Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0626

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.099.556-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag over de minderjarige; verdragsrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummer. : 200.099.556/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-2216

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. ir. H.H. Veurtjes te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

29 september 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft op 31 januari 2012 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 1 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 31 januari 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 1 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer J. Kühn namens de raad;

- mevrouw J. van Geemert namens Jeugdzorg.

Voorts is aan de zijde van de vader verschenen de heer [X], tolk in de Turkse taal.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de vader ontheven van het gezag over de minderjarige en is Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarige benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

- uit de moeder is [in 1997] te [geboorteplaats], geboren: [de minderjarige], (verder: de minderjarige);

- de minderjarige is met ingang van 23 november 2004 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en met ingang van die datum uit huis geplaatst;

- vanaf 11 maart 2008 tot de datum van de bestreden beschikking oefende de vader het gezag over de minderjarige alleen uit.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het gezag van de vader over de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de raad af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de vader eveneens.

Klachten rapport raad en procedure eerste aanleg

5. De vader stelt in zijn eerste grief dat het rapport van de raad, dat ten grondslag ligt aan het inleidende verzoek van de raad tot ontheffing van de vader van het gezag over de minderjarige, een groot aantal feitelijke onjuistheden bevat, aangezien de raad ten onrechte de door de vader bij brief van 28 juli 2011 verzonden reactie op het raadsrapport niet heeft meegenomen. Weliswaar was deze reactie te laat verzonden, maar dat lag aan de zeer korte reactietermijn. De rechtbank was op basis van dit rapport onjuist, althans onvoldoende, voorgelicht door de raad. De bestreden beschikking is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) tot stand gekomen.

6. De raad bestrijdt de grief van de vader. De raad meent dat artikel 3:2 Awb niet van toepassing is omdat de rechtbank geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 Awb. Voorzover wordt gesteld dat het rapport van de raad in strijd is met artikel 3:2 Awb, meent de raad dat de besluitvorming zorgvuldig is voorbereid. De vader heeft op de zitting bij de rechtbank zijn standpunt alsmede zijn reactie kunnen geven, zodat de vader ook in dat opzicht voldoende in de gelegenheid is gesteld om op het raadsrapport te reageren.

7. Het hof overweegt als volgt. De vader is bij de rechtbank ten volle in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken waardoor de rechtbank voldoende was voorgelicht, zodat het hof van oordeel is dat de eerste grief van de vader niet slaagt. Daarnaast staat dat de vader in het hoger beroep zijn bezwaren nogmaals kenbaar heeft kunnen maken.

Ontheffing gezag

8. In de tweede en derde grief, die zich naar het oordeel van het hof voor gezamenlijke behandeling lenen, betoogt de vader dat de gronden voor ontheffing zoals bedoeld in artikel 1:266 in verbinding met artikel 268, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) niet aanwezig zijn. De bestreden beschikking is in strijd met artikel 3:4 Awb en artikel 3 (het hof leest:) van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) tot stand gekomen. Hij voert daartoe het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de vader onmachtig en ongeschikt is om zijn plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige zelfstandig te vervullen. De vader is daartoe wel in staat. De vader betwist dat hij heeft gesteld dat de gespecialiseerde begeleiding die de minderjarige ontvangt, niet nodig is. De vader heeft altijd samengewerkt met de hulpverlenende instanties, maar heeft, indien hij dit noodzakelijk achtte, kritiek uitgeoefend. Niet kan worden volgehouden dat de vader onvoldoende leerbaar is gebleken en zich niet laat sturen dan wel begeleiden. De vader merkt op dat hij pas sinds 2008 met het gezag is belast. De vader vraagt zich af wat er nadien is veranderd in zijn gedrag en houding hetgeen een ontheffing zou kunnen rechtvaardigen. De vader ziet niet in dat de maatregel van ondertoezichtstelling niet voldoende is om de dreiging bedoeld in artikel 1:254 van het BW af te wenden, althans de rechtbank heeft dit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd zodat de beschikking in strijd is met artikel 3:46 Awb. De vader voert aan dat de rechtbank op geen enkele aantoonbare wijze rekening heeft gehouden met de belangen van de vader en onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige. Er is sprake van culturele verschillen - de vader is islamitisch - met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarige, en dan meer specifiek op het punt van de seksualiteit. De vader verleent zijn medewerking aan de kinderbeschermingsmaatregelen, maar met dien verstande dat hij graag zou zien dat de minderjarige weer bij hem zou kunnen wonen.

9. De raad heeft de grieven van de vader gemotiveerd bestreden. De raad meent dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige niet meer de geëigende middelen zijn. De raad verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 april 2008, LJN: BC5726. De minderjarige is gebaat bij stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie. Haar opvoeding vereist een gespecialiseerde, consequente, voorspelbare en pedagogisch verantwoorde leefomgeving. In de residentiële instelling, waar de minderjarige thans verblijft, heeft zij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het is in het belang van de minderjarige dat de huidige residentiële plaatsing wordt gecontinueerd. Vanuit de oprechte wens van de vader om de minderjarige weer bij hem te laten wonen, maakt hij haar belang ondergeschikt aan zijn eigen behoeften. Het is van belang dat er duidelijkheid komt in het toekomstperspectief van de minderjarige. De vereisten van artikel 3:46 Awb zijn volgens de raad niet van toepassing aangezien de rechtbank geen bestuursorgaan is. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en het persoonlijk welbevinden van de minderjarige acht de raad het van belang dat zowel de vader als de moeder invulling kunnen blijven geven aan hun rol als ouder op afstand.

10. Jeugdzorg bestrijdt de grieven van de vader eveneens. Jeugdzorg benadrukt dat de minderjarige functioneert op zwakbegaafd niveau en dat deze problematiek specifieke vaardigheden van haar opvoeders vergt. De vader overschat de mogelijkheden van de minderjarige en houdt onvoldoende rekening met haar problematiek. De vader brengt het opgroeiperspectief van de minderjarige in gevaar doordat hij meent dat de minderjarige geen specialistische hulp en begeleiding nodig heeft. De ontheffing is nodig om de minderjarige de rust en duidelijkheid te geven die zij nodig heeft. De vader zal, gezien zijn houding, bij toekomstige rechterlijke beslissingen over de verlenging van de duur van de uithuisplaatsing van de minderjarige, de plaatsing van de minderjarige ter discussie blijven stellen. De familierechtelijke betrekking van de vader met de minderjarige zal blijven bestaan. Met de culturele achtergrond van de vader wordt rekening gehouden.

11. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:266 BW een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.

12. Het hof overweegt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting als volgt. De minderjarige - die veertien is – is sinds 23 november 2004 uit huis geplaatst. Zij is zwakbegaafd en wordt op meerdere gebieden bedreigd in haar ontwikkeling. Dit betreft onder meer de gebieden van “gevoelens herkennen en reguleren”, gehechtheidsrelaties, autonomie, intimiteit en seksualiteit en het gebied van lichaam en uiterlijk. Sinds haar uithuisplaatsing maakt zij een positieve ontwikkeling door. Haar problematiek vergt zeer specifieke vaardigheden van haar opvoeders en de minderjarige zal hoogstwaarschijnlijk tot het bereiken van haar meerderjarigheid aangewezen zijn op die zeer specifieke hulpverlening.

Hoewel de vader zich zeer betrokken en liefdevol opstelt en de partner van de vader een positieve invloed op hem heeft, zijn zij niet in staat om aan de zeer specifieke opvoedingsvaardigheden van de minderjarige te voldoen. Ook in het verleden is gebleken dat de vader niet in staat is geweest de minderjarige die structuur, duidelijkheid en veiligheid te bieden die voor haar noodzakelijk is. De vader blijft de wens uiten dat de minderjarige bij hem komt wonen en heeft onvoldoende inzicht in de problematiek van de minderjarige. Daarnaast is de vader, zo is gebleken, onvoldoende in staat om samen te werken met de hulpverlenende instanties en heeft de vader geen enkel vertrouwen in de moeder.

Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat inmiddels is gebleken dat de vader ongeschikt of onmachtig is om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen ontheffing.

13. Een ontheffing kan evenwel, op grond van artikel 1:268, eerste lid, BW, niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat artikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden,

14. Het hof is - gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 12 - van oordeel de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling niet voldoende zijn om de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige af te wenden. Uit de wens van de vader dat de minderjarige weer bij hem komt wonen, blijkt dat hij niet duurzaam bereid is de minderjarige in een residentiële instelling op te laten groeien. Dit terwijl het belang van de minderjarige vergt dat zij, gelet op haar problematiek, hoogstwaarschijnlijk tot haar meerderjarigheid daar zal opgroeien. Het hof acht het aannemelijk dat de vader de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige ter discussie zal stellen. Daardoor zal de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Dit zal leiden tot spanningen bij de minderjarige, hetgeen haar zal belemmeren in haar ontwikkeling. Ook los van het verzet van de vader tegen de uithuisplaatsing heeft de minderjarige recht en belang bij zekerheid omtrent de plek van waaruit zij naar haar volwassenheid zal toegroeien. Aan het hof heeft de minderjarige kenbaar gemaakt dat zij behoefte heeft aan rust.

15. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat, nu er geen perspectief is op terugkeer bij de vader, de met onzekerheid gepaard gaande jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing beëindigd dienen te worden en dat duidelijkheid moet worden verschaft over het opvoedingsperspectief van de minderjarige. De ontheffing is in het belang van de minderjarige. Het geeft haar rust en duidelijkheid over haar toekomstbeeld.

16. Het hof gaat aan het betoog van de ouders met betrekking tot artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK voorbij en overweegt daarbij het volgende. De belangen van de minderjarige vormen in de onderhavige zaak de eerste overweging. De inbreuk die de ontheffing maakt op het familie- en gezinsleven van de vader wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarige. Nu alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt naar het oordeel van het hof bovendien dat de maatregel van ontheffing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen.

17. Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat tweede en derde grief van de vader niet slagen en de rechtbank op juiste gronden de vader heeft ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen.

18. Ten overvloede overweegt het hof dat de ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag over de minderjarige er niet toe leidt dat de familierechtelijke betrekkingen beëindigd worden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Leuven, Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.