Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1643

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.104.075-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag; nieuw onderzoek te belastend voor de minderjarigen; wettelijke vereisten vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.104.075/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 11-2989

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.H. Klein Meuleman te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende sub 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de moeder,

2. [belanghebbende sub 2],

pleegmoeder en voogdes van [minderjarige sub 1],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de voogdes,

advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam,

3. [belanghebbende sub 3],

pleegvader en voogd van [minderjarige sub 2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de voogd,

advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 20 april 2012 een verweerschrift ingediend.

De voogd en voogdes hebben op 19 april 2012 een gezamenlijk verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 22 mei 2012 een brief van 21 mei 2012 met bijlagen,

- op 5 juni 2012 een brief van 4 juni 2012 met bijlagen.

De zaak is op 7 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer J. Kuhn namens de raad;

- de heer J.C. van Gammeren (teammanager) en de heer R. Merison (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- de voogd en de voogdes met hun respectievelijke echtgenote en partner, bijgestaan door hun advocaat.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de vader en de moeder (hierna tezamen ook te noemen: de ouders) ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige sub 1], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats], en

- [minderjarige sub 2], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats],

(hierna tezamen te noemen: de minderjarigen).

Tot voogdes over de minderjarige [minderjarige sub 1] is benoemd, mevrouw [naam voogdes].

Tot voogd over de minderjarige [minderjarige sub 2] is benoemd, de heer [naam voogd].

De ouders zijn veroordeeld aan de voogdes en de voogd rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarigen te doen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- [minderjarige sub 1] staat sinds 29 oktober 2003 onder toezicht en is sinds 13 december 2005 uit huis geplaatst;

- [minderjarige sub 2] staat sinds 13 december 2005 onder toezicht en is per laatstgenoemde datum uit huis geplaatst.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de vader van het gezag over de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) het inleidende verzoek van de raad af te wijzen. Voorts verzoekt de vader hem het verschuldigde griffierecht kwijt te schelden.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep af te wijzen.

5. De voogd en voogdes verzoeken het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

6. De advocaat van de vader heeft ter zitting het verzoek tot kwijtschelding van het door de vader verschuldigde griffierecht ingetrokken. Dit verzoek behoeft derhalve geen bespreking meer, nog daargelaten dat in zaken als de onderhavige geen griffierecht wordt geheven.

7. De vader verzet zich tegen de uitgesproken ontheffing. Volgens hem is niet aannemelijk geworden dat zijn pedagogische kwaliteiten onvoldoende zijn. De rechtbank heeft zich naar zijn mening slechts gebaseerd op het steeds herhaalde en eenzijdige feitenrelaas van Jeugdzorg, de in dit opzicht minder relevante meningen van de voogd en de voogdes en een psychodiagnostisch onderzoek dat bij hem is afgenomen. Volgens laatstbedoeld onderzoek is het inzicht van de vader in de speciale behoeften van de minderjarigen beperkt. De vader meent evenwel dat hij dit inzicht met hulp van degenen die dicht bij de minderjarigen staan kan verwerven. Omdat hij van de minderjarigen wordt weggehouden is dit tot op heden niet gelukt, aldus de vader. Hij heeft de indruk dat de begeleidende instanties hier – mede gelet op hun taak om de minderjarigen te beschermen tegen disfunctionerende ouders – niet voor open staan en dat hij in de ogen van die instanties geen goed meer kan doen. Zijns inziens moet een van de raad onafhankelijke instelling onderzoeken of de vader thans gekwalificeerd is om het gezag over de minderjarigen uit te oefenen alvorens een beslissing over de ontheffing kan worden genomen.

8. De raad heeft ter zitting verwezen naar zijn rapport van 7 oktober 2011 en voorts nog het volgende opgemerkt. Volgens de raad heeft de rechtbank de juiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling van het ontheffingsverzoek. Gelet op de pegagogische vraag van de minderjarigen worden de pedagogische kwaliteiten van de vader – ondanks de positieve ontwikkelingen – door de rechtbank terecht onvoldoende geacht. De raad stelt dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij bij de pleegouders blijven en dat de pleegouders met het gezag over hen worden belast. De raad benadrukt dat er ook bij een ontheffing voor de vader mogelijkheden bestaan om een goede relatie met de minderjarigen te onderhouden. De pleegouders bieden hem de ruimte daartoe. Tot op heden heeft hij deze mogelijkheden en ruimte echter onvoldoende benut.

9. Ook Jeugdzorg is van mening dat de vader over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt. Zij baseert dit standpunt op de vele verslagen van pleegzorg, haar eigen waarneming en het psychodiagnostisch onderzoek van 6 december 2010. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de vader weliswaar op persoonlijk vlak vooruitgang heeft geboekt, maar ten aanzien van wat de minderjarigen nodig hebben veel tekortschiet. Beide minderjarigen vertoonden bij hun plaatsing in de diverse pleeggezinnen ernstige gedragsproblemen. Zij ondervinden nog altijd de gevolgen van het drugsgebruik van hun moeder tijdens de zwangerschappen. De in het verleden aan de vader en zijn toenmalige partner geboden hulp is beëindigd door gebrek aan inzicht en inzet van de vader. Een gewelddadig incident tussen de vader en de moeder heeft wat Jeugdzorg betreft een definitief einde gemaakt aan de aspiraties van de vader om weer zelf voor de minderjarigen te zorgen. Gelet op de problematiek van de minderjarigen is het belangrijk dat hun vader betrouwbaar is. De vader komt zijn afspraken en/of beloften evenwel niet (naar behoren) na, hetgeen lijdt tot opstandig gedrag bij de minderjarigen. Het is volgens Jeugdzorg onjuist dat de vader van de minderjarigen wordt weggehouden. De vader kiest er zelf voor om de aan hem geboden ruimte en mogelijkheden niet te gebruiken. Inmiddels zijn de minderjarigen volledig ingegroeid in de pleeggezinnen en willen hier ook blijven. Het is in hun belang dat er zekerheid komt over de plek waar zij zullen opgroeien.

Tot slot is Jeugdzorg van mening dat er geen hernieuwd onderzoek hoeft plaats te vinden. Reeds in 2010 heeft een onafhankelijk onderzoek plaatsgevonden door het Kennis- en Servicecentrum Diagnostiek te Rotterdam. De uitkomsten van dit onderzoek zijn mede richtinggevend geweest voor het verzoek aan de raad tot een verderstrekkende maatregel als de onderhavige.

10. De voogd en de voogdes zijn van mening dat aan de vereisten voor een ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag over de minderjarigen is voldaan. Mede gelet op de tijdspanne en de uitkomsten van de onderzoeken kan – ook al is de vader belangrijk voor de minderjarigen en dient er een band tussen de minderjarigen en de vader te bestaan – volgens hen niet anders worden geconcludeerd dan dat een terugkeer van de minderjarigen naar de vader is uitgesloten. De minderjarigen hebben vooral behoefte aan rust in een voorspelbare omgeving met veel duidelijkheid en structuur en waar veel rekening wordt gehouden met hun kwetsbaarheid op sociaal emotioneel gebied. Ondanks alle goede bedoelingen en pogingen van de vader zal hij hiertoe – in tegenstelling tot de pleegouders – niet in staat zijn. Opmerkelijk is ook dat [minderjarige sub 1] heel nadrukkelijk te kennen geeft bij zijn pleegouders te willen blijven wonen. Op de brieven die hij hierover aan de vader heeft geschreven heeft de vader niet gereageerd. De uitspraak van de rechtbank heeft bij de minderjarigen voor heel veel rust gezorgd. Het is in het belang van de minderjarigen dat er zekerheid komt en dat zij zich in hun huidige omgeving verder kunnen ontwikkelen en kunnen opgroeien. Zij zien hun pleegouders ook als hun primaire verzorgers. Ten overvloede merken de voogd en de voogdes nog op dat de jaarlijks terugkerende zittingen in verband met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing veel onrust te weeg zullen brengen, te meer omdat de vader onvoorspelbaar en grillig is ten aanzien van hetgeen hij wil bereiken.

11. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de vader zich in de onderhavige zaak verzet, ligt ter toetsing aan het hof voor de vraag of na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, dan wel na een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de vader om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van het kind af te wenden.

12. Met inachtneming van het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling van het ontheffingsverzoek een juiste maatstaf heeft aangelegd en op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Daarbij wordt nog het volgende in aanmerking genomen. Uit het rapport van het ambulant psychodiagnostisch onderzoek van 6 december 2010 blijkt dat beide minderjarigen specifieke opvoedingsbehoeften hebben en dat de vader niet, althans onvoldoende in staat is om aan deze behoeften tegemoet te komen. Ook lijkt hij onvoldoende oog te hebben voor de ernstige gevolgen van een eventuele terugplaatsing voor de (ontwikkeling van de) minderjarigen. Het in het rapport geschetste beeld over de pedagogische kwaliteiten van de vader wordt – circa anderhalf jaar na het onderzoek – door de verklaringen van de pleegouders bevestigd. Ook in de – door de vader niet betwiste – geschetste gang van zaken tijdens en rondom de bezoekcontacten en de telefonische contacten (zoals het niet, dan wel te laat komen bij de bezoeken en het nagenoeg geen invulling geven aan de belregeling), kan een aanwijzing worden gevonden voor het gebrek aan voldoende opvoedingsvaardigheden en inzicht in de belangen van de minderjarigen. Een en ander maakt dat het hof de vader ongeschikt, althans onmachtig acht om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het is naar het oordeel van het hof voorts niet te verwachten dat dit in de naaste toekomst anders zal worden.

13. Gebleken is voorts dat de minderjarigen bij de pleegouders een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt en aan hen gehecht zijn geraakt. Zij blijven echter kwetsbaar en hebben behoefte aan onder meer vertrouwen, duidelijkheid, structuur en stabiliteit. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof het in het belang van de (verdere ontwikkeling van de) minderjarigen noodzakelijk dat voor hen duidelijk is dat zij verder zullen opgroeien bij de pleegouders. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft, gelet op de houding van de vader, de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Onder deze omstandigheden acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan ook onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

14. Mede in het licht van het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding een nader onderzoek te laten doen naar de pedagogische kwaliteiten van de vader. Het hof acht zich met genoemd rapport van het psychodiagnostisch onderzoek van 6 december 2010 en het raadsrapport voldoende voorgelicht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen een (hernieuwd) onderzoek aangezien dit – gelet op hun (gedrags)problematiek – door hen als te belastend zal worden ervaren.

15. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de vader van het gezag over de minderjarige is voldaan. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Kempen en Kamminga, bijgestaan door mr. Imthorn als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.