Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0713

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.101.422-01 en 200.101.999-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing. Onttrekking aan hulp; onderzoeksgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummers : 200.101.422/01 en 200.101.999/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-3075

In de zaak met zaaknummer 200.101.422/01:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. drs. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1.[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem,

2. [de minderjarige],

geboren [in 1997] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in [naam instelling],

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem.

In de zaak met zaaknummer 200.101.999/01:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [de minderjarige],

geboren [in 1997] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in [naam instelling],

hierna te noemen: de minderjarige,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. drs. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is, in beide zaken, in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 1 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 november 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader en de minderjarige zijn op 14 februari 2012 eveneens in hoger beroep gekomen van deze beschikking.

Jeugdzorg heeft in beide zaken afzonderlijk op 28 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de vader en de minderjarige:

- op 21 februari 2012 een brief van 20 februari 2012 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 16 februari 2012 een brief van 15 februari 2012 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Beide zaken zijn op 1 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader en de minderjarige, bijgestaan door hun advocaat;

- de heer J. Pappers en mevrouw S. Scheele-Verheggen namens Jeugdzorg.

De advocaat van de vader en de minderjarige heeft ter terechtzitting het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof, in beide zaken, naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg van 15 november 2011 tot 24 juli 2012, zulks ter effectuering van het aan de beschikking gehechte indicatiebesluit van 21 oktober 2011.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN DE HOGER BEROEPEN

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

2. De moeder verzoekt het hof in de zaak met zaaknummer 200.101.422/01 de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt:) het inleidende verzoek van Jeugdzorg om een machtiging te verlenen om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af te wijzen.

3. De vader en de minderjarige verzoeken het hof in de zaak met zaaknummer 200.101.999/01 de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (naar het hof begrijpt:) het inleidende verzoek van Jeugdzorg om een machtiging te verlenen om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af te wijzen.

4. Jeugdzorg bestrijdt beide beroepen en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien zowel het verzoek in hoger beroep van de moeder als het verzoek in hoger beroep van de vader en de minderjarige, beide strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte een machtiging heeft verleend om de minderjarige te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Naar haar mening heeft Jeugdzorg niet, althans onvoldoende aangetoond dat de minderjarige zich heeft onttrokken aan de geboden hulp. In dit kader wijst de moeder erop dat de minderjarige weliswaar is weggelopen bij een loopkamp van Horizon, maar dat niet is komen vast te staan of de minderjarige zich heeft onttrokken of dat zij gewoonweg fysiek of mentaal niet meer verder kon. Nadat Horizon te kennen heeft gegeven de minderjarige vanwege haar probleemgedrag geen hulp en onderwijs meer te kunnen bieden, had moeten worden gekeken of de minderjarige verder geholpen kon worden bij bijvoorbeeld Triversum, zo stelt de moeder. Triversum is gericht op kinderen met een mogelijk psychiatrische stoornis. Volgens de moeder zijn er nu ten onrechte stappen overgeslagen. Nu de gemiddelde opnameduur in een gesloten instelling anderhalf jaar is, moet de gesloten plaatsing bovendien disproportioneel worden geacht.

6. De vader en de minderjarige kunnen zich eveneens niet verenigen met de beslissing van de kinderrechter om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Zij betogen dat de gesloten plaatsing niet in het belang is van de minderjarige. De minderjarige is zich er ten volle van bewust dat het in de thuissituatie goed moet gaan. Zij heeft er zelf vertrouwen in dat zij na een plaatsing bij de vader zal luisteren naar de vader en voor zover nodig naar de aanwijzingen van Jeugdzorg en dat het goed zal gaan met haar op school.

7. Jeugdzorg stelt zich in beide zaken op het standpunt dat de minderjarige op dit moment is aangewezen op continuering van de gesloten plaatsing en voert daartoe het volgende aan. De afgelopen jaren is er sprake geweest van verschillende hulpvormen die allemaal geen blijvende verandering teweeg hebben gebracht. In september 2011 zijn er tijdens gesprekken met school en met de systeemcoaches van Horizon afspraken gemaakt. Hieraan heeft de minderjarige zich niet gehouden. De minderjarige is vervolgens duidelijk gemaakt dat zij deel moest nemen aan een loopkamp van Horizon als een laatste kans om een gesloten plaatsing te voorkomen. Op de eerste dag van het loopkamp is de minderjarige weggelopen. Volgens Jeugdzorg is dit een keuze die de minderjarige zelf heeft gemaakt. Jeugdzorg benadrukt dat het wettelijke criterium voor een gesloten plaatsing, inhoudende dat de gesloten plaatsing noodzakelijk moet zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de benodigde zorg zal onttrekken, niet alleen ziet op fysiek ontrekken, maar ook op gedrag dat feitelijk het ontrekken aan de hulpverlening tot gevolg heeft, zoals in casu de agressieve houding en de weerstand van de minderjarige, haar neiging tot manipuleren en haar zelfbepalende gedrag. Naar de mening van Jeugdzorg is de minderjarige er thans dringend bij gebaat dat vanuit een gesloten instelling wordt onderzocht welke vervolghulp zij nodig heeft. Een verblijf in een open setting is op dit moment niet reëel, aldus Jeugdzorg. Het moeilijke gedrag van de minderjarige en het feit dat zij geen gezag accepteert, wordt ook gezien op de huidige school van de minderjarige en in de gesloten instelling waar zij verblijft. Gelet hierop heeft Jeugdzorg er geen vertrouwen in dat de minderjarige haar toezegging dat het nu wel goed zal gaan in de thuissituatie kan waarmaken.

8. Het hof overweegt in beide zaken als volgt. Ingevolge artikel 29b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg wordt een machtiging tot opneming van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts verleend indien de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de minderjarige ten tijde van het inleidende verzoek van Jeugdzorg en daarna ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen vertoonde. Al in 2001 is door het Curium vastgesteld dat de minderjarige gedragsproblemen had die in de richting gingen van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) en hechtingsproblemen. Omdat de noodzakelijke hulpverlening in de jaren daarna niet goed van de grond kwam, is de minderjarige in 2006 onder toezicht gesteld. Van 2006 tot 2011 zijn er vervolgens allerlei hulpverleningsvormen ten behoeve van de minderjarige ingezet, maar deze hadden alle niet het gewenste resultaat. In 2009 heeft er een psychologisch onderzoek plaatsgevonden en is bevestigd dat er bij de minderjarige sprake is van ODD. De laatste jaren zijn de gedragsproblemen van de minderjarige alleen maar verergerd. Thuis liep het regelmatig uit de hand vanwege het feit dat de minderjarige steeds de grenzen van de moeder opzocht. De moeder heeft zelfs een keer de politie moeten inschakelen omdat de minderjarige onhandelbaar was. Op school (cluster 4-onderwijs van Horizon) verzuimde de minderjarige veelvuldig en had zij regelmatig conflicten met docenten en medeleerlingen. In september 2011 heeft de leiding van de school van de minderjarige te kennen gegeven de minderjarige niet langer onderwijs te kunnen bieden omdat zij niet tot leren komt en geen verband ziet tussen haar beroepswens en haar gedrag. Door de systeemcoaches van Horizon is geregeld dat de minderjarige deel kon nemen aan een loopkamp van PEL (Projecten Ervarend Leren) met als doel dat de minderjarige kon laten zien dat zij mogelijkheden en vaardigheden had ontwikkeld om toch op school te kunnen blijven. Na een dag is de minderjarige echter weggelopen bij het loopkamp. Omdat er vanuit Horizon geen hulpaanbod meer mogelijk was, is toen een machtiging gesloten plaatsing aangevraagd. Uit de verweerschriften van Jeugdzorg maakt het hof op dat de minderjarige, nu zij is geplaatst in een gesloten instelling, nog steeds zorgelijk gedrag vertoont, zowel in de groep als op school.

10. Het hof acht het, evenals Jeugdzorg, noodzakelijk dat het verblijf van de minderjarige in de gesloten instelling wordt voortgezet. Aan het begin van de plaatsing is door de gezinsvoogd gevraagd zowel een psychologisch als een psychiatrisch onderzoek bij de minderjarige af te nemen. Het psychologisch onderzoek is inmiddels afgerond. Het psychiatrisch onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd. Zodra de uitkomsten hiervan bekend zijn kan er in samenhang met de uitkomsten van het psychologisch onderzoek bekeken worden welke vervolghulp nodig is voor de minderjarige. Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg toegezegd in de tussentijd ook alvast een onderzoek te zullen starten naar de mogelijkheden en de thuissituatie van de beide ouders. Naar het oordeel van het hof is het van groot belang dat de onderzoeken plaatsvinden vanuit een gesloten setting. Gebleken is immers dat de minderjarige haar problematiek ontkent en niet gemotiveerd is voor hulpverlening. De kans is dan ook reëel dat zij zich na een plaatsing bij één van de ouders of in een open instelling zal onttrekken aan de hulpverlening waardoor de in gang gezette onderzoeken niet kunnen worden afgerond en geen vervolgtraject zal kunnen worden vastgesteld.

11. Gelet op het hiervoor overwogene is er naar het oordeel van het hof nog altijd sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen aan de zijde van de minderjarige die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich aan de benodigde zorg zal onttrekken of daardoor door anderen zal worden onttrokken. De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg is dan ook terecht verleend.

12. Op het ter terechtzitting door de advocaat van de moeder en de advocaat van de vader en de minderjarige gezamenlijk gedane verzoek om de zaak een maand aan te houden, heeft het hof afwijzend beslist. Het hof verwacht dat voor het afronden van de thans aanhangige onderzoeken de periode tot 24 juli 2012 zeker nodig is. Gelet daarop ziet het hof geen aanleiding om de zaak aan te houden tot een ander tijdstip. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP DE HOGERE BEROEPEN

In de zaak met zaaknummer 200.101.422/01 en in de zaak met zaaknummer 200.101.999/01:

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.