Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0618

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.097.104-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandeel in kosten van kind: ook andere kinderen (verhaalsbijdrage) speelt daarbij een rol

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummer : 200.097.104/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-1011

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.V. Brunings te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te Schiedam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.H. Keereweer te Zoetermeer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 14 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 augustus 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 11 januari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 26 januari 2012 een brief van 25 januari 2012 met bijlagen;

- op 2 februari 2012 een brief van 1 februari 2012 met bijlage.

De zaak is op 9 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader heeft ter zitting een brief van 31 januari 2012 van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 1 maart 2011, als bijdrage in de kosten van verzorging van [de minderjarige], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), voor wat betreft de na de bestreden beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 240,- per maand en heeft verstaan dat de genoemde bijdrage jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: de kinderalimentatie).

2. De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof bij beschikking de vader in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ingangsdatum

4. Het hof gaat voor de ingangsdatum voor de kinderalimentatie uit van 1 maart 2011, nu daartegen geen grief is gericht.

Behoefte minderjarige

5. De behoefte van de minderjarige houdt partijen verdeeld. Kort samengevat stelt de vader dat partijen nimmer in gezinsverband hebben geleefd. De behoefte van de minderjarige bedraagt € 195,- per maand op basis van het gemiddelde van de behoefte van de minderjarige in het gezin van de moeder en in het gezin van de vader.

6. De moeder stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de minderjarige € 240,- per maand is. Zij voert aan dat het netto inkomen van de vader ten tijde van de geboorte van de minderjarige € 1.950,- per maand bedroeg.

7. Het hof leidt uit de erkenning van de moeder van het gestelde van de vader in zijn beroepschrift onder punt 1, 2 en 4, af dat zij erkent dat partijen nimmer in gezinsverband hebben samengewoond. Het hof gaat er dan ook van uit dat de minderjarige nimmer in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd en zal de behoefte bepalen aan de hand van het gemiddelde van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de moeder en van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de vader.

8. Nu beide partijen voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige uitgaan van het netto inkomen in 2008, zal het hof daarbij aansluiten.

9. Niet ter discussie staat dat het inkomen van de moeder in 2008 € 1.500,- netto per maand bedroeg, zodat het hof met dit bedrag rekening zal houden. Uitgaande van de tabel kosten kinderen van het Nibud, stelt het hof de behoefte van de minderjarige op basis van het inkomen van de moeder vast op € 195,- per maand.

10. Gelet op het bruto jaarinkomen van de vader van € 17.294,- in 2008, stelt het hof de behoefte van de minderjarige op basis van het inkomen van de vader eveneens vast op € 195,- per maand.

11. Het hof zal dan ook de behoefte van de minderjarige vaststellen op het gemiddelde van de hiervoor genoemde bedragen, derhalve op € 195,- per maand.

Aandeel partijen in de kosten van de minderjarige

12. Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van de minderjarige naar rato van ieders draagkracht dient te worden verdeeld. De vader verbindt daaraan de conclusie dat zijn aandeel € 97,50 per maand bedraagt.

Draagkracht moeder

13. De moeder heeft – onbestreden – gesteld dat haar draagkracht € 447,- per maand bedraagt, zodat het hof hier van uit gaat.

Draagkracht vader

14. Nu de hoogte van het bruto loon van de vader tussen partijen in confesso is, zal het hof voor de bepaling van de draagkracht van de vader uitgaan van een fiscaal bruto loon van € 23.953,- per jaar, zoals blijkt uit de door hem overgelegde salarisspecificatie van december 2011.

15. Het hof houdt rekening met een eigen woningforfait van € 688,- berekend op basis van de door de vader ter zitting gestelde en niet, althans onvoldoende, weersproken WOZ-waarde van € 125.000,-.

16. Voorts houdt het hof rekening met de volgende - genoegzaam uit de door de vader overgelegde stukken gebleken - maandelijkse lasten:

- rente hypothecaire geldlening ad € 525,-, te verminderen met een bedrag van € 210,- welk bedrag wordt geacht te zijn inbegrepen in de voor de vader toepasselijke bijstandsnorm;

- premies levensverzekering ad € 95,- en € 12,-

- forfait overige eigenaarslasten ad € 95,-

- premie ziektekosten ad € 108,-, verminderd met een bedrag van € 45,- welk bedrag wordt geacht te zijn inbegrepen in de voor de vader toepasselijke bijstandsnorm.

17. Partijen zijn het er over eens dat met ingang van 1 januari 2012 rekening dient te worden gehouden met de twee andere kinderen uit een eerdere relatie van de vader bij de bepaling van zijn draagkracht. Ter discussie staat op welke wijze daar rekening mee dient te worden gehouden. De vader meent dat rekening dient te worden gehouden met de door Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] vastgestelde verhaalsbijdrage van € 152,- per maand ten behoeve van zijn twee kinderen uit een eerdere relatie. De moeder heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat de draagkracht gelijkelijk verdeeld dient te worden over de drie kinderen.

18. Het hof ziet aanleiding om de draagkracht van de vader met ingang van 1 januari 2012 gelijkelijk te verdelen over drie kinderen, nu gesteld noch gebleken is dat de behoefte van de twee kinderen uit de eerdere relatie verschillend is met die van de minderjarige.

19. Voor het overige houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

20. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vader over de periode met ingang van:

- 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 niet hoger is dan de door de vader ter zitting gestelde € 150,- per maand; en

- 1 januari 2012 niet hoger is dan (€ 150,- / 3 = ) € 50,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

21. Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat het aandeel van de vader niet hoger is dan het door hem gestelde € 97,50 per maand.

22. Het hof is van oordeel dat de draagkracht van de vader over de periode van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 toereikend is om het bedrag van € 97,50 per maand te voldoen. Met ingang van 1 januari 2012 is de vader in staat € 50,- per maand bij te dragen.

23. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- met ingang van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 op € 97,50,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2012 op € 50,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Dijk en Van Wijk, bijgestaan door

mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.