Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2127

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
22-000364-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van poging tot doodslag en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/186

Uitspraak

Rolnummer: 22-000364-11

Parketnummer: 10-660240-05

Datum uitspraak: 25 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1980,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 26 januari 2009 is - met vernietiging van het vonnis waarvan beroep - de verdachte ter zake van ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde als nader omschreven in voornoemd arrest.

Tegen dit arrest is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 11 januari 2011 voormeld arrest vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, teneinde de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 13 november 2005 te Krimpen aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes heeft gestoken in de borst, althans het (boven) lichaam van die [benadeelde partij] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 november 2005 te Krimpen aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes heeft gestoken in de borst van die [benadeelde partij] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het bewezen verklaarde is ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien er sprake was van een noodweerexces situatie.

In dit verband gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het slachtoffer is op 13 november 2005 's nachts door een openstaande deur de woning van de verdachte binnen gelopen. De verdachte heeft, nadat hij werd geconfronteerd met de voor hem onbekende indringer, het slachtoffer via het balkon zijn woning uitgewerkt, waarbij het slachtoffer via een aan het balkon bevestigd trapje op de begane grond terecht is gekomen.

Vervolgens heeft de verdachte, terwijl hij zich nog op het balkon bevond, een shagje uit de handen van het slachtoffer gerukt. Hierop werd het slachtoffer boos en is hij weer het trapje van het balkon opgeklommen en naar de verdachte toegelopen. Vervolgens vond tussen de verdachte en het slachtoffer wederom een worsteling plaats, waarbij ze beiden weer in de woning van de verdachte terechtkwamen. In zijn woning heeft de verdachte het slachtoffer in een heupzwaai genomen, waardoor het slachtoffer op de grond viel. Terwijl het slachtoffer vervolgens doende was om weer overeind te komen, heeft de verdachte - staande bij zijn bureau - een mes van dat bureau gepakt en het slachtoffer daarmee éénmaal in de borst gestoken.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat weliswaar tweemaal sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het slachtoffer (waartegen de verdachte zich ook heeft verdedigd) en daarmee van een noodweersituatie, maar dat deze, toen het slachtoffer eenmaal op de grond was gevallen terwijl de verdachte nog overeind stond, was beëindigd. Dat de verdachte naar eigen zeggen 'opgesloten' zat tussen de muur en het slachtoffer kan, wat daarvan ook zij, aan dat oordeel niet afdoen.

Het hof stelt voorts vast dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook sprake kan zijn indien, zoals in het onderhavige geval, op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat.

Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, was geschrokken van de aanwezigheid van het slachtoffer in zijn woning, nu het slachtoffer, dat boos op hem was afgekomen, 'een beer van een kerel' was die niet voor rede vatbaar bleek. Voorts acht het hof het aannemelijk dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, in paniek is geraakt omdat hij meende dat het slachtoffer weer overeind kwam en in die toestand het mes heeft gegrepen en niet heeft nagedacht toen hij het slachtoffer stak. Het hof acht hierbij van belang dat de handelingen zich zeer snel hebben opgevolgd.

Het hof neemt bij het oordeel over de gemoedstoestand van de verdachte verder in aanmerking hetgeen is overwogen in het psychologisch rapport d.d. 5 april 2006 van de psycholoog drs. J.J. van der Weele. Deze deskundige komt tot de conclusie dat de verdachte een man is die moeilijk bestand is tegen onrust en rumoer in zijn omgeving en die bij onverwachtheden al snel uit zijn evenwicht raakt. Vanwege zijn aanmerkelijke beperkingen om zich op adequate wijze in een dergelijke onverwachte situatie te gedragen is betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat het bewezen verklaarde het onmiddellijk gevolg is geweest van een bij de verdachte ontstane hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de voornoemde, daaraan voorafgaande, wederrechtelijke aanranding. Het hof is - mede gelet op genoemd psychologisch rapport - voorts van oordeel dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van de verdachte.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat aan de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

De verdachte is derhalve ter zake van het bewezen verklaarde niet strafbaar en moet dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. D. Jalink en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 april 2012.

Mr. P.H. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.