Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2125

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
22-005529-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (drugsverkoop) heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005529-11

Parketnummer: 10-652585-11

Datum uitspraak: 24 mei 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1996,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Salduz-verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte -overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota- betoogd dat de verklaringen van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Voor de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de pleitnota is vermeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat de uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 september 2011 blijkt dat de verdachte heeft aangegeven gebruik te willen maken van zijn consultatierecht en van verhoorbijstand door een toegewezen raadsman/vrouw. Uit het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 september 2011 blijkt dat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde strafbare feit de gelegenheid is geboden om een advocaat te raadplegen. Uit dit proces-verbaal blijkt echter dat de verdachte geen bijstand van zijn advocaat heeft gehad gedurende het verhoor door de politie, terwijl niet blijkt dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand. Dit levert een vormverzuim op.

Gelet op het feit dat het hof de verdachte zal vrij spreken van het hem ten laste gelegde en nog daargelaten dat de verdachte bij de politie steeds ontkennend heeft verklaard, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van voornoemd verzuim.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte -overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota- betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat in de onderhavige strafzaak sprake is van pseudokoop dan wel pseudodienstverlening en niet is voldaan aan de vereisten van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van schending van de artikelen 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR), nu de sector strafrecht van dit gerechtshof een gezamenlijke administratie heeft met het ressortsparket te 's-Gravenhage.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats in het geval dat een vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2011 blijkt dat op een aantal wegen in Rotterdam, waaronder de Schieweg, drugsrunners actief zijn. De betrokken verbalisanten rijden met behulp van een lokauto de Schieweg af teneinde de aandacht van opererende drugsrunners te trekken. Bij constatering van strafbare overtredingen wordt er overgegaan tot aanhouding. Voor deze werkwijze is toestemming van een officier van justitie gegeven.

Op 15 september 2011 bevinden de betrokken verbalisanten zich in de lokauto op de Bergweg te Rotterdam, kennelijk op weg naar het gebied waar de drugsrunners actief zijn en waar de toestemming van de officier van justitie op ziet. De verdachte en zijn medeverdachte komen op de lokauto af en zeggen tegen de verbalisanten: "Bussnes?". Op de vraag van de verbalisanten wat de jongens hiermee bedoelen antwoorden de verdachte en diens medeverdachte: "Cocaïne?" Wanneer hen wordt gevraagd hoeveel zij hebben antwoorden de jongens: "veel, veel, veel".

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat nu de betrokken verbalisanten, op weg naar hun "werkgebied", zijn gaan optreden, in het kader van de bestrijding van drugsrunners, pas nadat zij door de verdachte en medeverdachte werden aangesproken, niet gesproken kan worden van een handelwijze van de betrokken verbalisanten die een ernstige inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het hof is voorts van oordeel dat indien in de onderhavige zaak sprake zou zijn van pseudokoop dan wel pseudodienstverlening en aan de eisen van artikel 1261 van het Wetboek van Strafvordering niet zou zijn voldaan, dit in het onderhavige geval evenmin zou leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie, doch tot een eventuele uitsluiting van het aldus verkregen bewijs. Nu het hof de verdachte van het ten laste gelegde hierna zal vrijspreken behoeft evenwel naar oordeel van het hof voormeld verweer geen verdere bespreking.

Voor wat betreft de schending van artikelen 6 EVRM,

14 IVBPR en 40 IVRK door het voeren van een gezamenlijke administratie met het ressortsparket overweegt het hof als volgt.

Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de strafsector van dit hof en het ressortsparket een gezamenlijke administratie voeren, waarvan noch individuele leden van het hof en de aan het hof verbonden griffiers, noch individuele leden van het openbaar ministerie en hun parketsecretarissen deel uitmaken en die is ingericht ten behoeve van een efficiënt beheer van het dossier en de op een dossier betrekking hebbende correspondentie, alsmede ten behoeve van een adequate en efficiënte zittingplanning, niet af doet aan de strikte scheiding van functies tussen de zittende en de staande magistratuur als bedoeld in de door de verdediging genoemde verdragsbepalingen. Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van een schending van voornoemde artikelen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Onrechtmatige aanhouding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota- betoogd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geschied. Voor de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de pleitnota is vermeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover de raadsman van de verdachte heeft beoogd te betogen dat de onrechtmatige aanhouding van de verdachte dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, verwijst het hof naar hetgeen het hof daaromtrent onder het kopje "ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" heeft opgenomen in de alinea die begint met "Het hof stelt voorop dat". Indien al sprake zou zijn van een onrechtmatige aanhouding van de verdachte is het hof van oordeel dat dit geen vormverzuim oplevert dat zou leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte nu niet gesproken kan worden van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Voor zover de raadsman van de verdachte heeft beoogd te betogen dat de beweerde onrechtmatige aanhouding van de verdachte dient te leiden tot uitsluiting van het uit die aanhouding voortvloeiende bewijs en daarmee tot vrijspraak van de verdachte, is het hof van oordeel dat dit verweer geen bespreking behoeft nu de verdachte wordt vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- (zich) (gedurende langere tijd) opgehouden en/of heen en weer gelopen, en/of

- de inzittende(en) van een auto met Duitse kentekenplaten aangesproken, en/of

- die inzittende(n) de woorden "Bussness?" en/of "Cocaïne?" en/of "Veel, veel, veel" toegevoegd;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen door de verdediging is betoogd- niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe dat op grond van het onderliggende strafdossier niet valt vast te stellen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het plegen van het onder 1 ten laste gelegde feit, nu niet valt uit te sluiten dat de verdachte en diens medeverdachte hebben gehandeld "als grap", of "omdat het spannend was", zoals door de verdachte is verklaard. Het hof heeft hierbij alle omstandigheden in samenhang in aanmerking genomen waaronder met name dat de verdachte en zijn medeverdachte jong zijn, ten tijde van het feit 14 c.q. 15 jaar. Daarnaast gebeurde het ten laste gelegde feit aan het begin van de avond niet heel ver van het woonadres van de verdachte en de medeverdachte, is bij geen van beiden geld of drugs aangetroffen en hebben zij geen (relevant) strafblad.

Nu het hof reeds om bovengenoemde reden heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit, behoeft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de gevolgde opsporingsmethode geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. T.L. Tan, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 mei 2012.