Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0772

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
BK-11/00207
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende drijft in de vorm van een eenmanszaak een ambulante handel in onder meer CD’s en DVD’s. In de jaren 2006 en 2007 zijn aan belanghebbende voor € 407.079 grote partijen blanco CD’s en DVD’s geleverd door en afkomstig van in België gevestigde leveranciers. Deze inkopen heeft belanghebbende niet in zijn administratie verwerkt. Naar aanleiding van een vanwege de Inspecteur ingesteld boekenonderzoek is bij de aanslagregeling de winst voor het jaar 2006 verhoogd met € 10.372 ter zake van meer genoten winst in verband met het hier te lande afzetten van de goederen uit België. Aanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1898
V-N Vandaag 2012/1707
V-N 2012/47.19.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-11/00207

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 15 juni 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor [P]), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 maart 2011, nummer AWB 09/883 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.662 opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft bij brief van 30 januari 2009 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op het tegen de aanslag gemaakte bezwaar. Een griffierecht van € 39 is geheven.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2009 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.462, de Inspecteur veroordeeld de kosten van het beroep ten bedrage van € 301,88 aan belanghebbende te voldoen en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 39 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een (afzonderlijk) griffierecht is niet geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 mei 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Bij brief van 3 mei 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende noch hij ter zitting verschijnt. Om uitstel van de mondelinge behandeling is niet verzocht.

2.4. Ter zitting zijn tevens behandeld de twee zaken met de kenmerken BK-11/00205 en BK-11/00206. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van de gedingen is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk te achten, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende drijft onder de naam [A] in de vorm van een eenmanszaak een ambulante handel in CD’s en DVD’s, sieraden, portefeuilles en andere partijgoederen. De handel heeft plaats op diverse (week)markten in Nederland.

3.2. In de jaren 2006 en 2007 zijn aan belanghebbende voor € 407.079 (€ 81.379 in 2006 en € 325.700 in 2007) grote partijen blanco CD’s en DVD’s geleverd door en afkomstig van in België gevestigde leveranciers. Deze inkopen heeft belanghebbende niet in zijn administratie verwerkt.

3.3. De blanco CD’s en DVD’s heeft belanghebbende in de jaren 2006 en 2007 verhandeld en in Nederland tegen betaling geleverd aan diverse afnemers zonder een en ander te administreren. Dienaangaande is in rechte vastgesteld - het desbetreffende rechterlijke vonnis van 28 september 2011, nummer 377513/HA ZA 10-3620, behoort in afschrift tot de gedingstukken - dat belanghebbende onder meer ter zake van die leveringen thuiskopievergoedingen is verschuldigd ter grootte van € 949.820,34 en van € 3.823,20.3.

3.4. Naar aanleiding van een vanwege de Inspecteur ingesteld boekenonderzoek is bij de aanslagregeling de winst voor het jaar 2006 verhoogd met € 10.372 ter zake van meer genoten winst in verband met het hier te lande afzetten van de goederen uit België en met € 9.000 in verband met een niet afdoende verklaarde negatieve kas, welke laatste correctie niet wordt betwist.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep van belanghebbende overwogen:

”(…)

4.2 De rechtbank stelt voorop dat [belanghebbende] de door [de Inspecteur] doorgevoerde correctie in verband met de negatieve kas niet heeft betwist.

4.3 Evenmin heeft [belanghebbende] de stelling van [de Inspecteur] betwist dat hij niet heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) en dat dat ingevolge artikel 27e van de Awr met zich brengt dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Derhalve rust op [belanghebbende] de last om aan te tonen dat de bestreden uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] daarin niet is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

4.4 [De Inspecteur] heeft met betrekking tot de omzetcorrectie - zakelijk weergegeven – onweersproken gesteld, dat [belanghebbende] eerst in de beroepsfase heeft erkend in het onderwerpelijke jaar vanuit België intracommunautaire verwervingen te hebben verricht, dat [belanghebbende] deze verwervingen en de leveringen van die goederen niet in zijn administratie, niet in zijn aangiften omzetbelasting en niet bij de berekening van zijn belastbare winst heeft verantwoord. Dat [belanghebbende] de vanuit België intracommunautair verworven goederen met een kleine winstopslag intracommunautair heeft doorgeleverd aan twee afnemers in Duitsland, acht [de Inspecteur] niet aannemelijk. Eerst in de beroepsfase heeft [belanghebbende], kennelijk mede ten bewijze dat hij de hiervoor vermelde goederen slechts met een kleine winstopslag heeft doorgeleverd, enkel kopiefacturen aan de veronderstelde afnemers in het geding gebracht. Dat alleen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is, alleen al omdat [belanghebbende] daarmee niet heeft aangetoond dat die facturen de levering van (uitsluitend) alle uit België verworven goederen bevatten.

4.5 De juistheid van zijn stelling dat hij in het onderwerpelijke jaar niet voor een bedrag van € 81.379 maar voor € 78.179,88 aan goederen vanuit België heeft verworven, heeft [belanghebbende] evenmin aangetoond. De rechtbank overweegt daartoe dat [de Inspecteur] het bedrag van € 81.379 heeft gebaseerd op informatie ontvangen van de Belgische belastingdienst. Dat [belanghebbende] niet over facturen ten bedrage van het verschil tussen beide bedragen ad € 3.200 beschikt kan niet dienen als bewijs dat slechts voor het laagstvermelde bedrag intracommunautaire verwervingen hebben plaatsgevonden.

4.6 Op [de Inspecteur] rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de door hem aangebrachte omzetcorrecties. Naar het oordeel van de rechtbank is [de Inspecteur] daarin geslaagd. Het door [de Inspecteur] gehanteerde brutowinstpercentage van 12,5 komt de rechtbank alleszins redelijk voor, zodat plaats is voor een winstcorrectie van € 10.172 (12,5% van € 81.379). [De Inspecteur] heeft echter een winstcorrectie toegepast van € 10.372. Derhalve dient het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning met € 200 te worden verminderd.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Wat dat aangaat houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of terecht een winstcorrectie van € 10.172 (beslissing rechtbank) is toegepast, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof merkt als vaststaand aan - partijen zijn het op dat punt ook eens - dat belanghebbende de in geding zijnde goederen tegen betaling heeft geleverd in Nederland. Daaromtrent is, net als omtrent de verwerving van de goederen, niets in de administratie verantwoord. Weliswaar heeft belanghebbende in de loop van de procedure allerlei documentatie overgelegd, maar daarmee is tegenover de overtuigende betwisting door de Inspecteur niet komen vast te staan, laat staan aannemelijk gemaakt, dat bij de berekening van de winst is uitgegaan van verkeerde veronderstellingen.

6.2. Nu vaststaat dat belanghebbende de in geding zijnde goederen, ook in het onderhavige jaar (2006), hier te lande heeft verhandeld dient de vraag te worden beantwoord - belanghebbende brengt dat naar voren - of de alsdan terecht belopen correctie tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De ter berekening van de te heffen belasting en premie gehanteerde bedragen zijn afkomstig van de boekhouding van belanghebbende en van door belanghebbende verstrekte informatie verhoogd met een winstpercentage van 12,5 van de inkoopwaarde na een door belanghebbende zelf opgegeven in de branche gebruikelijk te realiseren winstpercentage tussen 10 en 15. Belanghebbende brengt in dat slechts een winstpercentage in aanmerking mag worden genomen van 3,8. Dat percentage maakt hij evenwel op geen enkele wijze waar en komt het Hof ook als onaannemelijk voor. Met de Inspecteur is het Hof bovendien van oordeel dat uit de omstandigheid dat belanghebbende de thuiskopievergoedingen niet eigener beweging heeft betaald, redelijkerwijs is af te leiden dat een brutowinstpercentage is behaald dat ver ligt boven de in aanmerking genomen 12,5. Dat betekent dat de aanslag met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.462 (beslissing rechtbank) zeker niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

6.3. Belanghebbende heeft nog gesteld dat in verband met een ter zake van de in geding zijnde leveringen verschuldigde omzetbelasting opgelegde naheffingsaanslag en in verband met de gevorderde thuiskopievergoeding ten laste van het resultaat een voorziening kan worden gevormd. Dienaangaande overweegt het Hof dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de schulden waarop de geclaimde voorziening ziet ooit zullen worden betaald. De door belanghebbende overgelegde informatie omtrent een gestelde bankgarantie ziet op een ander tijdvak dan hier aan de orde.

6.4. Het vorenstaande voert het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep faalt. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.S. Sterkenburg. De beslissing is op 15 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.