Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2039

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
22-004896-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding. De verdachte heeft geen gevolg gegeven aan een verkeersteken van de politie dat een gebod of verbod inhoudt. Tevens heeft hij de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur overschreden.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,- (elf honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis. Daarnaast wordt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 22 (tweeëntwintig) weken ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004896-10

Parketnummer: 10-061239-10

Datum uitspraak: 29 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 23 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1962,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 maart 2010 te Barendrecht als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van de bijlage I van het Reglement verkeersregels 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 188 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 maart 2010 te Barendrecht als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van de bijlage I van het Reglement verkeersregels 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte weliswaar op 17 maart 2010 op de A15 te Barendrecht te hard heeft gereden, doch dat hij de aldaar geldende maximumsnelheid niet met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden. Zulks dient tot vrijspraak te leiden, aldus de raadsvrouw. Eén en ander overeenkomstig de door de raadsvrouw overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof gaat, gegeven het onderzoek ter terechtzitting en gezien de processtukken, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verbalisanten constateren op 17 maart 2010 dat er op de autosnelweg A15 in de gemeente Barendrecht tegelijkertijd twee snelheidsovertredingen, te weten door een motorfiets en door een personenauto plaatsvinden. Beide snelheidsovertreders kwamen uit de richting van Ridderkerk en reden richting Europoort. De verbalisanten besluiten eerst beide snelheidsovertreders in een onopvallend surveillancevoertuig te achtervolgen, maar besluiten niet veel later alleen de motorfiets te achtervolgen en de personenauto via het kenteken te bekeuren. De motorfiets blijft tijdens de achtervolging te hard rijden. Na enkele minuten wordt aan de bestuurder van de motorfiets een stopteken gegeven. De motorfiets werd bestuurd door de verdachte. Van de achtervolging zijn camerabeelden opgenomen door een camera die zich in het surveillancevoertuig (hierna: volgvoertuig) bevond. Op die beelden worden tevens de tijd en (met een geijkte snelheidsmeter) de snelheid van het volgvoertuig in kilometers per uur weergegeven.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2012 zijn de camerabeelden van bovengenoemde achtervolging getoond.

Het hof heeft bij die gelegenheid zelf het volgende waargenomen:

De beelden starten om 20:47:14 uur. De surveillanten rijden op dat moment met hun volgvoertuig de A15 op. Om 20:47:33 uur komt de verdachte, rijdend op zijn motorfiets, in beeld. De snelheid van het volgvoertuig bedraagt op dat moment 85 kilometer per uur. De snelheid van de verdachte is aanzienlijk hoger, hetgeen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de motorfiets van verdachte snel en steeds verder uitloopt op het volgvoertuig. Op 20:47:45 uur wordt het beeld op de verdachte ingezoomd. Op 20:47:56 uur is de andere snelheidsovertreder, de personenauto, zichtbaar op de camerabeelden. Om 20:48:19 uur is te zien dat de verdachte bij de naderende splitsing van de A15/A29 naar rechts opschuift en de A15 blijft volgen. De andere snelheidsovertreder neemt links de A29 en raakt uit beeld. De snelheid van het volgvoertuig bedraagt op dat moment 177 kilometer per uur. Te zien is dat het volgvoertuig niet inloopt op de door de verdachte bestuurde motorfiets. Om 20:48:33 uur bedraagt de snelheid van de volgauto 172 kilometer per uur. De snelheid van het volgvoertuig is nog steeds niet hoger dan de snelheid van de motorfiets van de verdachte, hetgeen kan worden afgeleid aan het - minimaal gelijkblijvende - aantal wegstreepjes tussen de verdachte en volgauto. Om 20:49:55 uur bedraagt de snelheid van het volgvoertuig 196 kilometer per uur. Mede gelet op de omstandigheid dat er op dat moment gefilmd wordt in een bocht, valt niet op te maken hoe de snelheid van de verdachte ten opzichte van de volgauto is. Om 20:50:00 uur bedraagt de snelheid van het volgvoertuig 199 kilometer per uur en loopt dit voertuig licht in op de verdachte. Het hof bezigt zijn eigen waarneming tot het bewijs.

Het hof heeft aan de hand van bovenschreven camerabeelden weliswaar niet kunnen vaststellen met welke snelheid de verdacht exact heeft gereden over de A15, doch wel dat de verdachte de aldaar geldende maximumsnelheid minstgenomen met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden. Immers, het hof heeft zelf waargenomen dat het volgvoertuig - rijdend met geijkte snelheden van respectievelijk 172 en 177 kilometer per uur reed, alwaar een maximale snelheid van 100 kilometer per uur was toegestaan - en daarbij niet inliep op de verdachte, terwijl zulks wel het geval zou zijn geweest indien de verdachte de maximumsnelheid met 40 kilometer per uur of minder zou hebben overschreden.

Het hof overweegt voorts dat uit het vorenoverwogene valt op te maken dat de verdachte zich kennelijk niet heeft laten beïnvloeden door zijn wetenschap dat de banden van de motorfiets een maximale rijsnelheid van 160 kilometer per uur konden verdragen.

De stelling van de verdediging dat pas achteraf van de snelheidsmeting gebruik is gemaakt, doet naar 's hofs oordeel niets af aan de geldigheid en/of bruikbaarheid van de beelden, die het hof met eigen ogen ter zitting heeft kunnen waarnemen.

Wat er tenslotte ook van zij van het standpunt van de raadsvrouw dat er sprake is van onjuistheden/ onzorgvuldigheden in het nadien opgemaakte proces-verbaal door bovenbedoelde verbalisanten (nr. PL2617 2010012932-1), de verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, gelet op de omstandigheid dat het hof niet voornoemd proces-verbaal, maar de eigen waarneming tot het bewijs bezigt.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit. Het hof verwerpt de verweren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.100,-, subsidiair 22 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, gevorderd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding. Daarmee heeft hij blijk gegeven van een grove veronachtzaming van een in het verkeer geldende wettelijke regel die ter waarborging van de verkeersveiligheid is gegeven. Het hof neemt het de verdachte daarenboven kwalijk dat hij, ten tijde van het begaan van de overtreding, werkzaam was bij het arrestatieteam van de politie en hij daarom nog beter dan de gemiddelde Nederlander het laakbare van zijn handelen had moeten inzien. Juist van een politieambtenaar zijn dergelijke gedragingen schokkend.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte, naar aanleiding van het ten laste gelegde, reeds disciplinair door zijn toenmalige werkgever is geschorst alsook met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2012 niet eerder wegens het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof heeft voorts bij de bepaling van de op te leggen straf ambtshalve geconstateerd dat in de onderhavige strafzaak op 28 september 2010 hoger beroep is ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 1 september 2011 - meer dan acht maanden na het instellen van hoger beroep - ter griffie van het hof binnengekomen. De verstreken tijd wettigt de conclusie dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de voortvarende behandeling in hoger beroep, kan, naar het oordeel van het hof, de totale procesduur overziend, evenwel met de enkele constatering van deze schending worden volstaan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte alsook een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na de melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,- (elf honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 22 (tweeëntwintig) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 16 (zestien) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,

mr. M. Moussault en mr. P.M. Schuyt, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juni 2012.

Mr. P.M. Schuyt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.