Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1357

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
200.098.186/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident schorsing ten uitvoerlegging; vordering zekerheidstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.098.186/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 334425 / HA ZA 09-1875

arrest in het incident d.d. 10 juli 2012

inzake

Pebblestone Fashion Holding B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

hierna te noemen: Pebblestone,

advocaat: mr. H.J.A.M. Dohmen te Tilburg,

tegen

Ridit Business Solutions B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: Ridit,

advocaat: mr. R.A.W.J. van Eijk te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 12 april 2011 is Pebblestone in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnissen van respectievelijk 9 december 2009 (verder: het bestreden tussenvonnis) en 12 januari 2011 (het bestreden eindvonnis). Bij "memorie van grieven, overlegging producties" heeft Pebblestone zes grieven aangevoerd. Bij "memorie incident houdende provisionele vordering schorsing executie tot op vordering ex artikel 351 Rv beslist op straffe verbeuren dwangsom (223 Rv), tevens primair houdende incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis (351 Rv), subsidiair houdende vordering tot het stellen zekerheid (235 Rv)" heeft Pebbelsotone een incident geopend. Ridit heeft een memorie antwoord in het incident genomen.

Vervolgens heeft Pebblestone de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van het incident

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Bij het bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, eindvonnis heeft de rechtbank Pebbelstone veroordeeld om een bedrag van € 25.112,02, vermeerderd met wettelijke handelsrente aan Ridit te betalen, wegens door [X] verrichte werkzaamheden.

2. In het incident vordert Pebblestone – zakelijk weergegeven – dat het hof voor de duur van deze procedure – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

a) ex artikel 223 Rv de executie van de bestreden vonnissen schorst, totdat op de vordering ex artikel 351 Rv is beslist, op straffe van een dwangsom;

b) primair: ex artikel 351 Rv de executie van de bestreden vonnissen schorst,

subsidiair: ex artikel 235 Rv aan de executie van de bestreden vonnissen de voorwaarde verbindt dat Ridit zekerheid stelt;

c) met veroordeling van Ridit in de kosten van het incident, alsmede in de kosten van de provisionele voorziening.

3. Bij de beoordeling van een geschil als het onderhavige geldt als uitgangspunt dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Voorts geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring. Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat de partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen belang heeft bij de tenuitvoerlegging daarvan. Dit in beginsel zwaarwegende belang zal moeten wijken voor het belang van de geëxecuteerde, indien laatstgenoemde in voldoende mate aannemelijk maakt dat het vonnis, waarvan beroep, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag en de executie mitsdien misbruik van bevoegdheid oplevert, dan wel indien na de bestreden beslissing feiten en omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4. Pebblestone heeft aan haar incidentele vordering tot schorsing ten grondslag gelegd dat het bestreden vonnis berust op feitelijke en juridische misslagen. Volgens haar heeft de advocaat van Ridit in een tuchtprocedure tussen Pebblestone en mr. Van Eijck erkend dat hij geen opdracht had van Ridit om te procederen en dat Ridit geen vordering heeft. Ridit heeft dit een en ander bestreden onder verwijzing naar een reeds in eerste aanleg overgelegde verklaring van Ridit Software B.V. van 21 april 2010 met onder meer de volgende inhoud:

"Ten overstaan de rechtbank Rotterdam is onder zaak-/rolnummer 334425/ HA ZA 09-1875 een geschil aanhangig tussen ondermeer Ridit Business Solutions B.V. enerzijds en Pebblestone Fashion Holding B.V. anderzijds. In de processtukken heeft Pebblestone Fashion Holding B.V. het standpunt ingenomen dat niet Ridit Business Solutions B.V., maar dat Ridit Software B.V. partij is bij de overeenkomsten. Ter onderbouwing van die stelling heeft Pebblestone Fashion Holding B.V. naar voren gebracht dat op de met de verrichte werkzaamheden en/of geleverde diensten corresponderende facturen de oude handelsnaam en het handelsregisternummer van Ridit Software B.V. vermeld staat.

Wat daarvan ook zij, Ridit Software B.V. verklaart hierdoor dat Ridit Business Solutions B.V. gerechtigd is de vordering van € 34.310,54 exclusief wettelijke rente op Pebblestone Fashion Holding B.V. te incasseren en dat derhalve door Pebblestone Fashion Holding B.V. bevrijdend aan Ridit Business Solutions kan worden betaald."

5. Het hof neemt als uitgangspunt dat mr. Van Eijck, die in deze procedure in beide instanties optreedt voor Ridit, handelt in opdracht van Ridit. Als beëdigd advocaat is mr. Van Eijck immers in beginsel niet gehouden jegens derden aan te tonen dat hij binnen zijn opdracht heeft gehandeld. Uit de omstandigheid dat Van Eijck in een tuchtprocedure heeft verklaard dat "niet Ridit Business Solutions BV, maar Ridit Software BV schuldeiser was" en "Deze bestuurders [van Ridit] wilden geen expliciete opdracht aan BASE Advocaten geven om in rechte namens haar op te treden, maar lieten weten tegen de inmiddels aanhangige procedure geen bezwaar te hebben zolang zij 'er maar geen last van zouden hebben' ", volgt niet dat Ridit in de onderhavige procedure niet is vertegenwoordigd. Pebblestone heeft immers geen feiten gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat Ridit de opdracht nadien ook niet kan hebben verstrekt, dan wel de reeds door mr. Van Eijck verrichte proceshandelingen niet kan hebben bekrachtigd. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat uit de hiervoor onder 4 bedoelde verklaring van een opdracht van Ridit aan mr. Van Eijck niet blijkt. Er kan daarom niet worden geoordeeld dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. De enkele mogelijkheid dat het bestreden vonnis niet in stand zal blijven, maakt niet dat van misbruik van bevoegdheid kan worden gesproken. Andere feiten die met zich meebrengen dat moet worden geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van bevoegdheid zou opleveren, dan wel zouden meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor Pebblestone, zijn door Pebblestone niet gesteld. Dit betekent dat de vordering tot schorsing (primaire vordering b) niet kan worden toegewezen.

6 . Subsidiair heeft Pebblestone gevorderd dat Ridit zekerheid stelt op grond van artikel 235 Rv. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Pebblestone aangevoerd dat haar belang zwaarder weegt dan het belang van Ridit bij een ongeclausuleerde voortzetting van de executie, maar zij heeft deze stelling niet nader onderbouwd anders dan door verwijzing naar de onderbouwing van haar primaire vordering b. Nu Pebblestone niets heeft gesteld omtrent haar belang bij zekerheidstelling (zo heeft zij niet gesteld dat executie bij haar tot een noodtoestand/ buitengewone schade zal leiden, en evenmin heeft zij iets gesteld omtrent een eventueel restitutierisico), komt het hof aan een afweging van de wederzijdse belangen niet toe. De vordering tot zekerheidstelling (subsidiaire vordering b) zal daarom worden afgewezen.

7. Daar het hof in dit arrest beslist op de incidentele vordering tot schorsing van de executie, heeft Pebblestone geen belang bij haar vordering tot schorsing van de bestreden vonnissen, totdat op de vordering ex artikel 351 Rv is beslist (vordering a). Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen. Bij deze uitkomst past dat Pebblestone wordt veroordeeld in de kosten van het incident. De kostenveroordeling zal – zoals door Ridit gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

in het incident

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Pebblestone in de kosten van het incident, aan de zijde van Ridit tot op heden begroot op € 1.158,--;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rol van 21 augustus 2012 voor memorie van antwoord.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, M.J. van der Ven en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.