Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1498

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
200.088.534-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vervangende toestemming tot verhuizing van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.088.534/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-7090

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H. von Hegedus-Faouzi te Zoetermeer.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 2 november 2011 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking heeft het hof de raad verzocht te onderzoeken of een verhuizing van de moeder met de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), van [X] naar [Y], in strijd met de belangen van de minderjarige moet worden geacht. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De raad heeft bij brief van 6 maart 2012 zijn rapport van 27 februari 2012 aan het hof overgelegd.

Bij het hof zijn nadien voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 7 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De mondelinge behandeling is op 30 mei 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. N.M. Zeeman (een kantoorgenoot mr. C.H. Remmelink);

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof handhaaft al hetgeen het in zijn tussenbeschikking heeft overwogen en beslist.

2. De raad heeft op grond van de door het hof geformuleerde vragen onderzoek verricht. De raad is van mening dat het belang van de minderjarige zich op dit moment verzet tegen een verhuizing. De raad neemt in zijn overwegingen mee dat de moeder ervoor gekozen heeft om al werk te zoeken in [Y] terwijl de vader niet instemde met de verhuizing en de rechtbank de zaak nog niet had behandeld. Hierdoor is een situatie ontstaan die veel onrust meebrengt voor de minderjarige. Hoewel een verhuizing met de moeder naar [Y] in vergelijking met de huidige (gecompliceerde en onrustige) woonsituatie van de minderjarige rust met zich zou brengen, is de onrustige situatie door de moeder zelf gecreëerd. De raad acht het positief dat de moeder aangeeft dat zij achteraf bezien de situatie anders had kunnen aanpakken. De minderjarige heeft ondanks de huidige onrustige woonsituatie een positieve ontwikkeling doorgemaakt, dankzij het gebruik van een agenda die hem structuur geeft en de verbeterde communicatie tussen partijen. Hij heeft een begin gemaakt met het maken van de sociale contacten. Gezien de kwetsbaarheid van de minderjarige is het lastig in te schatten of de huidige positieve ontwikkeling van de minderjarige zich zal voortzetten indien hij verhuist of dat zijn ontwikkeling zal stagneren of zelfs zal terugvallen.

3. De moeder stelt in reactie op het raadsrapport ter terechtzitting dat zij het niet eens is met het advies van de raad. Zij wijst erop dat niet alle referenten het met elkaar eens zijn en dat onder meer de leerkracht van de minderjarige zich wel positief heeft uitgelaten over een verhuizing. In de visie van de moeder creëert een verhuizing naast initiële stress namelijk ook rust voor de minderjarige. Daar komt bij dat dit een goed moment is voor een verhuizing nu de minderjarige het nieuwe schooljaar zou kunnen starten op de nieuwe school. De reeds ingezette hulpverlening voor de minderjarige kan ook worden voortgezet na de verhuizing.

4. De vader onderschrijft ter terechtzitting de conclusie van de raad. De vader merkt op dat de minderjarige een bijzondere jongen is, die grote behoefte heeft aan structuur en regelmaat. Het gaat thans heel goed met de minderjarige. Hij ervaart nu rust en de gestarte hulpverlening is goed van de grond gekomen. Belangrijk is dat partijen leren om in de opvoedsituatie een en ander op elkaar af te stemmen zodat hierover voor de minderjarige duidelijkheid bestaat. Partijen bezoeken hiervoor nu het Omgangshuis, om hun onderlinge communicatie te verbeteren. De minderjarige zit thans in een stijgende lijn en in de visie van de vader is onduidelijk wat het effect van een ingrijpende wijziging als verhuizing op de minderjarige en zijn ontwikkeling zal zijn. Het risico op een terugval wil de vader - in het belang van de minderjarige - niet lopen.

5. Het hof stelt voorop dat voldoende vast staat dat ook in hoger beroep een vergelijk tussen de ouders niet tot stand kan komen. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder geschillen omtrent de verblijfplaats van het kind, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

6. Met voorgaand uitgangspunt is in overeenstemming dat de moeder in beginsel de vrijheid toekomt haar leven opnieuw en naar eigen inzicht in te richten, ook al brengt dat mee dat zij verhuist naar een ander deel van het land, in dit geval naar [Y]. Op zichzelf stelt de vader die vrijheid van de moeder ook niet ter discussie. Als moeder die met de vader gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarigen uitoefent, dient de moeder in haar keuzes echter wel rekening te houden met de belangen van de minderjarige én de vader en dat is wat zij, naar de stellingen van de vader, in dit geval onvoldoende heeft gedaan.

7. Bij de onderhavige beoordeling hebben de moeder en de vader tegenstrijdige belangen. De moeder wenst met de minderjarige te verhuizen naar [Y]. De moeder heeft voldoende inzicht gegeven in haar beweegredenen daartoe. Zij wenst daar voor haarzelf en de minderjarige een nieuw bestaan op te bouwen samen met haar nieuwe partner. Daarnaast heeft zij ervoor gezorgd dat zij een baan in de omgeving van de nieuwe woonplaats kreeg om te bereiken dat de verhuizing met zo min mogelijk financiële consequenties gepaard zou gaan. De moeder heeft de minderjarige ook aangemeld bij een speciale school in de omgeving. De vader weigert zijn toestemming te verlenen voor de door de moeder gewenste verhuizing. Hij stelt dat mede gelet op de ontwikkelingsproblematiek van de minderjarige, het belang van de minderjarige zich tegen de verhuizing verzet. Hij vreest dat de verhuizing een negatieve invloed zal hebben op de ontwikkeling en het functioneren van de minderjarige. Het belang van de minderjarige is onder meer gelegen in het behoud van zijn sociale omgeving, waaronder zijn school. Verder vreest de vader dat zijn contact met de minderjarige zal verminderen en dat de moeder hem niet zo actief bij belangrijke beslissingen omtrent de minderjarige zal blijven betrekken als in de huidige situatie.

8. Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige onder meer en in het bijzonder is gelegen in de continuïteit met betrekking tot zijn woon- en sociale leefomgeving, waaronder zijn school. Hoewel iedere verhuizing voor- en nadelen voor kinderen heeft, is het hof van oordeel dat het belang van de moeder om met de minderjarige te verhuizen niet opweegt tegen het belang van de minderjarige inhoudende dat hij in een voor hem vertrouwde omgeving kan opgroeien waarbij hij een goed contact kan hebben met beide ouders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de minderjarige een kwetsbaar kind is, waarbij zorgen bestaan omtrent zijn sociaal-emotionele, verstandelijke en motorische ontwikkeling. Daarnaast kampt hij met faalangst. In het verleden heeft hij veel meegekregen van de strijd tussen de ouders en hij kampt als gevolg daarvan ook met een loyaliteitsprobleem. Ondanks het vorenstaande en de huidige onrustige woonsituatie, waarin door de minderjarige thans meer rust wordt ervaren door het gebruik van een agenda die hem structuur geeft en dankzij de verbeterde communicatie tussen de ouders, heeft de minderjarige de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Deze positieve ontwikkeling wordt door beide ouders ook onderschreven. Vanwege zijn kwetsbaarheid acht het hof het, met de raad, moeilijk in te schatten of de huidige positieve ontwikkeling van de minderjarige zich zal voortzetten indien hij verhuist. Al het vorenstaande in aanmerking nemend en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, komt het hof tot het oordeel dat een verhuizing thans niet in het belang van de minderjarige is. Daarbij overweegt het hof voorts nog dat de mogelijkheden voor de vader om actief invulling te geven aan zijn vaderrol in de huidige situatie groter zijn dan in het geval de moeder met de minderjarige naar [Y] zou verhuizen.

9. Gelet op het vorenstaande is het verzoek van de moeder om haar (vervangende) toestemming te verlenen om tezamen met de minderjarige naar [Y] te verhuizen terecht afgewezen door de rechtbank. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, De Haan-Boerdijk en Jansen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.