Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0709

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.094.593-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mentorschap. Gronden aanwezig? Persoon mentor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummer : 200.094.593/01

Rekestnr. rechtbank : EJ VERZ 11-81928

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse,

tegen

1.[de vader],

hierna te noemen: de vader,

2. [de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. S.E. Dirksen te Naaldwijk, gemeente Westland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De betrokkene is op 26 september 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 september 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, onder rekestnummer EJ VERZ 11-81928.

De ouders hebben op 22 november 2011 een verweerschrift ingediend.

van de zijde van de betrokkene:

- op 11 oktober 2011 een brief van 23 september 2011 met bijlagen;

- op 2 december 2011 een brief van 1 december 2011 met bijlagen;

- op 3 februari 2012 een brief van 2 februari 2012 met bijlagen;

van de zijde van de ouders:

- op 23 januari 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, op 26 januari 2012 tevens als brief met bijlage ingekomen.

De zaak is op 9 februari 2012, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.094.591/01, mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat.

De advocaat van de ouders heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene en zijn de ouders benoemd tot mentoren.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het mentorschap ten behoeve van de betrokkene, alsmede de benoeming van de mentoren.

2. De betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt:) primair het verzoek tot instelling van een mentorschap af te wijzen, subsidiair [ouders van de vriend van de betrokkene] te benoemen tot mentoren en meer subsidiair een professionele instelling te benoemen tot mentor.

3. De ouders bestrijden het beroep en verzoeken primair de bestreden beschikking te bekrachtigen en derhalve zowel het primaire als het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de betrokkene, zo nodig onder aanvulling van gronden, af te wijzen, en subsidiair, voor zover het hof meent dat de bestreden beschikking niet in stand zou kunnen blijven, het primaire en het subsidiaire verzoek van de betrokkene af te wijzen en het meer subsidiaire verzoek van de betrokkene om een professionele instelling tot mentor te benoemen, toe te wijzen, een en ander kosten rechtens.

Procedure

4. De betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte is overgegaan tot het instellen van een mentorschap zonder haar te hebben gezien en gehoord. De betrokkene had in eerste aanleg verweer willen voeren. Achteraf is echter gebleken dat haar verweerschrift is zoekgeraakt bij de post en daardoor de kantonrechter nimmer heeft bereikt.

5. Het hof overweegt als volgt. Daar het hoger beroep mede dient om eventuele processuele verzuimen in eerste aanleg te herstellen, kan het gestelde verzuim, wat daar ook van zij, niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het door de betrokkene gestelde dienaangaande passeert het hof dan ook.

Inhoudelijke beoordeling

6. De betrokkene stelt zich primair op het standpunt dat niet is voldaan aan de wettelijke gronden voor de instelling van een mentorschap. Zij betoogt dat zij zeer wel in staat is haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. De betrokkene is op 17 juli 2011 ontslagen uit het Delta Psychiatrisch Centrum en woont sindsdien bij de ouders van haar vriend. Zij wijst erop dat het daar veel beter met haar gaat omdat de ouders van haar vriend haar meer gelegenheid geven om zelfstandig te worden. Volgens de betrokkene is gebleken dat zij meer kan dan altijd is verondersteld. Subsidiair stelt de betrokkene zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte de ouders heeft benoemd tot haar mentoren. Zij maakt momenteel immers geen deel meer uit van het gezin van de ouders en leeft bovendien met hen in onmin. Mocht het hof van oordeel zijn dat aan de wettelijke gronden voor de instelling van een mentorschap is voldaan, dan verzoekt de betrokkene de ouders van haar vriend te benoemen tot haar mentoren. Mocht het hof hiertoe niet willen overgaan, dan verzoekt de betrokkene een professionele instelling tot mentor te benoemen.

7. De ouders achten het mentorschap ten behoeve van de betrokkene noodzakelijk. Zij betogen dat de betrokkene onder meer door haar lage IQ, haar gedragsproblematiek en het ontbreken van enig ziekte-inzicht niet in staat is zelf haar niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De ouders benadrukken dat uit verschillende rapporten en brieven van gezondheidszorginstellingen blijkt dat er grote zorgen zijn omtrent de lichamelijke en geestelijke toestand van de betrokkene. Gebleken is dat de betrokkene zich op allerhande manieren onttrekt aan het medische en psychiatrische circuit, aldus de ouders. In dit kader wijzen de ouders erop dat de betrokkene niet uit het Delta Psychiatrisch Centrum is ontslagen, maar zelf - tegen het behandeladvies in - op 10 augustus 2011 de behandeling heeft gestaakt en is weggegaan. De ouders erkennen dat het contact met de betrokkene op dit moment niet soepel verloopt. Volgens hen wordt dit mede veroorzaakt doordat de ouders van de vriend van de betrokkene ieder contact ontmoedigen. De ouders voeren hun mentorschap ondanks alles zo goed mogelijk uit door in overleg te blijven met de behandeld artsen van de betrokkene. Zij zijn bekend met de (behandel)geschiedenis en de diagnose van de betrokkene en hebben het beste met haar voor. Gelet daarop achten zij zichzelf bij uitstek geschikt als mentoren. De ouders zijn van mening dat het absoluut niet in het belang van de betrokkene is dat de ouders van haar vriend tot haar mentoren worden benoemd. Volgens hen hebben de ouders van de vriend van de betrokkene een zeer slechte invloed op de betrokkene. Zo maken zij de betrokkene - zonder enige kennis te hebben van haar medische status en geschiedenis - wijs dat er niets met haar aan de hand is. Op deze manier stimuleren zij de betrokkene om zich te ontrekken aan het hulpverleningscircuit. De ouders wijzen er nog op dat de betrokkene en de ouders van haar vriend elkaar pas een paar maanden kennen en dat het dus maar de vraag is of de ouders van de vriend van de betrokkene zich wel bewust zijn van de last die zij als mentoren op zich nemen. Daarenboven is het bij de betrokkene altijd maar de vraag hoe lang relaties duren, zo stellen de ouders. Als de betrokkene in een impuls de relatie met haar vriend verbreekt, dan zijn haar ‘ex-schoonouders’ haar mentoren, zulks met alle onzekerheid en bijkomende problemen van dien.

8. Het hof overweegt als volgt. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter te zijnen behoeve een mentorschap, zoals bedoeld in artikel 1:450, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) instellen.

9. Op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is dan wel bemoeilijkt wordt haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Er is bij de betrokkene sprake van een verstandelijke beperking in combinatie met ernstige gedragsproblematiek. Uit het door de ouders overgelegde rapport van de Stichting MEE van 15 juni 2009 blijkt dat de betrokkene sociaal emotioneel gezien niet leeftijdsadequaat functioneert en op veel gebieden met betrekking tot algehele dagelijkse levensverrichtingen aansturing en stimulans nodig heeft. In de bij het verzoek tot onderbewindstelling en instelling van mentorschap gevoegde brief van 22 juni 2011 van een orthopedagoog van het Delta Psychiatrisch Centrum wordt aangegeven dat de instelling van een mentorschap ten behoeve van de betrokkene wenselijk en noodzakelijk is. Uit genoemde brief valt op te maken dat ziekte-inzicht bij de betrokkene ontbreekt en dat de betrokkene zichzelf overschat. De orthopedagoog acht een langdurig zorgtraject noodzakelijk. De betrokkene is de afgelopen jaren meerdere malen opgenomen geweest in verschillende instellingen. In het Delta Psychiatrisch Centrum is zij vanaf november 2010 in eerste instantie een half jaar opgenomen geweest krachtens een rechterlijke machtiging. Nadien was er sprake van een vrijwillige opname. De betrokkene is verschillende keren, tegen het behandeladvies in, uit een instelling vertrokken. Zo ook afgelopen zomer bij het Delta Psychiatrisch Centrum.

10. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking ten aanzien van de instelling van het mentorschap dient te worden bekrachtigd.

11. Omtrent de benoeming van de mentor(en) overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 1:452, derde lid, BW dient bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te worden gevolgd, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Indien geen sprake is van een uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene of indien deze door de rechter vanwege gegronde redenen niet wordt gevolgd, wordt blijkens het vierde lid van gemeld wetsartikel bij voorkeur de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene en, bij gebreke daarvan, een van diens ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.

12. De betrokkene heeft zowel in haar beroepschrift als ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij wenst dat de ouders van haar vriend in plaats van haar eigen ouders tot haar mentoren worden benoemd. Subsidiair verzoekt de betrokkene een derde, een professionele instelling als mentor te benoemen.

13. Vaststaat dat de ouders van de vriend van de betrokkene de betrokkene nog maar korte tijd kennen, te weten sinds de zomer van 2011. Het hof is van oordeel dat, gelet daarop, op de inhoud van de taken van een mentor in het algemeen en in dit geval in het bijzonder, evenals op de overige relationele betrekkingen, ook tussen de betrokkene en haar ouders, gegronde redenen zich tegen de benoeming van de ouders van de vriend van de betrokkene tot mentoren verzetten en ziet daarom aanleiding om de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene voor zover het betreft de benoeming van de ouders van haar vriend niet te volgen.

14. Voor zover de vriend van de betrokkene zou kunnen worden aangemerkt als de levensgezel van de betrokkene, overweegt het hof dat op grond van de in rechtsoverweging 13 genoemde feiten en omstandigheden eveneens gegronde redenen aanwezig zijn om hem niet tot mentor over haar vermogen te benoemen.

15. Gelet op de slechte verstandhouding tussen de betrokkene en de ouders, ligt een benoeming van de ouders tot mentoren van de betrokkene niet voor de hand en zal het hof de daartoe in de wet uitgesproken voorkeur dan ook niet volgen.

16. Het hof overweegt dat het op grond van het voorgaande tot de gevolgtrekking komt dat het in het belang van de betrokkene de voorkeur heeft een derde tot mentor benoemen. Nu op grond van het bepaalde in artikel 1:452, zesde lid, BW een rechtspersoon niet tot mentor kan worden benoemd, zal de benoeming een natuurlijk persoon betreffen die ook overigens aan de vereisten van laatstgenoemde bepaling voldoet. Het hof zal daarom de zaak pro forma aanhouden tot zaterdag 21 april 2012 en verzoekt de advocaat van de betrokkene voor die datum per brief een voorstel te doen van natuurlijke personen die bereid en in staat zijn de taak van mentor uit te oefenen, zulks onder vermelding van de namen en adresgegevens en onder bijvoeging van een schriftelijke bereidverklaring. Van dit schriftelijk voorstel dient door de advocaat van de betrokkene tegelijkertijd een kopie aan de advocaat van de ouders te worden verzonden. Deze kan daarop binnen veertien dagen na de datum van verzending desgewenst schriftelijk diens reactie aan het hof en aan de advocaat van de betrokkene doen toekomen.

17. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 21 april 2012, ter fine als vermeld in rechtsoverweging 16;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Stille en Van Wijk, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.