Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0698

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.101.230-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Vergoedingsrechten. Natuurlijke verbintenis. Kosten van de huishouding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/106 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 27 juni 2012

Zaaknummer : 200.101.230/01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 10-4395 en 10-9028

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [X],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [X],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 22 maart 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 11 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 25 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn - voor zover hier van belang - de door de man op grond van de huwelijkse voorwaarden van partijen gestelde vergoedingsvorderingen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is volgens mededeling van partijen op 1 december 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn in het kader van de afwikkeling van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden of de man vergoedingsrechten heeft ter zake van door hem met privémiddelen gedane investeringen in de echtelijke woning - die eigendom is van de vrouw -, haar auto en de polis van levensverzekering, die door beide partijen als verzekeringnemer is aangegaan.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzende beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

a. de vrouw gehouden is aan de man te vergoeden zijn nominale inbreng in de op naam van de vrouw gestelde woning van € 61.746,- althans ten minste een bedrag ad € 47.212,24, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht;

b. de vrouw gehouden is aan de man te vergoeden zijn nominale inbreng in de verbouwing van de op naam van de vrouw gestelde woning ad € 68.473,97, althans ten minste de helft van dit bedrag, zijnde € 34.236,99, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

c. de vrouw gehouden is aan de man te vergoeden zijn nominale inbreng in de op naam van de vrouw gestelde auto ad € 17.500,- althans ten minste de huidige dagwaarde, althans ten minste de helft van de huidige dagwaarde althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

d. de volledige waarde van de op beider naam gestelde polis levensverzekering bij de Rabobank aan de man toekomt, althans ten minste de helft van deze waarde.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

Gronden van de man

4.1. De man stelt in zijn eerste grond dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot vergoeding van het bedrag ad € 40.000,- dat uit zijn vermogen is onttrokken en is gebruikt ter financiering van de latere echtelijke woning, die uitsluitend op naam van de vrouw staat, heeft afgewezen.

De man voert daartoe het volgende aan:

- de vrouw heeft erkend dat de volledige overwaarde van de vorige echtelijke woning, welke partijen gezamenlijk in eigendom toebehoorde, is gebruikt voor de financiering van de verkrijging van de latere echtelijke woning die op haar naam is gesteld. Zij heeft alleen gesteld dat zij niet wist om welk bedrag het ging; de helft van die overwaarde komt de man toe;

- er is geen sprake van een natuurlijke verbintenis zoals de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank is door deze overweging buiten de rechtsstrijd getreden; de vrouw heeft slechts een beroep gedaan op redelijkheid en billijkheid;

- de laatste echtelijke woning stond enkel in het kadaster op naam van de vrouw in verband met eventuele uit het bedrijf van de man voortvloeiende aansprakelijkheden;

- het is niet redelijk en billijk indien de vrouw de volledige overwaarde van die woning toe zou komen, omdat de man een lager bedrag aan vermogen in zijn onderneming heeft opgebouwd.

4.2. In zijn tweede grond klaagt de man erover dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot vergoeding van de door hem privé betaalde kosten in verband met de koopakte en de verbouwing van de echtelijke woning, die uitsluitend op naam van de vrouw staat, heeft afgewezen. De man voert daartoe aan dat:

- de kosten van de verbouwing geen kosten van noodzakelijk onderhoud betreffen, maar zijn gemaakt ter vergroting en verfraaiing van de woning; er is geen sprake van kosten van de huishouding en evenmin van voldoen aan een natuurlijke verbintenis;

- partijen een gescheiden boekhouding voerden.

4.3. De man stelt in zijn derde grond dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot vergoeding van de uit zijn privévermogen betaalde aankoopprijs van de auto, waarvan het kenteken op naam van de vrouw is gesteld, heeft afgewezen. Hij voert daartoe het volgende aan:

- artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden ziet niet alleen op goederen die hun waarde behouden, zoals de rechtbank overweegt;

- de aanschafkosten van de auto zijn niet aan te merken als kosten van de huishouding; indien dit wel het geval is, is de auto gemeenschappelijk en moet de waarde bij helfte worden verdeeld.

4.4. In zijn vierde tevens laatste grond stelt de man dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot toedeling van (het deel van) de levensverzekering op naam van de vrouw bij de Rabobank heeft afgewezen. Volgens de man heeft hij, ondanks artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, altijd de premie voor beiden voldaan, zodat de volledige opgebouwde waarde van de polis hem toekomt, of in ieder geval de helft omdat de polis op beider naam staat.

5.1. De vrouw betwist dat de man een vergoedingsrecht zou hebben ter zake van de laatste echtelijke woning. Zij stelt het volgende.

- de vrouw heeft zelf ook privébedragen gestort ten behoeve van de vorige echtelijke woning, maar de man heeft de desbetreffende afschriften meegenomen;

- het is onduidelijk hoe de man aan het door hem verzochte bedrag komt;

- de vrouw heeft ƒ 30.000,- dan wel ƒ 40.000,- van haar privévermogen opgenomen ter aflossing van de hypothecaire lening verbonden met die vorige woning; indien het verzoek van de man wordt gehonoreerd, dient dit bedrag te worden verrekend;

- de laatste echtelijke woning is wel degelijk alleen aan de vrouw geleverd;

- de vrouw doet thans een beroep op een natuurlijke verbintenis tussen partijen; zij is van mening dat de rechtbank op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden ambtshalve mocht aanvullen.

5.2. Ten aanzien van de tweede grond van de man stelt de vrouw dat:

- de verbouwing noodzakelijk was omdat de woning te weinig slaapkamers had;

- de kosten daarvan zijn voldaan van de gezamenlijke rekening van partijen waarop de man vanuit zijn bedrijf maandelijks stortingen (als ‘salaris’) deed; het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien de vrouw deze bedragen aan de man zou moeten vergoeden; deze bedragen zijn voldaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.

5.3. De vrouw is voorts van mening dat de rechtbank ter zake van de auto terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Volgens de vrouw valt de aanschaf van de auto wel degelijk onder de normale maandelijkse lasten: dat was ook het geval geweest ten aanzien van de rente en aflossing van een daarvoor afgesloten lening.

5.4. Ten aanzien van de levensverzekering stelt de vrouw dat zij geen eigen inkomsten genereerde, zodat de man door het voldoen van de premie heeft voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.

Echtelijke woning

6. Het hof zal de gronden een en twee gezamenlijk behandelen nu deze zich daartoe lenen. De man stelt dat hij heeft geïnvesteerd in de woning van de vrouw ter zake van de aanschaf alsmede ter zake van de verbouwing voor een bedrag van respectievelijk € 61.746,- en € 68.473,97. Het hof begrijpt uit het petitum van de man, voor zover dit ziet op de verbouwingskosten, dat de kosten van de koopakte ad € 8.000,- in hoger beroep geen deel meer uitmaken van het geschil, zodat deze geen nadere bespreking behoeven. De vrouw beroept zich in hoger beroep voor wat betreft de door de man gestelde investeringen onder meer op het bestaan van een natuurlijke verbintenis tussen partijen. Het hof stelt voorop dat het de vrouw vrijstaat in hoger beroep dit nieuwe verweer te voeren.

7. Het hof overweegt voorts als volgt. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar de objectieve maatstaf omtrent de maatschappelijke opvattingen. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Niet van belang is voorts hoe partijen er vele jaren later financieel blijken voor te staan en evenmin of het huwelijk van partijen door echtscheiding werd beëindigd. Bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie. Bij de beantwoording van de vraag of de onderhavige door de man verrichte prestaties natuurlijke verbintenissen opleveren, moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

8. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van de voldoening door de man aan op hem rustende natuurlijke verbintenissen. Het hof stelt voorop dat in een situatie waarbij partijen buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de man onverplicht tijdens huwelijk gelden aan de vrouw heeft verstrekt voor de aankoop van de voormalige echtelijke woning en de verbouwing daarvan en de vrouw op die momenten klaarblijkelijk niet de middelen daarvoor had, in het algemeen sprake is van een natuurlijke verbintenis. Daarbij komt aanzienlijk gewicht aan de navolgende feiten;

- de vrouw was met instemming van de man sedert de geboorte van de kinderen van partijen opgehouden met werken en zij had de zorg voor deze drie kinderen;

- het is niet gebleken dat partijen een gescheiden boekhouding voerden, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen als zij hadden beoogd dat de welomschreven prestaties van de man niet aan de vrouw ten goede zouden komen, en de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien.

Voorts neemt het hof in aanmerking de gebleken wederzijdse welstand en behoefte van partijen.

Op grond van deze omstandigheden is sprake van een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van natuurlijke verbintenissen van de man jegens de vrouw. De man heeft geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel nopen of die voormelde objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van natuurlijke verbintenissen zouden kunnen doorbreken. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

Auto

9. De man is van mening dat de uit zijn privévermogen betaalde aanschafkosten van de auto ad € 17.500,- op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden aan hem dienen te worden vergoed, hetgeen de vrouw betwist. Ter terechtzitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat de auto destijds ten behoeve van het gezin is aangeschaft en gebruikt. Nu deze uitgave is gedaan in het gemeenschappelijke belang van het gezin van partijen, zijn zowel de aankoopkosten als de onderhouds- en afschrijvingskosten van de auto aan te merken als kosten van de huishouding, die op grond van artikel 5 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden door de man dienen te worden gedragen, aangezien de vrouw destijds geen inkomen genoot. De bestreden beschikking dient in zoverre - zij het op andere gronden - te worden bekrachtigd.

10. De omstandigheid dat de man de kosten van de auto volledig heeft gedragen, leidt er naar het oordeel van het hof wel toe dat hij per de datum van ontbinding van het huwelijk op 1 december 2011 recht heeft op de restwaarde van de auto per die datum. Dat het kenteken van de auto op naam van de vrouw is gesteld, doet daaraan niet af. Nu nadere gegevens omtrent de auto ontbreken, is het hof niet in staat de omvang van die restwaarde te bepalen. Daarom zal het hof zich moeten beperken tot het bepalen dat de vrouw een bedrag ter grootte van de restwaarde van de auto per 1 december 2011 aan de man dient te voldoen.

Verzekeringspolis

11. In hoger beroep is gebleken dat de levensverzekering met polisnummer [Y] op naam van beide partijen is gesteld, waarbij de man - ondanks het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden - steeds de premie voor zowel zichzelf als de vrouw heeft voldaan. Gelet op de omstandigheden als omschreven in overweging 8 is het hof van oordeel dat de man door naast zijn eigen premie tevens de premie van de vrouw voor zijn rekening te nemen, heeft voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis. Hij kan hieraan derhalve geen vergoedingsrechten ter zake van de voor de vrouw betaalde premie dan wel de totale waarde van de polis ontlenen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

12. Nu partijen allebei verzekeringnemer zijn, hebben beiden recht op de helft van de waarde van de polis per de datum dat de man de premie van de polis niet meer voldoet. Volgens mededeling van partijen ter terechtzitting is de man met ingang van 1 december 2011 opgehouden de premie levensverzekering te betalen en heeft de vrouw de betalingsverplichting per saldo overgenomen. Het hof verstaat derhalve dat partijen tot 1 december 2011 gelijkelijk in de waarde van de polis gerechtigd zijn en dat met ingang van die datum de resterende waarde per de datum van uitkering toekomt aan de vrouw.

13. Aangezien de onderhavige zaak een geschil tussen voormalige echtgenoten betreft, zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren.

14. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man te betalen een bedrag ter grootte van de restwaarde van de auto per 1 december 2011;

verstaat dat tot aan 1 december 2011 toekomt aan ieder van partijen de helft van de waarde van de polis levensverzekering met nummer [Y] per die datum, en dat de resterende waarde per de datum van uitkering toekomt aan de vrouw;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012.