Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1640

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.100.864/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Kennelijke ongeschiktheid tot omgang met de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.100.864/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 11-4496

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. T. Venneman te ’s-Gravenhage,

tegen

[de vader],

wonende te [de vader],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 23 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 oktober 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De zaak is op 9 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en naar de beschikking van 13 augustus 2004 en het proces-verbaal van de behandeling ter zitting in kort geding op 17 maart 2006.

Bij beschikking van 13 augustus 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage is bepaald dat de na te noemen minderjarige bij de vader zal zijn:

- eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- alle tweede feestdagen en tenminste twee aaneengesloten weken in de zomervakantie, een en ander in nader onderling overleg vast te stellen.

Uit het proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 17 maart 2006 bij de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage blijkt dat partijen ter beëindiging van een ten aanzien van de omgangsregeling gerezen geschil voor zover hier van belang - het volgende zijn overeengekomen:

- de omgangsregeling die is vastgelegd in de beschikking van 13 augustus 2004 zal weer worden nagekomen met ingang van 18 maart 2006, met dien verstande dat de vader de minderjarige zal halen en brengen bij mevrouw [naam] te [woonplaats];

- mevrouw [naam] zal bijhouden hoe het halen en brengen verloopt;

- de vader zal de omgangsweekends doorbrengen bij zijn vriendin [naam] te [woonplaats];

- de moeder zal de vader op de hoogte stellen van elk schoolrapport en - tevoren - van elke ouderavond.

Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van de moeder, inhoudende wijziging van de beschikking van 13 augustus 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage in die zin dat de vader het recht op omgang voor onbepaalde, dan wel bepaalde tijd dient te worden ontzegd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover in hoger beroep geen grond daartegen is gericht. Onder meer staat vast dat de moeder van rechtswege alleen belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna ook: de minderjarige).

2. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder alsnog toe te wijzen dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof juist acht.

3. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot wijziging van de omgangsregeling heeft afgewezen en de vader de omgang met de minderjarige niet heeft ontzegd. De vader heeft al lange tijd geen contact gehad met de minderjarige - ook niet na de bestreden beschikking - en heeft omstreeks juli 2010 aangegeven de minderjarige niet meer te willen zien. De moeder stelt dat de vader niet geschikt of kennelijk niet in staat is tot omgang. Zo leidt de vader een zwervend bestaan, kwam hij in het verleden de afspraken niet na, toont hij geen interesse in de minderjarige en heeft hij de moeder veelvuldig uitgescholden. Toen de minderjarige nog wel omgang met de vader had, had de vader nauwelijks tot geen aandacht voor de minderjarige en heeft de vader de minderjarige zelfs alcohol gegeven. De minderjarige wil de vader niet zien en is te vaak door hem teleurgesteld. Een verplichte omgang levert ernstig nadeel op voor de ontwikkeling van de minderjarige en moet in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige worden geacht.

4. Het hof overweegt als volgt. Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5. Het hof stelt vast dat de vader zijn verantwoordelijkheid voor de verplichting tot omgang met de minderjarige de afgelopen jaren niet heeft genomen en de reeds langer bestaande omgangsregeling frustreert door zich er niet aan te houden. Onweersproken is immers komen vast te staan dat de vader reeds vanaf januari 2011 niets meer van zich heeft laten horen en geen omgang meer met de minderjarige heeft gehad. Ook in de periode daaraan voorafgaand heeft de vader onregelmatig en op gebrekkige wijze inhoud gegeven aan de omgang. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de vader gedurende de omgangsmomenten weinig aandacht had voor de minderjarige en dat hij in ruime mate alcohol gebruikte. Ook heeft de vader de minderjarige wel eens alcohol gegeven.

6. Een minderjarige moet er van op aan kunnen dat hij op zijn ouders kan rekenen en dat zij hem steunen. De minderjarige kan echter thans niet op de steun van zijn vader rekenen. De vader heeft de minderjarige in het verleden herhaaldelijk teleurgesteld en heeft reeds 17 maanden niets van zich laten horen. Het hof acht de onzekerheid die dit voor de minderjarige meebrengt niet in zijn belang.

7. Het voorgaande brengt mee dat de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de minderjarige. Voorts is genoegzaam gebleken dat de omgangsregeling ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige vanwege de vooromschreven onzekerheid en omdat hij – als onweersproken gesteld door de moeder – zeer opziet tegen omgang met zijn vader die een zeer slechte verhouding heeft met de moeder Het hof zal de vader het recht op omgang met de minderjarige ontzeggen.

8. Op grond van het vorenoverwogene zal het hof de be¬streden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.