Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1652

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.100.185-01 en 200.106.141-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats; vervangende toestemming tot verhuizing kinderen; zorgregeling; schoolkeuze;bevoegdheid hof middels prorogatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummers : 200.100.185/01 en 200.106.141/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-764

In de zaak met het zaaknummer 200.100.185/01

[de vader],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

In de zaak met het zaaknummer 200.106.141/01

[de moeder],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verzoekster in prorogatie,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verweerder in prorogatie,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is, in beide zaken, aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is, in beide zaken, in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam, ingeschreven bij het hof onder het zaaknummer 200.100.185/01.

De moeder heeft op 22 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 9 februari 2012 een brief van 2 februari 2012 met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 30 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 23 februari 2012 een ongedateerde brief;

- op 15 maart 2012 een brief van 9 maart 2012 met bijlagen;

- op 3 april 2012 een brief van 2 april 2012 met bijlage.

De zaak is op 11 april 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw W. van Driessche en mevrouw C. van Nieuwenhuizen (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- de heer F. Dekkers, namens de raad.

Van deze zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Nadien hebben partijen, volgens afspraak ter zitting, het hof bij brieven (met bijlagen) van 1 mei 2012 schriftelijk verzocht om bij wijze van prorogatie het in eerste aanleg door de moeder gedane verzoek - om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met de minderjarigen - te behandelen en af te doen. Laatstbedoeld verzoek is bij het hof ingeschreven onder het zaaknummer 200.106.141/01.

Voorts is bij het hof ingekomen:

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 4 mei 2012 een brief van 2 mei 2012.

De mondelinge behandeling is op 30 mei 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw W. van Driessche en mevrouw C. van Nieuwenhuizen (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- de heer F. Dekkers, namens de raad.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 22 juni 2011.

Bij bestreden beschikking is:

- het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen afgewezen;

- het zelfstandig verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdige gezag over de minderjarigen afgewezen;

- bepaald dat de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vanaf de kerstvakantie van 2011 zonder begeleiding eenmaal per veertien dagen bij de vader zullen zijn van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 18:00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, waarbij de vader de minderjarigen vrijdagmiddag uit school haalt en de moeder de minderjarigen op zondagavond bij de vader ophaalt.

De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De behandeling van het zelfstandige verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige sub 1], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats], en

- [minderjarige sub 2], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats];

(hierna afzonderlijk te noemen: [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] en gezamenlijk: de minderjarigen);

- Bij beschikking van 15 februari 2010 van de rechtbank Rotterdam is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts zijn, onder meer, de door partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op 29 december 2009 door partijen ondertekende ouderschapsplan (verder: het ouderschapsplan) in die beschikking opgenomen en aan die beschikking gehecht. In dit ouderschapsplan zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat partijen de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen in onderling overleg zullen vaststellen;

- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uit;

- Bij beschikking van 12 oktober 2011 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.

In de zaak met het zaaknummer 200.106.141/01:

BEVOEGDHEID

1. Partijen zijn ter zitting van 11 april 2012 overeengekomen dat zij het geschil omtrent het verzoek van de moeder tot verkrijging van vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats B] bij wijze van prorogatie aan het hof ter behandeling en beslissing willen voorleggen. Zulks is – door beide partijen afzonderlijk – op 1 mei 2012 schriftelijk bevestigd.

2. Het hof acht zich bevoegd van het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing kennis te nemen, nu het een voor hoger beroep vatbaar geschil betreft dat ter vrije bepaling van partijen staat en waarvoor in eerste aanleg de rechtbank Rotterdam bevoegd zou zijn geweest.

In beide zaken voorts:

BEOORDELING

3. In geschil zijn:

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen;

- de vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar [plaats B];

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen (verder: de zorgregeling).

- de vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarigen op de [basisschool X] in [plaats B] en/of [basisschool Y] in [plaats B].

4. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn en subsidiair te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn aldus dat de minderjarigen elk weekend van vrijdag na school tot maandagochtend alsmede gedurende de helft van alle feestdagen en van alle schoolvakanties bij hem zullen verblijven.

5. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidende verzoek, dan wel de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen. Tevens verzoekt zij het hof om haar vervangende toestemming te verlenen om (i) met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats B] en (ii) de minderjarigen in te schrijven op [basisschool X] in [plaats B] en/of [basisschool Y] in [plaats B]. Een en ander met veroordeling van de vader in de kosten van beide procedures.

6. De vader verzet zich tegen het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming tot verhuizing.

7. Het hof ziet aanleiding om beide zaken gezamenlijk te behandelen en overweegt als volgt.

8. Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder geschillen omtrent de verblijfplaats van het kind en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. (vergelijk: Hoge Raad 25 april 2008, LJN: BC5901).

Hoofdverblijfplaats

9. De vader is in tegenstelling tot de rechtbank van mening dat er wel degelijk gegronde redenen zijn om te komen tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, aldus dat deze voortaan bij hem zal zijn. Gelet op de zorgelijke signalen die hij van de minderjarigen heeft ontvangen nadat de moeder een nieuwe partner kreeg en de herhaaldelijk door hen geuite wens om bij hem te komen wonen, is de vader van mening dat de minderjarigen er het meest gebaat bij zouden zijn indien, zoals partijen ook al eerder zijn overeengekomen, hun hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald. Volgens de vader blijkt ook uit de inhoud van het raadsrapport van 13 september 2011 dat de minderjarigen last hebben van de (gewijzigde) situatie bij de moeder. Uit dit rapport alsmede uit de bestreden beschikking blijkt volgens de vader bovendien dat de minderjarigen en anderen (al dan niet op incidentele basis) door de moeder worden geslagen, hetgeen maakt dat hij zich zorgen maakt over de veiligheid van de minderjarigen. In de conclusie van de raad, dat de doorslaggevende factor om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder te bepalen is dat er bij de moeder geen specifieke zorgen in de opvoedingsomgeving naar voren komen die doen besluiten om de opvoedingsomgeving te wijzigen, kan de vader zich gelet op het voorgaande en de algehele strekking van het raadsrapport dan ook volstrekt niet vinden. Wanneer de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem wordt bepaald, zal er meer rust voor de minderjarigen komen, aldus de vader.

10. De moeder verweert zicht daartegen als volgt. Indien en voor zover de minderjarigen de wens hebben geuit om bij hun vader te wonen, dan vloeit dit voort uit het loyaliteitsconflict waarin zij zich bevinden. De uitspraken ten aanzien van de stiefvader zoals vermeld in het raadsrapport, die door de vader worden aangehaald, moeten niet zo letterlijk worden genomen. Bovendien is het de vraag in hoeverre de verklaringen van de minderjarigen daadwerkelijk als hun eigen gevoelens en wensen kunnen worden beschouwd, aldus de moeder. Zij kan zich niet aan de indruk ontrekken dat de vader tegen de minderjarigen kwaadspreekt over haar partner. Het loyaliteitsconflict wordt hiermee verder gevoed. De vermoedelijke angst van de vader dat zij haar partner een grotere vaderrol wil geven is onterecht. Zij wil de minderjarigen ook niet bij de vader weghouden. Verder is onjuist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarigen. Voor zover zij al onder ongeoorloofde druk van de vader hiermee zou hebben ingestemd, wil dit nog niet zeggen dat dit moet worden gehonoreerd. Het belang van de minderjarigen dient voorop te staan. Ook de insinuaties dat zij gewelddadig zou zijn, zijn ver bezijden de waarheid zodat daarop geen acht dient te worden geslagen. Anders dan een noodzakelijke opvoedkundige tik aan de minderjarigen en het incident met de vader heeft zij nooit iemand geslagen. Bovendien is er dankzij de hulp van het opvoedbureau thans minder reden om de minderjarigen te straffen. Het voorgaande is dan ook geen reden om te twijfelen aan de veiligheid bij haar thuis. Ook de raad is gelet op zijn advies kennelijk van oordeel dat zij de minderjarigen de veiligheid en stabiliteit kan bieden die zij nodig hebben. Het is nog maar de vraag of de vader de minderjarigen een stabiele thuissituatie kan bieden. De vader ontvangt schuldhulpverlening. Daarnaast is de aan de vader toegewezen woning in [plaats] te klein voor de minderjarigen. Ook heeft de vader een fulltime baan en treedt hij in het weekend vaak op als muzikant. Gelet hierop vraagt de moeder zich af hoe hij de zorg voor de minderjarigen op zich moet nemen. Verder is van belang dat gelet op het raadsrapport de vader zich vermoedelijk minder snel aan de zorgregeling zal houden. De moeder stelt voorts vraagtekens bij de opvoedkundige kwaliteiten van de vader. Hij lijkt de ernst van het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen zich bevinden niet in te zien.

11. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof – evenals de rechtbank – van oordeel dat er geen termen aanwezig zijn om verandering te brengen in de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. De raad heeft onderzoek gedaan naar de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de minderjarigen is en daarbij de situaties van beide ouders tegen elkaar afgewogen. In zijn rapport van 13 september 2011 adviseert de raad om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder te bepalen. Overwogen wordt dat er bij beide ouders voor- en nadelen zijn voor de minderjarigen. De doorslaggevende factor om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij moeder te bepalen is volgens de raad dat bij de moeder geen specifieke zorgen in de opvoedingsomgeving naar voren komen die doen besluiten de opvoedingsomgeving te wijzigen. De moeder biedt volgens de raad goede zorg en staat omgang met de vader toe. Ook zoekt zij adequate hulp voor de minderjarigen en haarzelf. De raad heeft ter zitting van het hof verklaard dit advies te handhaven. Ook Jeugdzorg meent dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder moet blijven. Het hof ziet geen aanleiding om aan deze adviezen voor bij te gaan. De door de vader aangevoerde argumenten voor wijziging van de hoofdverblijfplaats zijn door de moeder gemotiveerd betwist en de juistheid daarvan is ook anderszins onvoldoende aan het hof gebleken. Bovendien lijken de minderjarigen steeds beter te kunnen omgaan met de situatie zoals die is ontstaan na de scheiding en de komst van de nieuwe partner van de moeder. Het hof is dan ook van oordeel dat het handhaven van de hoofdverblijfplaats bij de moeder in het belang van de minderjarigen is.

Vervangende toestemming verhuizing

12. De vader verzet zich tegen de voorgenomen verhuizing van de moeder. Zijns inziens valt – kort gezegd – niet in de zien waarom zijn belangen en die van de minderjarigen onder de gegeven omstandigheden dienen te wijken voor die (van de partner van) de moeder. Voorts meent hij dat het advies van Jeugdzorg over de verhuizing zonder gedegen onderzoek tot stand is gekomen. Niet duidelijk is hoe de belangen van de minderjarigen zijn afgewogen. Uit de brief van Jeugdzorg van 9 maart 2012 blijkt dat de minderjarigen in het gesprek met de gezinsvoogd hebben aangedrongen op het directe vertrek van de stiefvader. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige sub 1] bij de moeder thuis brutaal is en agressief kan reageren en dat hij aan de moeder kenbaar heeft gemaakt te zullen weglopen als hij naar [plaats B] moet verhuizen. Jeugdzorg heeft geen verder onderzoek gedaan naar deze kindsignalen, aldus de vader. Dat Jeugdzorg onvoldoende zorgvuldig met deze zaak omgaat blijkt volgens de vader ook uit het feit dat de plannen van aanpak door de gezinsvoogd hoofdzakelijk op basis van dossierstudie zijn opgemaakt en (door tijdgebrek) niet met de ouders zijn besproken. De vader acht het, gelet op het voorgaande, raadzaam dat alsnog een gedegen onderzoek zal plaatsvinden naar de wenselijkheid van de voorgenomen verhuizing van de vrouw. Een en ander bezien vanuit de belangen van de minderjarigen. Op het advies van Jeugdzorg dient geen acht te worden geslagen.

13. De moeder wijst erop dat in dit soort zaken de hoofdregel is dat het de moeder, bij wie de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft, is toegestaan met de minderjarige te verhuizen. Indien het verzoek enkel op grond van deze regel niet zal worden toegewezen, dient volgens de moeder een belangenafweging plaats te vinden. De raad en Jeugdzorg hebben een dergelijke belangenafweging gemaakt en concluderen beiden dat een verhuizing in het belang van de minderjarigen is. De voornaamste reden voor de verhuizing is de economische gebondenheid van haar partner aan de regio Amsterdam. Daarnaast is van belang dat de minderjarigen er qua woonomgeving en woonruimte op vooruit gaan. Voorts stelt de moeder dat zij de kinderen niet bij de vader weg wil houden, maar dat het voor de rust in het gezin belangrijk is dat de afstand tussen de vader en haar wordt vergroot. De vader heeft haar gestalkt en nog steeds voelt zij zich onveilig. Dit heeft zijn weerslag op de minderjarigen. Ook hoeven de minderjarigen door de verhuizing niet meer bang te zijn voor de reactie van de vader als hij hen met haar partner ziet, welke angst het loyaliteitsconflict van de minderjarigen alleen maar voedt, aldus de moeder. De moeder wijst er verder nog op dat ook de raad onderkent dat zij door de verhuizing beter in haar vel komt te zitten, hetgeen een positief effect op de minderjarigen zal hebben. Ten aanzien van het belang van de vader stelt de moeder dat de zorgregeling door de verhuizing niet zal worden ingeperkt, doch slechts de reisafstand zal worden verlengd. Daarnaast gaat het verweer van de vader dat de minderjarigen in een vertrouwde omgeving moeten opgroeien niet op. Ook de vader woont niet meer in die vertrouwde omgeving. Bovendien zullen de minderjarigen zich gelet op hun leeftijd makkelijk aanpassen, aldus de moeder. De verhuizing is volgens de moeder goed voorbereid. De woning van haar partner kan worden betrokken, zodra de huurders eruit zijn. De verhuizing zal plaatsvinden in de zomervakantie, zodat de minderjarigen met ingang van het nieuwe schooljaar naar hun nieuwe school kunnen.

14. Alle belangen afwegende is het hof van oordeel dat aan de moeder vervangende toestemming dient te worden verleend om samen met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats B]. Daartoe wordt overwogen dat de moeder de vrijheid heeft om haar leven opnieuw in te richten en dat zij er recht op en belang bij heeft om te verhuizen naar [plaats B]. Nu zij opnieuw getrouwd is, heeft zij niet alleen rekening te houden met de belangen van de minderjarigen en (gelet op de gezamenlijke gezagsuitoefening) die van de vader, maar ook met de belangen van haar huidige echtgenoot. Haar huidige echtgenoot werkt al een aantal jaren in (de omgeving van) Amsterdam en heeft een koopwoning in [plaats B]. Dit maakt dat hij economisch gebonden is aan de regio Amsterdam. Niet betwist is voorts dat de moeder financieel afhankelijk is van haar huidige echtgenoot, mede omdat de vader (nagenoeg) geen alimentatie voor de minderjarigen betaalt. Er bestaat derhalve een economisch belang bij de verhuizing. Dat de echtgenoot al een jaar lang – noodgedwongen – tussen Amsterdam en de huidige woonplaats van de moeder heen en weer rijdt maakt het voorgaande niet anders.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat bij een verhuizing de huidige zorgregeling – die zoals beide partijen hebben verklaard goed verloopt – kan worden blijven nageleefd. Het ouderschap van de vader gaat er door de verhuizing dan ook niet zodanig op achteruit dat de gelijkwaardigheid daarvan wordt aangetast. Dat door de verhuizing de reisafstand wordt vergroot acht het hof voor de vader noch de minderjarigen te bezwaarlijk. Het hof is voorts van oordeel dat een verhuizing van de moeder ook verder niet zodanig nadelige gevolgen heeft voor de minderjarigen dat de belangen van de moeder om haar leven in [plaats B] op te bouwen hiervoor moeten wijken. Hoewel iedere verhuizing voor- en nadelen voor kinderen heeft, is het hof ervan overtuigd dat de minderjarigen hun weg (na verloop van tijd) wel weer zullen vinden. Bovendien acht de raad de verhuizing in het belang van de minderjarigen, terwijl ook door Jeugdzorg geen bezwaren worden geuit tegen de verhuizing. Een nader onderzoek naar de wenselijk van de verhuizing acht het hof onnodig belastend voor de minderjarigen.

Zorgregeling

15. De vader is van mening dat – uitgaande van de situatie dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder is bepaald – door de rechtbank een te beperkte zorgregeling is vastgesteld. Hij acht het in het belang van de minderjarigen dat indien zij in [plaats A/ huidige woonplaats moeder] blijven wonen getracht wordt om tot een co-ouderschapregeling te komen waarbij de minderjarigen de ene week zullen verblijven bij de moeder en de andere week bij hem. De vader beseft dat de communicatie tussen partijen moet worden verbeterd om tot een dergelijke regeling te komen. Hij is daartoe ook alleszins bereid. Zijns inziens dienen partijen forensische mediation te betrachten.

In het geval dat het hof van oordeel is dat een co-ouderschapregeling niet tot de mogelijkheden behoort, persisteert de vader bij zijn verzoek te bepalen dat de minderjarigen elk weekend van vrijdag na school tot maandagochtend bij hem zullen verblijven alsmede gedurende de helft van alle feestdagen en schoolvakanties. Voorts verzoekt hij te bepalen dat de minderjarigen door de week op twee verschillende avonden in de gelegenheid zullen worden gesteld hem te bellen.

16. De moeder heeft gelet op de slechte communicatie tussen partijen niet de illusie dat er ooit een co-ouderschapregeling zal kunnen komen. Zolang de vader zich af blijft zetten tegen haar partner, zal de communicatie niet verbeteren. Het vertrouwen in de vader als betrouwbare onderhandelingspartner zal moeten groeien. Op dit moment heeft zij, ondanks het straat- en contactverbod, nog steeds te maken met bedreigingen. Nu er nog geen stabiele situatie is, is co-ouderschap volgens de moeder ook niet in het belang van de minderjarigen. Aan de door de vader voorgestelde forensische mediation wil de moeder mee werken, al ziet zij gelet op het onderzoek van de raad en de ondertoezichtstelling van de minderjarigen de toegevoegde waarde hiervan niet. Het subsidiaire verzoek van de vader acht de moeder onacceptabel, omdat de vader haar kennelijk (met uitzondering van de vakanties) geen vrije tijd met de minderjarigen gunt en haar diskwalificeert als ouder. Zij verzoekt dan ook de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling te bekrachtigen, te meer nu deze ook kan worden nageleefd indien de verhuizing naar [plaats B] een feit wordt. Zij doet voorts nog een voorstel voor de verdeling van de vakanties voor de vakanties tot en met 21 augustus 2012.

17. Ter zitting van het hof is gebleken dat het thans beter gaat met de minderjarigen. Doordat de ouders meer afstand lijken te hebben genomen van hun onderlinge problematiek is er voor de minderjarigen meer rust gekomen. De huidige zorgregeling verloopt bovendien goed en kan ook na de verhuizing van de moeder en de minderjarigen naar [plaats B] worden nageleefd. Het hof ziet onder deze omstandigheden dan ook geen reden om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling verder uit te breiden. Partijen doen er – zoals ook door Jeugdzorg is geadviseerd – in het belang van de minderjarigen verstandig aan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. (Ter zitting is gebleken dat beiden zich inmiddels hebben aangemeld bij Flexus, en nu wachten op een uitnodiging tot gesprek.) Mogelijk is er ruimte om de zorgregeling in goed onderling overleg verder uit te breiden. Het hof betrekt daarbij dat namens de moeder ter zitting is verklaard dat dit tijdens de mediation kan worden besproken en dat wat haar betreft de minderjarigen vaker dan twee weekenden per maand bij de vader kunnen zijn. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking ook in zoverre zal bekrachtigen.

Vervangende toestemming inschrijving school

18. Omdat de vader volgens de moeder waarschijnlijk geen toestemming zal geven om de minderjarigen in te schrijven op één van de door haar genoemde scholen in [plaats B], verzoekt zij het hof om vervangende toestemming hiervoor.

19. Ten aanzien van dit verzoek overweegt het hof als volgt. Partijen zijn overeengekomen het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing bij wijze van prorogatie aan het hof voor te leggen. Ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming tot inschrijving op één van de genoemde basisscholen ontbreekt een dergelijke afspraak. Gelet hierop dient de moeder dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit verzoek.

Proceskostenveroordeling

20. Het hof ziet geen reden, zoals door de moeder is verzocht, om de vader te veroordelen in de proceskosten en zal dit verzoek derhalve afwijzen.

21. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.100.185/01;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

in de zaak met zaaknummer 200.106.141/01:

verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats B];

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarigen op [basisschool X] in [plaats B] en/of [basisschool Y] in [plaats B];

in beide zaken

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Kempen en Van Leuven, bijgestaan door mr. Imthorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012 .