Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0699

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.101.159-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Opheffing met ingang van de dag van het geven van de beschikking. Wettelijke gronden niet langer aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2012

Zaaknummer : 200.101.159/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-2724

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K. Logtenberg te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. Het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

gevestigd te Rotterdam,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

hierna te noemen: het LJ&R.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 26 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 oktober 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de vader op 21 februari 2012 een brief van 20 februari 2012 met bijlagen.

Op 1 maart 2012 is de mondelinge behandeling van de zaak aangevangen.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw A. Timmers namens de raad;

- mevrouw T. van Rijn (de gezinsvoogd) namens het LJ&R.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Van de mondelinge behandeling op 1 maart 2012 is een proces-verbaal opgemaakt. De behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 2 mei 2012.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 2 mei 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw A. Timmers namens de raad;

- de moeder;

- mevrouw T. van Rijn (de gezinsvoogd) namens het LJ&R.

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling of schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren [in 2000] te [geboorteplaats] hierna te noemen: [de minderjarige 1], en [de minderjarige 2], geboren [in 2001] te [geboorteplaats] hierna te noemen: [de minderjarige 2], hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: Jeugdzorg) tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het inleidende verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen alsnog wordt afgewezen.

Geldigheid mandaat aan LJ&R

3. Ter zitting van 1 maart 2012 is gebleken dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling door Jeugdzorg is opgedragen aan het LJ&R. Namens de vader is de vraag aan de orde gesteld of Jeugdzorg, zonder beslissing daartoe van de kinderrechter, een mandaat had mogen geven aan het LJ&R.

4. Het hof overweegt dat een besluit om de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het kader van de zogenaamde mandateringsregeling op te dragen aan het LJ&R alleen door Jeugdzorg kan worden genomen. Voor de rechter is de opdracht die Jeugdzorg in dat kader heeft gegeven aan het LJ&R een gegeven.

Ondertoezichtstelling

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter de minderjarigen ten onrechte onder toezicht heeft gesteld. Hij betoogt dat het met [de minderjarige 2] zowel op school als in de thuissituatie goed gaat. Dat [de minderjarige 1] ernstige problemen heeft en is aangewezen op hulpverlening erkent de vader. Volgens hem is hulpverlening in een vrijwillig kader echter toereikend. De vader wijst erop dat hij en de moeder steeds uit zichzelf hulp hebben gezocht als dat noodzakelijk was en dat zij ondanks de communicatieproblemen met Yulius (de instelling waar [de minderjarige 1] tot voor kort verbleef) [de minderjarige 1] nooit bij Yulius hebben weggehaald. De ouders zijn nimmer van plan geweest om met de ingezette hulpverlening te stoppen. De vader benadrukt dat het zonder de inmenging van Jeugdzorg voor hen als ouders veel gemakkelijker is om op een goede manier met Yulius te communiceren. Hij merkt tot slot nog op dat de ondertoezichtstelling vertragend werkt omdat instanties nu uiteraard eerst met de gezinsvoogd willen overleggen.

6. Namens de raad is ter zitting van 2 mei 2012 verklaard dat er sprake is van een positieve verandering en dat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet meer zo sterk aanwezig zijn. Er zijn volgens de raad nog wel wat kwetsbaarheden. Zo zal op termijn de nieuwe partner van de vader definitief naar Nederland komen. Dit zou begeleiding kunnen behoeven, aldus de raad. De raad zou het wenselijk vinden de ondertoezichtstelling nog een half jaar te laten doorlopen.

7. De moeder heeft ter zitting van 2 mei 2012 verklaard dat zij goed voor de minderjarigen kan zorgen. Zij heeft erop gewezen dat zij en de vader zelf hulp hebben ingeschakeld voor [de minderjarige 1] en dat zij nieuwe hulp zullen inschakelen als dat nodig is. Volgens de moeder is de verhouding tussen haar en de vader goed en zijn zij er altijd samen uitgekomen.

8. Namens het LJ&R is ter zitting van 2 mei 2012 verklaard dat er met betrekking tot [de minderjarige 2] geen grote zorgen meer zijn. [de minderjarige 1] woont sinds 23 februari jongstleden weer thuis. Het LJ&R ziet dat de ouders zich erg inzetten. Hoewel de communicatie tussen de ouders is verbeterd, zijn zij het nog niet altijd met elkaar eens. Zo hadden de ouders pasgeleden onenigheid over de vraag op wiens adres [de minderjarige 1] bij de gemeente moet worden ingeschreven. Het LJ&R zou het gezin graag nog een tijdje volgen, ook omdat de Intensieve Psychiatrische Gezinsbegeleiding (IPG) nog moet starten.

9. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden uitgesproken indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of de minderjarigen zodanig opgroeien, dat hun zedelijke of geestelijke belangen dan wel hun gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

10. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de minderjarigen ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. De samenwerking tussen de ouders en Yulius (de instelling waar [de minderjarige 1] destijds verbleef) verliep niet goed. Dit leidde tot veel spanningen en onrust voor [de minderjarige 1]. [de minderjarige 2] zat een periode niet lekker in zijn vel. Er waren zorgen over zijn gedrag, met name bij de moeder thuis en op school. De ouders zaten voor wat betreft de opvoeding van de minderjarigen veelal niet op één lijn. Er was sprake van strijd en miscommunicatie, hetgeen zijn weerslag had op de minderjarigen. De ouders waren net gestart met mediation, maar deze positieve ontwikkeling was nog heel pril. Gelet op het voorgaande was er gerede aanleiding om de minderjarigen onder toezicht te stellen.

11. Onder de huidige omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te handhaven. De situatie is inmiddels in positieve zin gewijzigd. Met [de minderjarige 2] lijkt het een stuk beter te gaan. Volgens de gezinsvoogd ligt hij op school goed in de groep en laat hij zich goed corrigeren. [de minderjarige 1] is drie maanden geleden thuis geplaatst. Net als [de minderjarige 2] woont hij afwisselend bij de vader en de moeder. De ouders doen allebei erg hun best om [de minderjarige 1] een goed thuis te bieden. Zij zijn zich ervan bewust dat [de minderjarige 1] een kwetsbaar kind is dat bijzondere zorg nodig heeft en staan volledig achter de inzet van IPG. De gezinsvoogd heeft aangegeven dat de IPG ook kan worden ingezet indien de ondertoezichtstelling wordt opgeheven. De communicatie tussen de ouders is het afgelopen half jaar verbeterd. Het hof acht de ouders thans in staat om - zonder inmenging van een gezinsvoogd - met elkaar te overleggen en afspraken met elkaar te maken omtrent de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Ter zitting heeft het hof de indruk gekregen dat de ouders er ook samen zullen uitkomen op wiens adres [de minderjarige 1] moet worden ingeschreven. Naar het oordeel van het hof hebben de raad en het LJ&R geen, althans onvoldoende redenen aangevoerd op grond waarvan de ondertoezichtstelling van de minderjarigen dient te worden voortgezet. De omstandigheid dat het LJ&R het gezin graag nog een tijdje zou willen volgen, acht het hof onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Het hof zal de ondertoezichtstelling van de minderjarigen dan ook opheffen met ingang van heden.

12. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de minderjarigen onder toezicht zijn gesteld tot 23 mei 2012;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen af voor zover het de periode met ingang van 23 mei 2012 betreft.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Jansen, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.