Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0825

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
BK-11/00322
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3173, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolafvoerrecht. Afvoeren van afvalwater op de riolering van een andere gemeente. Aanslag vindt geen steun in de in geding zijnde verordening. Aanslag ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/102 met annotatie van Van der Meijden
FutD 2012-1912
V-N Vandaag 2012/1760
Belastingblad 2012/370
V-N 2012/41.22
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5166

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-11/00322

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 6 april 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwkoop, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 april 2011, nummer AWB 10/7913, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Nieuwkoop opgelegd van € 234.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 41 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd en gelast dat de Inspecteur het griffierecht van € 41 aan belanghebbende vergoedt.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 februari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende woont in een boot, een woonark die is gelegen aan [a-straat 1] te [Z]. De woonark ligt op het grondgebied van de gemeente Nieuwkoop.

3.2. De woonark is aangesloten op een pompput die met een pijp is verbonden met de riolering van de gemeente Woerden. De pompput, pijp en riolering zijn eigendom van de gemeente Woerden en liggen ook op haar grondgebied.

3.3. Het van de woonark afkomstige afvalwater wordt afgevoerd op de riolering van de gemeente Woerden.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep van belanghebbende overwogen:

”(…)

Artikel 2, lid 1, van de door de raad van de gemeente Nieuwkoop vastgestelde Verordening op de heffing en de invordering van rioolafvoerrecht 2009 (hierna: de Verordening) luidt:

’Onder de naam ’rioolafvoerrecht’ wordt geheven: een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit direct of indirect afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.’ De bevoegdheid om dit rioolafvoerrecht te heffen, ontleent de gemeente Nieuwkoop aan artikel 229, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, dat voorziet in de heffing van rechten ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn. Hierna duidt de rechtbank deze rechten aan als: gebruiksretributies. Omdat, naar niet tussen partijen in geschil is, het van het eigendom afkomstige afvalwater wordt afgevoerd op de riolering van de gemeente Woerden is, gelet op de hiervoor genoemde bepalingen uit de Verordening en de Gemeentewet, uitsluitend de gemeente Woerden bevoegd ter zake van deze afvoer een gebruiksretributie te heffen. De wetgever heeft dit nog eens benadrukt in artikel 229a van de Gemeentewet, waarin onder meer is bepaald dat gebruiksretributies kunnen worden geheven door de gemeente die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat (in dit geval: de gemeente Woerden) ongeacht of het belastbare feit (in dit geval: de afvoer van afvalwater op de gemeentelijke riolering) zich binnen of buiten het grondgebied van deze gemeente voordoet. Een gemeente kan haar aan de Gemeentewet ontleende bevoegdheid om belastingen te heffen niet overdragen aan een andere gemeente. Reeds hierom leidt de mondelinge afspraak tussen ambtenaren van de gemeente Woerden en Nieuwkoop, die naderhand is vastgelegd in een namens het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan de gemeente Woerden gezonden brief d.d. 25 januari 2011, inzake de compensatie afvalinzameling en rioolactiviteiten [a-straat] kern Nieuwkoop, de rechtbank niet tot een ander oordeel. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat [belanghebbende] kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke aanslag terecht is opgelegd, welke vraag door de Inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

6.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep gegrond is. De voorhanden zijnde gegevens wijzen naar ’s Hofs oordeel niet anders uit dan dat de aanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, nu de aanslag geen steun vindt in de in geding zijnde verordening, de ”Verordening op de heffing en de invordering van rioolafvoerrecht 2009”. De Inspecteur heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd op grond waarvan een andere conclusie is gerechtvaardigd. De stelling van de Inspecteur dat een deel van de riolering van de gemeente Woerden door de gemeente Nieuwkoop wordt beheerd en onderhouden, waarbij hij tevens verwijst naar artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, treft naar ’s Hofs oordeel geen doel, reeds omdat die stelling eraan voorbij gaat dat de aanslag is opgelegd krachtens genoemde verordening. En die verordening biedt in dit geval juist geen rechtsgrond voor een heffing als de onderhavige, omdat daarin als aanknopingspunt voor de heffing uitsluitend het afvoeren van afvalwater op de riolering van de gemeente Nieuwkoop is opgenomen en daarvan is hier, gelijk tussen partijen vaststaat, geen sprake.

7.2. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en zal het Hof beslissen als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 454.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 6 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is ondertekend door mr. J.T. Sanders omdat de voorzitter daartoe niet in de gelegenheid was.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.