook de belangrijkste voorwaarde voor een evenwichtige ontwikkeling van kind tot mens, aldus de raad. Het gebrek aan een stabiele en evenwichtige basis van vertrouwen en liefde, schept op den duur onveiligheid. In de situatie van de minderjarige bij de moeder thuis is geen sprake van een stabiele, gestructureerde en veilige omgeving voor de minderjarige. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er geregeld ruzies zijn tussen verzoekers. Ook is er strijd tussen de pleegouders van de minderjarige en de moeder over gebeurtenissen in het verleden, waardoor – onder meer – het gewenste familieberaad niet tot stand is gekomen. Verder is de moeder kennelijk niet in staat om afspraken na te komen en heeft Jeugdzorg geconstateerd dat de woning van de moeder verwaarloosd is. De minderjarige is teleurgesteld in de moeder doordat zij de gemaakte afspraken niet nakomt. Zij is in de war door de hele situatie. Dit wordt nog eens versterkt door de plotselinge komst van de vader in het leven van de minderjarige waardoor de emotionele belasting van de minderjarige alleen maar is toegenomen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de minderjarige bij de moeder niet de rust, stabiliteit en structuur krijgt die zij nodig heeft voor een gezonde ontwikkeling. Zij krijgt deze rust, stabiliteit en structuur op dit moment wel bij de pleegouders. De verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing is dan ook noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

11. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van verzoekers overweegt het hof dat de zorgaanbieders volgens de Wet op de jeugdzorg verantwoordelijk zijn voor de concrete invulling van de uithuisplaatsing waarvoor de machtiging is afgegeven en dat het hof derhalve niet mag bepalen waar de verleende machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd.

Het subsidiaire verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

12. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

13. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, De Haan-Boerdijk en Burgerhart, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.