Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0654

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.095.038.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Inbrengen van stukken in het hoger beroep leidt tot de vaststelling dat de uitspraak van de rechtbank uit 2008 van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan (de man is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen financiële stukken had ingebracht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummer : 200.095.038/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-436

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. drs. G.S.J. van Gestel te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 4 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 juli 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 5 oktober 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 10 oktober 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, welke op 12 oktober 2011 nogmaals per gewone post zijn ingekomen;

- op 17 november 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, welke op 18 november 2011 nogmaals per gewone post zijn ingekomen;

- op 21 januari 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, welke op 24 januari 2012 nogmaals per gewone post zijn ingekomen.

Op 30 januari 2012 is het hof blijkens de door de griffie gehanteerde verzoekschrift/archiefkaart telefonisch meegedeeld dat de vrouw geen verweer zal voeren en niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 3 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2008 (hierna ook: de beschikking van 17 oktober 2008) te wijzigen in die zin dat de bij die beschikking bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [A], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift casu quo de beschikking op nihil wordt gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook: kinderalimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man, strekkende tot het wijzigen van de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige (het hof begrijpt: en deze) te bepalen op nihil, (het hof begrijpt: alsnog toe te wijzen), althans een bedrag (het hof begrijpt: vast te stellen) zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van de beschikking van 17 oktober 2008, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Kosten rechtens.

3. De vrouw voert in hoger beroep geen verweer.

4. De man stelt dat de rechtbank zijn inleidend verzoek ten onrechte heeft afgewezen en ten onrechte heeft bepaald dat niet kan worden beoordeeld of de beschikking van 17 oktober 2008 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan nu de man geen inkomensgegevens heeft overgelegd van de periode voorafgaand aan de beschikking waarvan wijziging is verzocht. De man legt in hoger beroep stukken over waaruit blijkt dat hij in de gemelde periode geen inkomen had.

Voorts stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd en niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onvoldoende draagkracht heeft, dan wel dat hij niet in staat is (meer) draagkracht te genereren. Volgens de man heeft hij in eerste aanleg bij brief van 31 mei 2011 een groot aantal bewijsstukken overgelegd, die echter door de rechtbank wegens de te late indiening daarvan buiten beschouwing zijn gelaten. De man brengt deze stukken wederom in het geding en legt in hoger beroep tevens een draagkrachtberekening met onderliggende bescheiden over.

5. Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het ter terechtzitting verhandelde, thans in hoger beroep voldoende heeft aangetoond dat de rechterlijke uitspraak van 17 oktober 2008 van de rechtbank Rotterdam van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uit de in hoger beroep overgelegde gegevens blijkt dat de man geen draagkracht had en heeft om kinderalimentatie te voldoen en niet in staat was en is om meer draagkracht te genereren, hetgeen in hoger beroep ook niet door de vrouw wordt weersproken. Gelet op de in eerste aanleg beschikbare gegevens heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking het wijzigingsverzoek van de man echter terecht afgewezen. Het hoger beroep dient er dan toe om eventuele omissies te herstellen, zoals thans aan de orde is.

6. Gelet op de door de man in hoger beroep verzochte ingangsdatum van de nihilstelling - 17 oktober 2008 - is er over de periode van 9 april 2008 tot 17 oktober 2008 nog kinderalimentatie verschuldigd. Het hof gaat ervan uit dat het bedrag van € 691,55, dat volgens de overgelegde stukken is verhaald of betaald aan kinderalimentatie, (mede) strekt tot betaling van (een gedeelte van) de over die periode ontstane schuld.

7. Dit alles leidt tot de conclusie dat de man met ingang van 17 oktober 2008 geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te voldoen. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

8. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de man daarin niet-ontvankelijk is verklaard in zijn inleidende verzoek en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 17 oktober 2008 van de rechtbank Rotterdam - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 17 oktober 2008 op nihil;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Kempen en Mulder, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.