Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1217

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
200.101.480-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil ten aanzien van een beschikking van het gerechthof Leeuwarden, gegrond op het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980. Vordering van de moeder in kort geding inhoudende een verbod tot tenuitvoerlegging van genoemde beschikking tot dat op de aanhangige cassatie bij de Hoge Raad is beslist. Geen misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Rolnummer : 200.101.480/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 409574/KG ZA 11-1495

arrest van de familiekamer d.d. 19 juni 2012

inzake

de moeder,

wonende te gemeente A,

appellante,

advocaat: mr. A.H. van Haga te ‘s-Gravenhage,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te ‘s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 25 januari 2012 is de moeder in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2011, gewezen tussen de moeder als eiseres en de Staat als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft de moeder ter rolzitting van 7 februari 2012 geconcludeerd overeenkomstig de gronden en middelen, vervat in het exploot van de dagvaarding in hoger beroep. De moeder heeft daarbij drie producties overgelegd.

De Staat heeft ter rolzitting van 20 maart 2012 geconcludeerd voor antwoord.

De moeder heeft ter rolzitting van 3 april 2012 haar procesdossier overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals deze door de voorzieningenrechter onder 2 in het bestreden vonnis zijn vastgesteld is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van de moeder - inhoudende een verbod aan de Staat om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 22 november 2011, voor zover deze betrekking heeft op de teruggeleiding van de minderjarige: [dochter], geboren in 2000 in de Verenigde Staten van Amerika (VS), hierna: [de dochter], naar de VS en het daaraan gekoppelde bevel dat de vrouw [de dochter] met de benodigde geldige reisdocumenten aan haar vader zal afgeven, totdat op het onderhavige geschil tussen partijen door de Hoge Raad is beslist, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening te treffen - afgewezen. De moeder is in de proceskosten van de Staat veroordeeld. Het vonnis is ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. De moeder vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van appellante alsnog zal toewijzen, alsmede de Staat zal veroordelen tot betaling aan de moeder van hetgeen de moeder op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis onverschuldigd heeft voldaan aan de Staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de moeder tot aan de dag van integrale restitutie door de Staat, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van twee weken na de datum van het te wijzen arrest, met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties en met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

4. De Staat concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest.

5. Het betreft te dezen een executiegeschil ten aanzien van een beschikking die is gegrond op het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: HKOV). De eerste vier grieven stellen – kort weergegeven – de vraag aan de orde of de voorzieningenrechter terecht de vordering van de moeder heeft afgewezen. De moeder stelt in dat verband de vraag aan de orde welk toetsingskader door de voorzieningenrechter is en moet worden gehanteerd, de vraag of het hof Leeuwarden met zijn overweging, dat het door de Staat mede namens de vader op 18 augustus 2011 ingediende teruggeleidingsverzoek een nieuw, dan wel een voortgezet verzoek betreft, een juridische en/of feitelijke misslag heeft begaan en de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat het gerechtshof Leeuwarden in zijn beschikking van 22 november 2011 een afweging heeft gemaakt van de verschillende belangen van [de dochter]. Tot slot stelt de moeder dat ten onrechte is overwogen dat aan artikel 6 EVRM niet het recht valt te ontlenen dat aan een ingesteld cassatieberoep schorsende werking toekomt.

6. Het hof houdt het er voor dat [de dochter] thans met de vader in de Verenigde Staten verblijft. Weliswaar stelt de moeder dat zij zou hebben begrepen dat [de dochter] op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding nog in Nederland zou verblijven bij haar vader, maar [de dochter] is op 16 januari 2012 aan de vader overgedragen en de moeder heeft ook gesteld dat [de dochter] niet meer in Nederland aanwezig is. De Staat heeft gesteld dat de vader met [de dochter] op 19 januari 2012 is vertrokken naar de VS.

7. Het hof stelt voorop dat in een executiegeschil, waarvan te dezen sprake is, het gesloten systeem van rechtsmiddelen meebrengt dat geen inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak van het hof aangevoerd kunnen worden, behoudens die welke noodzaken tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek. Dit laatste kan zich voordoen als de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische misslag berust, of indien na de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde zodat een tenuitvoerlegging zonder uitstel, onaanvaardbaar is dan wel in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid tot executeren had kunnen komen. Het hof constateert dat de voorzieningenrechter dit criterium heeft toegepast, zoals valt te lezen in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis. De eerste grief faalt dan ook.

8. Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een (evidente) juridische of feitelijke misslag berust. Het hof neemt deze gronden over en maakt die tot de zijne. Hetgeen de moeder in dit verband nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De omstandigheid dat het verzoek van de Staat van 18 augustus 2011 een ander zaaknummer heeft dan de zaak die is ingeleid met het verzoek van op of omstreeks 19 april 2011 maakt dit niet anders. Het toekennen van zaaknummers is een interne, de rechtbank betreffende, aangelegenheid en kan op zich zelf beschouwd niet leiden tot een juridische gevolgtrekking. Voorts zijn de rol van de Staat en de uitleg van het HKOV door het hof meegewogen in zijn oordeel. De tweede grief wordt gepasseerd.

9. Zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt heeft het hof in zijn beschikking wel degelijk een belangenafweging gemaakt en het belang van [de dochter], naast een toetsing in het kader van artikel 13 lid 1 sub b HKOV, gewogen. Deze belangenafweging dient plaats te vinden binnen de context van het HKOV en beoogt niet, zoals de moeder betoogt, een integrale belangenafweging ten aanzien van de belangen van alle betrokkenen te verrichten. De moeder betoogt namelijk dat ook haar belangen en de belangen van de zus van [de dochter] en van haar broer dienen te worden afgewogen. De strekking van de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de door de moeder aangehaalde zaak Neulinger - die, zoals de voorzieningenrechter terecht opmerkt, niet vergelijkbaar is met de onderhavige – is niet dat de restrictieve interpretatie van het HKOV moet worden verlaten. Ook deze grief faalt.

10. De omstandigheid dat de Hoge Raad tot het oordeel zou kunnen komen dat een ingesteld cassatieberoep bij gebrek aan belang - omdat [de dochter] inmiddels is teruggekeerd in de VS - wordt verworpen, brengt niet met zich mee dat aan artikel 6 EVRM wel het recht valt te ontlenen, dat aan een ingesteld cassatieberoep schorsende werking toekomt. Het HKOV beoogt een snelle terugkeer van ongeoorloofd overgebrachte kinderen. Deze strekking van het verdrag zou illusoir worden indien aan een cassatieberoep schorsende werking zou toekomen. Niet gezegd kan worden dat het ontberen van schorsende werking aan een beroep in cassatie de toegang tot de rechter zodanig belemmert dat dit strijdig zou zijn met artikel 6 EVRM. Ook deze grief faalt.

11. Het falen van de eerste vier grieven leidt tot de gevolgtrekking dat de voorzieningenrechter de vordering van de moeder terecht heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de moeder terecht in de proceskosten veroordeeld. De vijfde (ten onrechte aangeduid als vierde) grief faalt daarmee eveneens.

12. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de moeder veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de moeder in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat bepaald op € 1.560,-, waarvan € 894,- aan salaris voor de advocaat en € 666,- aan vast recht, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 24 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Lückers, Van Dijk en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.