Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0628

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
BK-11-00189
Formele relaties
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:170
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1788, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Gebruikersbelasting. Belanghebbende is gebruiker van drie als groepswoningen ingerichte onroerende zaken. Twee woningen zijn bestemd voor mensen met dementie en een woning voor mensen met een lichamelijke beperking. De kamers van de bewoners met de eigen sanitaire ruimten, de gemeenschappelijke woonkamer, bijkeuken, hobbykamer en rookruimte zijn gedeelten die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden zodat daarvan de waarde ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten aanmerking dient te worden gelaten bij het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting. De verzorgingsfunctie van het geheel sluit niet uit dat delen van de onroerende zaak wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1889
V-N Vandaag 2012/1692
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-11/00189

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 20 juni 2012

in het geding tussen:

[stichting X], gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, hierna: de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 3 maart 2011, nummer AWB 10/260, betreffende de na te noemen aan belanghebbende opgelegde beschikkingen en aanslagen.

Beschikkingen, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [a-straat 1], [2] en [3] te [Q] (hierna: de onroerende zaken) bij beschikking genomen op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken naar de waardepeildatum 1 januari 2008 vastgesteld op respectievelijk € 447.000, € 447.000 en € 494.000. Gelijktijdig met de genomen beschikkingen zijn in het kader van de heffing van onroerende-zaakbelastingen aan belanghebbende de aanslagen in de gebruikersbelasting voor het jaar 2009 opgelegd.

1.2. De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft vervolgens beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 454. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof van belanghebbende op 26 maart 2012 en 2 april 2012 en van de Inspecteur op 2 april 2012 nadere stukken ontvangen waarvan de griffier een afschrift heeft gezonden aan de wederpartij. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 april 2012, gehouden te

’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn ingericht als groepswoningen. Twee woningen zijn bestemd voor mensen met dementie en een woning voor mensen met een lichamelijke beperking. In elke woning kunnen telkens zes mensen wonen. Iedere bewoner heeft een eigen kamer waarin een bed is geplaatst en de bewoner naar gelieven zelf een gemakkelijke stoel en een of meer kleinmeubelen kan plaatsen. De kamer beschikt over een radio-, tv- en telefoonaansluiting. Elke bewoner heeft naast zijn kamer de beschikking over een afzonderlijke eigen sanitaire ruimte met douche, toilet en wastafel.

3.2. In de woningen [a-straat 1] (unit 3) en [a-straat 2] (unit 2) zijn per woning naast de zes (slaap)kamers en sanitaire ruimten aanwezig een gemeenschappelijke woonkamer met open keuken, bijkeuken, multifunctionele ruimte, hobbykamer, rookruimte, gang, entree, toilet en berging.

3.3. In de woning [a-straat 3] (unit 1) zijn naast de zes (slaap)kamers en sanitaire ruimten een gemeenschappelijke woonkamer aanwezig met open keuken en bijkeuken, twee multifunctionele ruimten, een rookruimte en een gemeenschappelijke badkamer alsmede een gang, entree, toilet en berging.

3.4. De oppervlakte van de verschillende ruimten in genoemde woningen bedraagt:

[a-straat 1] en [2]:

Gang 39,00 m2

Entree, toilet en berging 27.30 m2

Gemeenschappelijke woonkamer met open keuken en bijkeuken 106,00 m2

Hobbykamer 24.75 m2

Rookruimte 11,55 m2

Multifunctionele ruimte 27,30 m2

Slaapkamers (6 stuks) 186,59 m2

Totaal 422,49 m2

[a-straat 3]:

Gang 67,50 m2

Entree, toilet en berging 27,30 m2

Gemeenschappelijke woonkamer met open keuken en bijkeuken 106,00 m2

Multifunctionele ruimte 22,53 m2

Rookruimte en gemeenschappelijke badkamer 27,30 m2

Multifunctionele ruimte 27,30 m2

Slaapkamer (6 stuks) 177,84 m2

Totaal 455,77 m2

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de onroerende zaken gedeelten omvatten die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden zodat bij het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting de waarde daarvan ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten aanmerking dient te worden gelaten. Het standpunt van de Inspecteur is dat geen van de onroerende zaken zulke gedeelten omvat.

4.2. Meer in het bijzonder is in geschil of, zoals belanghebbende bepleit en de Inspecteur bestrijdt, van de heffingsmaatstaf van de gebruikersbelasting zijn uitgezonderd (per onroerende zaak) de waarde van de slaapkamers, multifunctionele ruimte, rookruimte, hobbykamer, gemeenschappelijke woonkamer met open keuken en bijkeuken en gang. Deze ruimten hebben, naar tussen partijen niet in geschil is, in totaal een oppervlakte van 395,19 m2 in [a-straat 1] en in [a-straat 2] en 428,47 m2 in [a-straat 3]. In het geval het gelijk aan belanghebbende is hebben partijen overeenstemming over de wijze van berekening van de teruggaven van de gebruikersbelasting, namelijk door de oppervlakte van de vrijgestelde gedeelten te delen op de totale oppervlakte maal de vastgestelde WOZ-waarde.

4.3. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt in hoger beroep het volgende – zakelijk weergegeven - aangevoerd.

De rechtbank gaat ten onrechte ervan uit dat verblijf op grond van een CIZ-indicatie slechts als verpleging en niet als wonen kan worden aangemerkt. De bewoners hebben in de woning echter hun duurzaam tehuis. De gedeelten waar de bewoners vertoeven hebben voor 12% een zorgfunctie en voor 88% een woonfunctie. De bewoners van de groepswoningen leven in een vorm van gezinsverband waarin afspraken gelden overeenkomstig de levensfase waarin zij verkeren. Alle voor bewoning noodzakelijke voorzieningen zijn aanwezig. Of de woning afsluitbaar is of dat een keukenblokje aanwezig is niet van belang. De gedeelten waarvoor vrijstelling wordt bepleit zijn volledig ingericht op wonen. Belanghebbende vindt steun voor haar standpunt in het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2012, nr. 10/05194, LJN: BV3270 en de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 23 februari 2012, nr. 11/00275. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat in geen van de woningen voor het geheel sprake is van een situatie waarbij voor 70 percent of meer sprake is van woondoeleinden of hoofdzakelijk bestemd voor woondoeleinden.

4.4. De Inspecteur heeft daartegenover – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft een juiste beoordelingsmaatstaf aangelegd door uit te gaan van de omstandigheid dat de bewoners allen een indicatie van het CIZ hebben die zorg met verblijf inhoudt en dat in die gevallen de zorg altijd voorop staat. Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden tot het oordeel dat er geen sprake is van woondelen. Het gaat om verpleegwoningen en niet om aanleunwoningen. De bewoners van aanleunwoningen kunnen in het algemeen nog redelijk zelfstandig leven en hebben veel meer privacy. De objecten zijn ingericht voor voortdurende zorg en verpleging. Met uitzondering van de slaapkamers zijn alle andere ruimten gemeenschappelijk. De afdelingen zijn gesloten, bewegingsmelders zijn aanwezig. Er is geen sprake van zelfstandig wonen.

4.5. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 28.884 voor [a-straat 1], € 28.884 voor [a-straat 2] en

€ 29.590 voor [a-straat 3].

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5.3. In het geval het gelijk aan belanghebbende is zijn de conclusies van beide partijen eensluidend.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard na - voor zover van belang – het volgende te hebben overwogen waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

“Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard, dat alle bewoners door het Centraal indicatieorgaan zijn geïndiceerd met de indicatie “zorg met verblijf”, en uitsluitend op grond van die indicatie in de groepswoningen te verblijven. Eiseres heeft dit niet weersproken. Op grond van artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ omvat ‘verblijf’ verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verzorging en verpleging van de bewoners zozeer overheersend zijn dat de woonfunctie daarin opgaat. Van delen van het object waarbij de woonfunctie overheersend is, is aldus geen sprake. Verweerder heeft mitsdien de juiste maatstaf voor de gebruikersheffing OZB gehanteerd.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die:

a. dienen tot woning dan wel:

b. volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

7.2. Van een woning is sprake indien een ruimte aanwezig is die naar aard en bestemming geschikt is om te dienen voor enigszins duurzaam menselijk hoofdverblijf. Van een deel van een onroerende zaak die tot woning dient of volledig dienstbaar is aan woondoeleinden kan ook sprake zijn bij een onzelfstandige eenheid waarbij voorzieningen worden gedeeld met bewoners van andere eenheden. De afsluitbaarheid van een onzelfstandig deel van een onroerende zaak kan weliswaar bijdragen tot het oordeel dat die ruimte tot woning dient, maar is daarvoor niet noodzakelijk.

7.3. Voor de toepassing van artikel 220a, tweede lid en artikel 220e, van de Gemeentewet heeft tevens te gelden dat de verzorgingsfunctie van een onroerende zaak als geheel niet uitsluit dat delen van die onroerende zaak op zichzelf beschouwd tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden en dat de woonfunctie van de zogenoemde eigen kamers van zodanig gewicht kan zijn dat zij het oordeel rechtvaardigen dat die kamers tot woning dienen. Niet van belang is in hoeverre de bewoners de vrijheid hebben aldaar te verblijven (vgl. HR 10 februari 2012, nr.10/05194, LJN BV3270).

7.4. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat de woonfunctie opgaat in de verzorging en verpleging van de bewoners gegrond op de omstandigheid dat alle bewoners over een indicatie van het CIZ ”zorg met verblijf” dienen te beschikken en dat reeds daarom de woonfunctie opgaat in de verzorging en verpleging. Dit oordeel acht het Hof onjuist gelet op hetgeen de Hoge Raad in eerder genoemd arrest heeft geoordeeld. De verzorgingsfunctie van het geheel van de onroerende zaak sluit niet uit dat delen ervan tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De rechtbank had dat dienen te onderzoeken in plaats van zonder meer aan te sluiten bij de CIZ-indicatie. Evenmin kan, naar het oordeel van het Hof, worden aangeknoopt bij de algemene indeling die de Inspecteur maakt in verpleeghuis en verzorgingshuis of verzorgingswoning en aanleunwoning. In alle gevallen dient de situatie zoals die zich feitelijk ter plaatse voordoet te worden onderzocht en beoordeeld.

7.5. Het Hof heeft aan de hand van de overgelegde tekeningen, kopieën van foto’s en hetgeen overigens is aangevoerd de feitelijke situatie in de drie onroerende zaken beoordeeld. Elke bewo(o)n(st)er heeft een eigen kamer waarin hij/zij kan slapen en overdag en ’s avonds kan verblijven met een eigen sanitaire ruimte. Verder kan hij/zij ook in de huiskamer, rookruimte of hobbykamer verblijven. Voor hem/haar vormen deze ruimten zijn/haar duurzaam verblijf, ook al zal hij/zij daarin in een aantal gevallen zijn aangewezen op verzorging bij de dagelijkse bezigheden als het eten, gaan slapen, wassen en dergelijke en zal hij/zij in de huiskamer, rookruimte of hobbykamer veelal andere bewo(o)n(st)ers treffen. De woonfunctie van deze ruimten staat echter voor de bewo(o)n(st)ers voorop. De verzorging is aan de woonfunctie onderschikt. Daar doet niet aan af dat de weg naar buiten voor een bewo(o)n(st)er vaak is afgesloten en dat hij/zij slechts op bepaalde tijden bezoek mag ontvangen, integendeel. De gemeenschappelijke badkamer, voor zover aanwezig, is volledig in gebruik om te voorzien in de behoeften van het baden en wassen van bewo(o)n(st)ers. Ook het gebruik van keuken en bijkeuken met wasmachine en dergelijke voorziet in de behoeften van eten, drinken en het wassen van de kleding van de bewo(o)n(st)ers. Het gebruik van beide ruimten is gelijk aan een “gewone” woning en volledig dienstbaar aan het wonen. Dat verzorgers de taken van wassen en drinken geven en eten serveren uitvoeren in plaats van de bewo(o)n(st)ers doet daar niet aan af. Het Hof is van oordeel dat hier eveneens sprake is van het volledig dienstbaar zijn van deze ruimten voor woondoeleinden. De multifunctionele ruimte(n) ka(unne)n en word(en)t echter voor allerlei doeleinden gebruikt, zoals het geven van fysiotherapie en andere therapie, het plegen van overleg tussen de verzorgers en de familie van de bewo(o)n(st)ers. Ten aanzien van deze ruimten is niet aannemelijk gemaakt dat deze volledig dienstbaar zijn voor woondoeleinden. Partijen verschillen niet van mening over de omstandigheid dat de entree, toilet en berging niet dan wel niet volledig dienstbaar zijn voor de woondoeleinden. Het Hof volgt partijen in dit eensluidend standpunt.

Gelet op de omstandigheid dat genoemde multifunctionele ruimte(n), entree, toilet en berging niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden deelt de gang die al deze ruimten met elkaar verbindt hetzelfde lot. Van deze is niet aannemelijk gemaakt dat deze volledig dienstbaar is voor woondoeleinden.

7.6. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot het oordeel dat de volgende delen van de onroerende zaken geen onderdeel uitmaken van de grondslag van de aanslagen:

[a-straat 1] en [2]:

Vrijgesteld

Gang 39,00 m2 nihil

Entree, toilet en berging 27.30 m2 nihil

Gemeenschappelijke woonkamer met open keuken en bijkeuken 106,00 m2 106,00 m2

Hobbykamer 24.75 m2 24.75 m2

Rookruimte 11,55 m2 11,55 m2

Mutifunctionele ruimte 27,30 m2 nihil

Slaapkamers (6 stuks) 186,59 m2 186,59 m2

Totaal 422,49 m2 328,89

WOZ-waarde € 447.000

%-vrijstelling 328,89/422,49 78%

Vrijgesteld € 347.970.

[a-straat 3]:

Vrjigesteld

Gang 67,50 m2 nihil

Entree, toilet en berging 27,30 m2 nihil

Gemeenschappelijke woonkamer met open keuken en bijkeuken 106,00 m2 106,00 m2

Multifunctionele ruimte 22,53 m2 nihil

Rookruimte en gemeenschappelijke badkamer 27,30 m2 27,30 m2

Multifunctionele ruimte 27,30 m2 nihil

Slaapkamer (6 stuks) 177,84 m2 177,84 m2

Totaal 455,77 m2 311,14

WOZ-waarde € 494.000

%-vrijstelling 311,14/455,77 68%

Vrijgesteld € 337.238.

7.7. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaken met de nummers BK-11/00190 en BK-11/00191 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken samen vast op € 2.402,5 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (in bezwaar (2 punten à € 218 x 1) in beroep voor de rechtbank

(2 punten à € 437 x 1 (gewicht van de zaak)  en voor het Hof (2,5 punten à € 437 x 1 (gewicht van de zaak)), waarvan te dezen een derde deel, derhalve (afgerond) € 801 in aanmerking wordt genomen.

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van € 298 en € 454 tezamen € 752 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag in de onroerende-zaakbelasting gebruikersbelasting met betrekking tot [a-straat 1] te [Q] tot een berekend naar een heffingsmaatstaf van € 99.030;

- vermindert de aanslag in de onroerende-zaakbelasting gebruikersbelasting met betrekking tot [a-straat 2] te [Q] tot een berekend naar een heffingsmaatstaf van € 99.030;

- vermindert de aanslag in de onroerende-zaakbelasting gebruikersbelasting met betrekking tot [a-straat 3] te [Q] tot een berekend naar een heffingsmaatstaf van € 156.762;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 801;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag aan griffierecht te vergoeden van € 752.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en O.C.R. Marres in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 20 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.