Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0930

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
22-001253-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3769, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade. Hij heeft zich actief ingezet om het slachtoffer geweld aan te doen. Hij heeft informatie omtrent het slachtoffer aan zijn mededaders doorgespeeld en een tussenpersoon geregeld die het slachtoffer aan de schutter heeft aangewezen. Het slachtoffer is vervolgens in zijn been geschoten. Het slachtoffer betrof de broer van de man die de verdachte verantwoordelijk hield voor een aanslag op zijn leven. Aangezien de verdachte deze man niet kon vinden, moest diens broer het kennelijk ontgelden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met deze wraakactie geprobeerd heeft een derde zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof legt de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummers: 22-001253-09 en 22-002164-10 (gevoegd)

Parketnummers: 09-748801-08 en 09-748808-08

Datum uitspraak: 10 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 februari 2009 en van

13 juli 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12 oktober 2010, 26 oktober 2010, 11 januari 2011, 24 mei 2011, 13 juni 2012, 20 juni 2012, 21 juni 2012 en 26 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09-748801-08 onder

2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde en ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09-748808-08 onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.

Voorts is de verdachte ter zake van de dagvaarding met parketnummer 09-748801-08 onder 1A primair en ter zake van de dagvaarding met parketnummer 09-748808-08 onder 1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering- bij een tweetal inleidende dagvaardingen (parketnummers 09-748801-08 en 09-748808-08) -waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gesplitst en in hoger beroep door het hof weer zijn gevoegd, zijn doorgenummerd- ten laste gelegd dat:

1.

A)

hij op of omstreeks 12 januari 2006 te Podgorica, althans in Montenegro, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

met een of meer (vuur)wapen(s) acht, althans een of meer kogel(s) afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1],

waardoor die [slachtoffer 1] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

NN op of omstreeks 12 januari 2006 te Podgorica, althans in Montenegro, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben NN en/of(een of meer van) zijn/haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een of meer (vuur)wapen(s) acht althans een of meer kogel(s) afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1],

waardoor die [slachtoffer 1] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden;

welk bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 augustus 2005 tot en met 12 januari 2006 te Amsterdam en/of Den Haag en/of Zwaag, gemeente Hoorn en/of/althans (elders) in Nederland en/of Servië en/of Montenegro,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of(een of meer van) zijn mededader(s)

- opdracht gegeven, althans verzocht om die [slachtoffer 1] te vermoorden, daarbij misbruik makend van het gezag dat hij, verdachte, had over die NN en/of degene aan

wie hij die opdracht en/of dat verzoek heeft overbracht, en/of

- aan een of meer perso(o)n(en) gezegd dat [slachtoffer 1] hem verdachte, heeft verlinkt, althans (met de politie) heeft gepraat en/of de reden is waarom hij, verdachte, vast zit en/of dat [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, vijand is, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- naspeuringen verricht en/of laten verrichten naar en/of inlichtingen ingewonnen en/of laten inwinnen over de verblijfplaats van [slachtoffer 1] en/of

- de verblijfplaats van [slachtoffer 1] doorgegeven en/of laten doorgeven aan een of meer perso(o)n(en) en/of

- een geldbedrag beloofd/toegezegd voor het (laten) vermoorden van die [slachtoffer 1];

B)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 november 2005 tot en met 12 januari 2006 te Zwaag, gemeente Hoorn en/of/althans (elders) in Nederland en/of Servië en/of Montenegro,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

(telkens) opzettelijk NN en/of een of meer anderen uit te lokken tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer 1],

- opdracht heeft gegeven, althans heeft verzocht om die [slachtoffer 1] te vermoorden, daarbij misbruik makend van het gezag dat hij verdachte had over die NN en/of

degene aan wie hij die opdracht en/of dat verzoek heeft overbracht, en/of

- aan een of meer perso(o)n(en) heeft gezegd dat [slachtoffer 1] hem, verdachte, heeft verlinkt, althans (met de politie) heeft gepraat en/of de reden is waarom hij verdachte vast zit en/of dat [slachtoffer 1] zijn verdachtes, vijand is, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- naspeuringen heeft verricht en/of laten verrichten naar en/of inlichtingen heeft ingewonnen en/of laten inwinnen over de verblijfplaats van [slachtoffer 1] en/of

- de verblijfplaats van [slachtoffer 1] heeft doorgegeven en/of laten doorgeven aan een of meer perso(o)n(en) en/of

- een geldbedrag heeft beloofd/toegezegd voor het (laten) vermoorden van die [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 december 1999 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 20 december 1993 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of(een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van die [slachtoffer 3], waardoor die [slachtoffer 3] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of NN op of omstreeks 20 december 1993 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven heeft/hebben beroofd,

immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of NN en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van die [slachtoffer 3], waardoor die [slachtoffer 3] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden,

welk bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1993 tot en met 20 december 1993 te Amsterdam

en/of/althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of(een of meer van) zijn mededader(s)

- opdracht gegeven, althans verzocht om die [slachtoffer 3] te vermoorden, daarbij misbruik makend van het gezag dat hij, verdachte, had over die [medeverdachte 1] en/of NN en/of degene aan wie hij die opdracht en/of dat verzoek heeft overbracht, en/of

- een geldbedrag beloofd / toegezegd voor het (laten) vermoorden van die [slachtoffer 3];

4.

hij op of omstreeks 30 september 1998 te Priboj, althans in Servië, en/of Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks

30 september 1998 te Priboj, althans in Servië, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan

niet met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de

richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 30 september 1998 te Priboj en/of Belgrado en/of elders in Servië en/of Amsterdam althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door giften of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door - geld te geven en/of te beloven aan die [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of

- (telkens) gegevens onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en) van die [slachtoffer 4] aan die [mededader 1] en/of [mededader 2] te verstrekken;

en/of

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks

30 september 1998 te Priboj, althans in Servië ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan

niet met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of

omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met

30 september 1998 te Priboj en/of Belgrado

en/of elders in Servië, en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- (telkens) gegevens, onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en) van die [slachtoffer 4] aan die [mededader 1] en/of [mededader 2] te verstrekken,

en aldus (telkens) aan het door [mededader 1] en/of [mededader 2] gepleegde misdrijf medeplichtig is geweest;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 september 1998 te Priboj, althans in Servië, en/of Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, aan een

persoon (te weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe

munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

en/of

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks

30 september 1998 te Priboj, althans in Servië, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon (te

weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 30 september 1998 te

Priboj en/of Belgrado en/of elders in Servië, en/of Amsterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door giften of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door geld te geven en/of te beloven aan die [mededader 1] en/of [mededader 2], en/of

- (telkens) gegevens, onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en), van die [slachtoffer 4] aan die [mededader 1] en/of [mededader 2] te verstrekken;

en/of

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks

30 september 1998 te Priboj, althans in Servië, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon (te

weten [slachtoffer 4], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 30 september 1998 te Priboj en/of Belgrado en/of elders in Servië, en/of Amsterdam, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door

- gegevens onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en) van die [slachtoffer 4] aan die [mededader 1] en/of [mededader 2] te verstrekken,

en aldus aan het door [mededader 1] en/of [mededader 2] gepleegde misdrijf medeplichtig is geweest;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 september 1998 te Priboj, althans in Servië en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon (te weten [slachtoffer 4] ) met een (met scherpe munitie

geladen) vuurwapen in een been te schieten, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij meermalen althans eenmaal, in of omstreeks de periode, van 30 juli 1998 tot en met 20 oktober 1999 te Montenegro, en/of Belgrado en/of elders in Servië, en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 5] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg zich (telkens) naar de (mogelijke) verblijfplaats/lokatie van die [slachtoffer 5] heeft begeven en/of die [slachtoffer 5] daar heeft opgewacht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

Subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 20 oktober 1999 te Montenegro en/of Belgrado en/of elders in Servië en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens)

heeft gepoogd een of meer (nog onbekende) perso(o)n(en) te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten:

het tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 5] van het leven beroven,

en (telkens) met dat opzet giften en/of beloften heeft gedaan en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

-(telkens) gegevens onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en) van die [slachtoffer 5], aan die perso(o)n(en) te verstrekken, en/of

-(telkens) een vervoermiddel aan die perso(o)n(en) ter beschikking te stellen en/of

- aan die perso(o)n(en) geld te geven en/of te beloven;

6.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 20 oktober 1999 te Priboj en/of Belgrado en/of elders in Servië, en/of Montenegro en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 6] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg zich (telkens) naar de (mogelijke)

verblijfplaats/locatie van die [slachtoffer 6] heeft begeven en/of die [slachtoffer 6] daar heeft opgewacht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid,

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 30 juli 1998 tot en met 20 oktober 1999 te Priboj en/of Belgrado en/of elders in Servië, en/of Montenegro en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, (telkens) heeft gepoogd en of meer (nog onbekende) perso(o)n(en) te bewegen tot het

plegen van het navolgende strafbare feit, te weten:

het tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 6] van het leven beroven,

en(telkens) met dat opzet giften en/of beloften heeft gedaan en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- (telkens) gegevens, onder meer naam en/of adres en/of (mogelijke) verblijfplaats(en) van die [slachtoffer 6], aan die perso(o)n(en) te verstrekken, en/of

- (telkens) een vervoermiddel aan die perso(o)n(en) ter beschikking te stellen en/of

- aan die perso(o)n(en) geld te geven en/of te beloven.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door de verdediging gevoerde verweren.

Namens de verdachte heeft de verdediging geconcludeerd tot primair niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte en subsidiair tot bewijsuitsluiting en vrijspraak van de verdachte.

Daartoe is - kort en zakelijk weergegeven- het volgende betoogd.

Er zijn belangrijke gebreken in het opsporingsonderzoek te constateren die in onderling samenhang bezien een zodanig ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de eisen die zijn gesteld aan de strafrechtspleging, de belangen van de samenleving bij normhandhaving door berechting dan wel de belangen van de verdachte in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort zijn gedaan.

Het handelen van het openbaar ministerie ten aanzien van de grondslag en de loop van de verdenking tegen de verdachte en de daarbinnen toegepaste inbreuken van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) is onrechtmatig. Het strafdossier van de verdachte is incompleet, stukken met betrekking tot gebruikte bijzondere opsporingsbevoegdheden uit de onderliggende onderzoeken ontbreken, terwijl resultaten van in dat verband toegepaste opsporingsmethoden wel zijn gevoegd in het strafdossier van de verdachte. Verder ontbreekt de verantwoording van de bevoegdheid tot het doen afluisteren van telefoongesprekken en ontbreekt de mogelijkheid tot toetsing van de rechtmatigheid van het aldus verkregen materiaal.

De redelijke termijn van opsporing is geschonden en ook het ondervragingsrecht op grond van artikel 6 EVRM is geschonden. Onderliggende onderzoeken dateren uit het jaar 1993 en 1999, verslaglegging is gebrekkig en daarmee bestaat er voor de verdediging geen mogelijkheid meer om het door het openbaar ministerie aangeboden materiaal te toetsen op betrouwbaarheid en volledigheid.

Met betrekking tot het onderzoek Mira heeft de verdediging met name de getuige [getuige 1] onvoldoende kunnen ondervragen als gevolg van het feit dat hem bescherming is gegeven door het openbaar ministerie en dat hem het beantwoorden is belet van vele vragen die geen enkel verband hebben met enig veiligheidsaspect. Verder is de verdediging ernstig beperkt in haar ondervragingsrecht met betrekking tot de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

Met betrekking tot het onderzoek Okura II heeft de verdediging met name de getuigen [slachtoffer 5] en de gebroeders [slachtoffers 4 en 6] niet dan wel niet volledig kunnen ondervragen.

Door Nederlandse opsporingsambtenaren is wat de getuige [getuige 1] in het onderzoek Mira betreft, op Servisch grondgebied met schending van de Servische soevereiniteit gebruik gemaakt van een criminele burger infiltrant, waarvan moet worden aangenomen dat deze met medeweten dan wel instructie van die opsporingsambtenaren informatie heeft ingewonnen, terwijl door het handelen van die opsporingsambtenaren ten aanzien van de eerste verhoren die de getuige zijn afgenomen, niet meer is te reconstrueren hoe die zijn verlopen zodat aan de juistheid van de wijze van verslaglegging en de inhoud van die verhoren valt te twijfelen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt te dien aanzien het volgende op grond van de stukken in het strafdossier van de verdachte en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, kan in zijn algemeenheid niet van het openbaar ministerie worden verlangd, dat wanneer resultaten van in strafrechtelijke onderzoeken gericht op derden ingezette opsporingsmethoden worden toegevoegd aan het strafdossier van de verdachte, daarmee ook alle aan die ingezette opsporingsmethoden ten grondslag liggende stukken dienen te worden toegevoegd. De verdachte komt niet zonder meer een beroep toe op in dat verband mogelijk gemaakte inbreuken op de rechten van die derden, ook niet wanneer zou blijken dat die inbreuken ten opzichte van die derden onrechtmatig zijn geweest.

Door de verdediging zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan dat in de thans voorliggende strafzaak van de verdachte anders zou zijn en naar het oordeel van het hof zijn die evenmin aannemelijk geworden.

De enkele omstandigheid dat in het strafrechtelijk onderzoek van de verdachte zijn begrepen strafrechtelijke onderzoeken tegen anderen uit 1993 en 1999, brengt niet zonder meer met zich dat er voor de verdediging geen mogelijkheid zou zijn om het door het openbaar ministerie aangeboden materiaal te toetsen op betrouwbaarheid en volledigheid.

De verdediging is waar mogelijk de gelegenheid geboden om relevante getuigen te ondervragen en het openbaar ministerie heeft zich ingezet om relevante stukken aan het dossier van de verdachte toe te voegen naar aanleiding van verzoeken die door de verdediging zijn gedaan en die door het hof zijn toegewezen.

Dat het openbaar ministerie verder enig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ondervragingsrecht van de in dit verband door de verdediging met name genoemde getuigen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de [getuige 1] overweegt het hof nog het volgende.

Aan de verdachte is een aantal levensdelicten ten laste gelegd en uit de inhoud van het strafdossier van de verdachte blijkt dat de [getuige 1] ten aanzien van één van die levensdelicten belastend heeft verklaard over de verdachte. Uit de inhoud van dat strafdossier blijkt voorts dat [getuige 4], die ook is genoemd in verband met het feit waarover de getuige heeft verklaard, inmiddels is overleden. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank

's-Gravenhage heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen gedateerd 27 oktober 2011 daarover gerelateerd vernomen te hebben dat de [getuige 4] is omgebracht en uit de inhoud van het strafdossier van de verdachte wordt minst genomen het vermoeden gewekt dat hetgeen waarover de [getuige 1] verklaart, zich afspeelt in een gewelddadig milieu. Naar het oordeel van het hof kan dan ook een gegrond vermoeden worden aangenomen dat de [getuige 1] in verband met het afleggen van zijn verklaring in de strafzaak van de verdachte gevaar loopt en in dat licht bezien is de beslissing van het openbaar ministerie om de getuige bescherming te bieden alleszins gerechtvaardigd.

De [getuige 1] heeft zich op 6 juni 2006 gemeld bij de Nederlandse Ambassade in Belgrado, Servië waar met hem vervolgens in juni, juli en augustus 2006 door Nederlandse opsporingsambtenaren oriënterende gesprekken zijn gevoerd. Dat hij moet worden aangemerkt als een criminele burger infiltrant en dat moet worden aangenomen dat deze met medeweten dan wel instructie van Nederlandse opsporingsambtenaren informatie heeft ingewonnen, blijkt niet uit het dossier en is evenmin aannemelijk geworden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is in dat verband ook niet aannemelijk geworden dat in het kader van de strafzaak tegen de verdachte op Servisch grondgebied de Servische soevereiniteit is geschonden.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de verslaglegging van de eerste oriënterende gesprekken in Belgrado van opsporingsambtenaren met de getuige en met betrekking tot het opstellen van het proces-verbaal van zijn verhoor als getuige op 6 september 2006 onzorgvuldig is gehandeld. De oriënterende gesprekken hebben niet plaatsgevonden met een officiële tolk, de processen-verbaal, waarin de inhoud van die gesprekken is neergelegd, zijn vanuit het Nederlands vertaald in het Engels, voorgelezen aan de getuige in het Engels en ten behoeve van de getuige vertaald naar het Servisch. Bij het opstellen van het ambtsedig proces-verbaal inhoudende de verklaring van de getuige gedateerd 6 september 2006 is vervolgens door de opsporingsambtenaren gebruik gemaakt van de teksten van voornoemde oriënterende gesprekken.

Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat met voornoemd onzorgvuldig handelen niet een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt door het openbaar ministerie op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de eisen die zijn gesteld aan de strafrechtspleging de belangen van de samenleving bij normhandhaving door berechting dan wel de belangen van de verdachte in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort zijn gedaan. In dit verband is van belang dat de verdediging van de verdachte nadien herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige te toetsen, aangezien de getuige na de gewraakte oriënterende gesprekken en het afleggen van de verklaring op 6 september 2006 uitgebreid is gehoord in aanwezigheid van de verdediging en het openbaar ministerie door zowel de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage, als door de rechtbank 's-Gravenhage en dit hof.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vrijspraak

Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte in eerste aanleg terecht is vrijgesproken van hetgeen hem onder 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair, 5 primair en subsidiair, en 6 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Onderzoek Mira

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1A en B ten laste gelegde. De verdediging heeft hierbij -kort gezegd- aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en daarom uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is de verdediging van opvatting dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep en op grond van de inhoud van het procesdossier van de verdachte het volgende.

De oriënterende gesprekken

[Getuige 1] heeft zich op 6 juni 2006 gemeld bij de Nederlandse liaison officier van de Nederlandse politie op de Nederlandse ambassade in Belgrado. Vervolgens hebben twee Nederlandse politiefunctionarissen genaamd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] enkele "oriënterende gesprekken" met hem gevoerd. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden met behulp van de assistent van de Nederlandse liaisonofficier die als tolk optrad. De assistent was geen officiële tolk. Zij sprak Servisch, Engels en enkele woorden Nederlands. Met [getuige 1] werd voornamelijk Servisch gesproken. De tolk vertaalde dit voor de politiefunctionarissen naar het Engels en zij hebben hiervan een Nederlandstalig gespreksverslag gemaakt. Dit werd door hen voorgelezen in het Engels en vervolgens door de assistent vertaald in het Servisch. De gespreksverslagen zijn ondertekend door [getuige 1]. Blijkens de verklaringen van inspecteur [verbalisant 1] en brigadier [verbalisant 2], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 juni 2009, hebben zij ook namen genoemd tijdens deze gesprekken en [getuige 1] heeft daarop vervolgens gereageerd. De verslagen bevatten geen letterlijke weergave van hetgeen [getuige 1] verklaard heeft. Niet alle opmerkingen die de politiefunctionarissen hebben gemaakt tijdens deze gesprekken, zijn terug te vinden in de verslagen. Ook is in de verslagen niet terug te vinden welke informatie de politiefunctionarissen tijdens de gesprekken aan [getuige 1] gegeven hebben.

Het hof is van oordeel dat de wijze waarop de gespreksverslagen tot stand zijn gekomen -met name gelet op de vertaalslagen die hierbij hebben plaatsgevonden- minst genomen het gevaar met zich meebrengt dat hetgeen uiteindelijk op papier is gekomen, minder genuanceerd is dan hetgeen de getuige daadwerkelijk heeft gezegd. Nu in de verslagen niet terug te vinden is welke informatie de politiefunctionarissen tijdens de gesprekken exact en op welk moment aan [getuige 1] hebben gegeven, is niet meer te achterhalen of, en zo ja op welke wijze zijn verklaringen beïnvloed zijn door deze informatie. Het hof is van oordeel dat gezien het vorenstaande, uiterste behoedzaamheid bij het gebruiken van deze verslagen voor het bewijs geboden is.

De verhoren in Nederland

Nadat [getuige 1] in Nederland was aangekomen, is hij op 6 september 2006 opnieuw door de politiefunctionarissen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] verhoord met behulp van een officiële tolk. Dit was geen nieuw verhoor, maar een verhoor waarbij gebruik gemaakt is van de verslagen van de oriënterende gesprekken. Dit gebruik bestond niet alleen uit het voorhouden aan de getuige van hetgeen hij blijkens die verslagen verklaard had, maar tevens uit het knippen van letterlijke passages uit de verslagen die vervolgens geplakt werden in het verhoor. Het verhoor van

6 september 2006 was zoals gezegd geen nieuw verhoor, maar een verhoor dat er vooral op gericht was om te controleren of voornoemde gespreksverslagen klopten.

Het hof is van oordeel dat deze wijze van verhoor en het gebruik maken van hele tekstgedeelten uit bestaande verslagen het gevaar met zich mee brengt dat slechts op papier komt wat de getuige eerder verklaard heeft. Met betrekking tot dit verhoor en alle verhoren die daarna hebben plaatsgevonden doet zich bovendien het probleem voor dat niet meer is vast te stellen of de getuige heeft verklaard wat hij zelf oorspronkelijk gezien of gehoord heeft of dat hij heeft verklaard conform hetgeen hem op dat moment of bij een eerder verhoor is voorgehouden, dan wel wat hij zich van eerdere verhoren kan herinneren al dan niet vermengd met (latere) informatie die hij gekregen heeft van de verhorende politiefunctionarissen.

Conclusie

Gezien de gebreken die het hof gesignaleerd heeft met betrekking tot de gespreksverslagen, het verhoor dat op

6 september heeft plaatsgevonden en gelet op de mogelijkheid van "besmetting" van de overige verhoren, inclusief het verhoor dat op 13 juni 2012 ten overstaan van dit hof heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat ook wat betreft deze verklaringen van [getuige 1] uiterste behoedzaamheid bij het gebruik voor het bewijs geboden is.

De inhoud van de verklaringen

Het hof zal thans nader ingaan op de inhoud van de verklaringen van [getuige 1]. Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer 1] heeft [getuige 1] verschillende verklaringen afgelegd. Blijkens het gespreksverslag van 9 juni 2006 heeft hij toen het volgende verklaard:

"Ik herinner mij nu wel een liquidatie in Montenegro van een zestal maanden terug. Ik weet dat [verdachte] (hof: de naam waarmee de getuige de verdachte aanduidt) daar iets mee te maken heeft. Ik weet en heb dat gehoord van [getuige 2], [getuige 5] en [getuige 6]. Het zou gebeurd zijn omdat [verdachte] de man die geliquideerd was in Podgorica ervan verdacht, dat hij ervoor had gezorgd dat [verdachte] nu in de gevangenis zit".

Blijkens het gespreksverslag van 19 juli 2006 heeft [getuige 1] toen het volgende verklaard:

"Ik heb ook gehoord van de vrienden van [verdachte] dat [slachtoffer 1] is vermoord in opdracht van [verdachte]".

Op 30 januari 2007 is de [getuige 1] opnieuw door de politie gehoord. Dit verhoor vond plaats met behulp van een tolk in de Servische taal. [Getuige 1] heeft toen het volgende verklaard:

"Wat ik wel eerder heb gezegd is dat ik voor het eerst van [slachtoffer 1] hoorde van de vertrouwelingen van [verdachte] in Novi Sad. Ik bedoel daarmee [getuige 4] en [getuige 6] en [getuige 5]. Ik hoorde van hen dat [verdachte] hen had gezegd, terwijl hij al vast zat in de gevangenis, dat hij verraden was door een persoon waarvan mij later bleek dat het [slachtoffer 1] was. Men vertelde mij dat [verdachte] dacht dat [slachtoffer 1] in verklaringen aan de Nederlandse politie de verblijfplaats van [verdachte] had prijsgegeven waar hij later is aangetroffen. [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5] zeiden mij letterlijk dat het goed was dat hij opgeruimd was want hij was een hond en een verrader. Zij hebben letterlijk gezegd dat hij de prijs heeft betaald voor het feit dat [verdachte] in de gevangenis zit. In ons taalgebruik betekent dit (dat) [slachtoffer 1] zijn leven heeft verloren door het feit dat [verdachte] in de gevangenis zit.

Op 20 en 21 mei 2008 is [getuige 1] door de rechter-commissaris gehoord met bijstand van een tolk Servisch. [getuige 1] heeft toen het volgende verklaard:

"De opdracht is door [verdachte] aan zijn naaste medewerker [getuige 4] gegeven. [verdachte] heeft niet met zoveel woorden gezegd: [slachtoffer 1] moet vermoord worden. Ik weet dat het voor [verdachte] voldoende was om te zeggen: door hem zit ik in de gevangenis."

Op 10 juni 2009 is [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoord. Hij heeft toen op de vraag "wanneer, van wie en waar hoorde u over de liquidatie van [slachtoffer 1]" het volgende geantwoord (p. 23 proces-verbaal terechtzitting):

"Dat heb ik eind januari, begin februari van [getuige 4] gehoord. Hij zei ook dat [getuige 6] weet van die moord, iedereen uit de groep weet er van. Zogenaamd heeft hij het verdiend te worden vermoord. Vanwege hem is [verdachte] aangehouden in Nederland. Hij speelde informatie omtrent [verdachte] door aan de Nederlandse politie. Het bevel kwam van [verdachte]. Niet direct dat hij het bevel tot moord gaf maar hij gaf wel aan wie er verantwoordelijk voor is dat hij is aangehouden."

Conclusie

Het hof is van oordeel dat op grond van de verklaringen van [getuige 1] kan worden vastgesteld dat hij gedurende een periode actief is geweest in een groep personen waar de verdachte ook deel van uitmaakte. In deze groep is gesproken over de liquidatie van [slachtoffer 1] die heeft plaatsgevonden op een moment dat de verdachte in Nederland gedetineerd was. De betrokkenheid van de verdachte bij de liquidatie van [slachtoffer 1] is een conclusie van [getuige 1] die hij getrokken heeft op basis van de inhoud van gesprekken waaraan hij heeft deelgenomen en op basis van de door hem vastgestelde rangorde in de groep. Zoals het hof hiervoor heeft uiteengezet, is bij het gebruik van de verklaringen van [getuige 1] uiterste behoedzaamheid geboden. Het hof is van oordeel dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat (ook) anderen het mogelijk voorzien hadden op [slachtoffer 1]. Ook de politie sluit een andere opdrachtgever dan de verdachte niet uit. In dit verband wijst het hof op een afgetapt telefoongesprek dat volgens de politie plaatsvond tussen [medeverdachte 2] en [getuige 7] enkele uren na de liquidatie van [slachtoffer 1] en waarin [getuige 7] volgens de politie [medeverdachte 2] op versluierde wijze bericht dat [slachtoffer 1] is geliquideerd.

Nu de verklaringen van [getuige 1] wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de liquidatie van [slachtoffer 1] in de kern niet meer dan door hem getrokken conclusies zijn, en daarenboven niet meer exact valt te achterhalen op welke mededelingen dan wel opmerkingen van personen uit de groep rond de verdachte hij deze conclusies heeft gebaseerd, is naar het oordeel van het hof steunbewijs nodig om buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen dat de verdachte op een zodanige wijze bij de liquidatie van [slachtoffer 1] betrokken was, dat hij als uitlokker of medepleger kan worden aangemerkt.

Het hof heeft onvoldoende steunbewijs in het dossier aangetroffen om tot dat oordeel te kunnen komen. Uit het gesprek dat de verdachte op 2 december 2005 met zijn broer heeft gevoerd en waarin de verdachte zegt dat [slachtoffer 1] gepraat heeft en dat hij zijn vijand is, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte bij die gelegenheid de opdracht geeft om [slachtoffer 1] te liquideren. Ook uit de overige tapgesprekken die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt, blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de verdachte een dergelijke opdracht heeft gegeven. Ook ander bewijs waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte een dergelijke opdracht heeft gegeven, heeft het hof niet aangetroffen in het dossier. Het hof heeft in het dossier evenmin bewijs aangetroffen waaruit betrokkenheid van de verdachte volgt bij het onder 1B ten laste gelegde.

Het hof is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen concluderen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde, zowel in de A als in de B variant. Verdachte wordt dan ook integraal vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Gelet hierop behoeft het verweer van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van getuige [getuige 1]geen bespreking.

Gelet op het voorgaande, wijst het hof het verzoek van de verdediging tot voeging in het dossier van alle door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen (inclusief zwartgemaakte delen) af wegens gebrek aan noodzaak en belang.

Onderzoek Okura II

Met betrekking tot het onder 4 primair ten laste gelegde overweegt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, dat [mededader 1] consequent heeft verklaard dat hij opdracht had gekregen om op de benen te schieten -hetgeen overeenstemt met het bij [slachtoffer 4] aangetroffen letsel- alsmede dat hij een uitstekende schutter is. Uit het vonnis van de Servische rechtbank blijkt dat hij na de beschieting van [slachtoffer 4] nog meerdere kogels over had, dat geschoten is vanaf een geringe afstand en dat het slachtoffer goed verlicht was. Gelet hierop is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat er bij het schieten op [slachtoffer 4] geen sprake is geweest van een poging tot moord c.q. doodslag, op de wijze zoals onder 4 primair is ten laste gelegd, maar van een poging zware mishandeling.

De verdachte dient gelet op hetgeen hiervoor is overwogen te worden vrijgesproken van het hem onder 1A en B, 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair, 5 primair en subsidiair en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 september 1998 te Priboj, in Servië, en in Nederland ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, aan een persoon te weten [slachtoffer 4], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een (met scherpe munitie geladen) vuurwapen naar het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe -kort en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de verklaring die [mededader 2] op 20 november 1999 bij de rechter-commissaris in Servië heeft afgelegd onbetrouwbaar is en mitsdien van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu deze verklaring onder druk van marteling tot stand is gekomen. Het gebruik van deze verklaring brengt volgens de verdediging een schending van artikel 6 van het EVRM met zich mee. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [mededader 2] en [mededader 1] op verzoek, suggestie dan wel in opdracht van de verdachte hebben gehandeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de betreffende verklaring van [mededader 2] onder druk van marteling is afgelegd.

[mededader 2] heeft dit pas voor het eerst verklaard tijdens zijn verhoor als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 juni 2009, bijna elf jaar nadat het feit heeft plaatsgevonden en bijna tien jaar nadat hij de onderhavige verklaring had afgelegd. [Mededader 2] heeft toen verklaard dat zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris in 1999 uitsluitend voor wat betreft de rol van de verdachte onder druk tot stand is gekomen. Wat betreft zijn eigen rol was er volgens [mededader 2] geen druk toegepast. Nu niet is gebleken dat [mededader 2] als verdachte in zijn eigen strafzaak melding heeft gemaakt van het feit dat hij tijdens een verhoor door de politie gemarteld zou zijn, acht het hof zijn verklaring als getuige op dit punt ongeloofwaardig.

Van enige schending van artikel 6 van het EVRM is derhalve niet gebleken, zodat zijn verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast:

De verdachte is op 30 september 1998 voor het Okura Hotel te Amsterdam beschoten en hield -blijkens de verklaring die hij direct na de beschieting tegenover de politie heeft afgelegd- [slachtoffer 6] hiervoor verantwoordelijk. De getuige [mededader 2] heeft op 20 november 1999 bij de rechter-commissaris in Servië onder meer verklaard - verkort en zakelijk weergegeven- dat de verdachte tegen hem had gezegd dat de schutter van de aanslag op zijn leven naar Bosnië-Herzegovina was gevlucht en dat hij hem niet meer kon vinden. [Mededader 2] heeft daarna tegen de verdachte gezegd dat hij de schutter, dan wel iemand van de zijnen voor hem wilde vinden. Enige tijd later heeft de verdachte tegen [mededader 2] gezegd dat de schutter een broer had, genaamd [slachtoffer 4]. [Slachtoffer 4] zou in Priboj, (Servië) wonen en daar als ober in een café werken. Vervolgens heeft [mededader 2] aan de verdachte verteld dat hij reeds een man in de arm had genomen die in Priboj op zoek was naar deze broer. Tenslotte heeft [mededader 2] de verdachte gevraagd of hij iemand in Priboj kende die deze persoon zou kunnen aanwijzen. De verdachte heeft hierop geantwoord dat een persoon bij een café in Priboj zou wachten op de persoon die naar [slachtoffer 4] op zoek was. Hierbij heeft de verdachte volgens [mededader 2] een beschrijving gegeven van het uiterlijk van de man en heeft hij tevens zijn bijnaam genoemd. Ook heeft de verdachte aangegeven waar dat café zich in Priboj precies bevond. [Mededader 2] heeft vervolgens deze informatie doorgegeven aan [mededader 1], zijnde de man die in Priboj reeds op zoek was naar [slachtoffer 4]. Uiteindelijk heeft [mededader 1] [slachtoffer 4] met een pistool in diens been geschoten.

Het hof stelt vast dat [mededader 1] op 13 en 16 november 1999 zowel door respectievelijk de politie en door de rechter-commissaris in Servië als verdachte in voornoemde schietpartij is gehoord en dat hij toen de lezing die [mededader 2] van het voorval had gegeven, heeft bevestigd.

Het hof stelt op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte informatie over de verblijfplaats en de naam van het slachtoffer aan [mededader 2] heeft verschaft, wetende dat met deze informatie het slachtoffer zou worden opgezocht vanwege het feit dat diens broer niet gevonden kon worden. [Mededader 2] heeft deze informatie aan [mededader 1] doorgegeven. Vervolgens heeft [mededader 1] aan de hand van deze informatie [slachtoffer 4] gevonden. Hij heeft met een vuurwapen op hem geschoten, waarbij [slachtoffer 4] in zijn been is geraakt.

Het hof stelt op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte verschillende keren -tot kort voor de aanslag- met [mededader 2] gesproken heeft over het beoogde slachtoffer. De verdachte is naar het oordeel van het hof op de hoogte geweest van het voornemen van [mededader 2] om [slachtoffer 4] geweld aan te doen. De verdachte heeft [mededader 2] informatie over de verblijfplaats en de naam van het slachtoffer verschaft en hij heeft een tussenpersoon geregeld die het slachtoffer heeft aangewezen aan de schutter [mededader 1]. Deze heeft met een vuurwapen op de benen van [slachtoffer 4] geschoten en heeft hem ook geraakt. Dat [slachtoffer 4] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is bepaald niet de verdienste van de verdachte of zijn mededaders.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte een wezenlijke rol heeft gespeeld bij de beschieting van [slachtoffer 4].

Naar het oordeel van het hof is er - gelet op wat hiervoor is overwogen - sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders en leidt de omschreven gedragingen van de verdachte en zijn mededaders tot de conclusie dat het opzet van de verdachte en zijn mededaders doelbewust en met voorbedachten rade gericht is geweest op de uitvoering van het voornemen om aan [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De verdachte en zijn mededaders hebben uitgevoerd waartoe zij bereid waren en waarop zij zich hadden voorbereid. Het hof is op grond van deze gang van zaken van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg hebben gehandeld. Ook de verdachte heeft de tijd gehad zich te beraden op het genomen besluit zodat de gelegenheid heeft bestaan dat ook hij over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad heeft nagedacht en ook hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair, 5 primair en subsidiair, en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1A primair en 4 subsidiair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, op de wijze zoals is bewezen verklaard. Hij heeft zich in dat verband actief ingezet om het slachtoffer geweld aan te doen. Hij heeft informatie omtrent het slachtoffer aan zijn mededaders doorgespeeld en een tussenpersoon geregeld die het slachtoffer aan de schutter heeft aangewezen. Het slachtoffer is vervolgens in zijn been geschoten. Het is daarbij niet aan de verdachte te danken dat het slechts bij een poging is gebleven en dat het slachtoffer uiteindelijk geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer betrof [slachtoffer 4], zijnde de broer van [slachtoffer 6], de man die de verdachte verantwoordelijk hield voor een aanslag op zijn leven. Aangezien de verdachte [slachtoffer 6] niet kon vinden, moest diens broer het kennelijk ontgelden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met deze wraakactie geprobeerd heeft een derde zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2012, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat slechts een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een na te melden aanzienlijke duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 63 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1A primair en subsidiair en B, 2, 3 primair en subsidiair,

4 primair, 5 primair en subsidiair en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. A.M.P. Gaakeer en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2012.