Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0540

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.104.268-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing vier minderjarigen. Structureel niet goede situatie bij de moeder. Problemen bij de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2012

Zaaknummer : 200.104.268/01

Rekestnrs. rechtbank : 11-3447 en 11-3452

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Aardoom-Fuchs te Gouda,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond,

kantoorhoudende te Roermond,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Limburg,

locatie Roermond,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 22 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 10 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 18 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 4 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 13 april 2012 een brief van 12 april 2012 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 9 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar partner, de heer R.W. Rensen;

- mevrouw H.P. de Roon en mevrouw L.J.G. Nillesen namens Jeugdzorg.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 2] is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de aan Jeugdzorg verleende machtiging om de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren [in 1997] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige 1],

- [de minderjarige 2], geboren [in 2000] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige 2],

- [de minderjarige 3], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige 3], en

- [de minderjarige 4], geboren [in 2003] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige 4],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, verlengd van 31 december 2011 tot 2 juni 2012, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de aan de beschikking gehechte indicatiebesluiten.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Vaststaat dat de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage bij beschikking van 3 april 2012 machtiging heeft verleend [de minderjarige 1] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Bij beschikking van dit hof van dezelfde datum als deze beschikking is de genoemde beschikking, op een daartoe door [de minderjarige 1] ingesteld hoger beroep, bekrachtigd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt:) ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen af te wijzen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen ten onrechte heeft verlengd. Naar haar mening is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat haar situatie ten positieve is veranderd. De moeder is vertrokken uit een voor de minderjarigen ‘slechte’ leefomgeving en woont nu bij haar partner in [woonplaats] in een geschikte woning. Daarnaast is zij met alle opdrachten van de rechtbank aan de gang gegaan. Zo is zij onder behandeling geweest bij het Riagg, heeft zij gesprekken gevoerd met een gespecialiseerde thuiszorgbegeleider en heeft zij op financieel gebied haar zaken geregeld. De moeder betwist ten zeerste dat er sprake is van een stroeve samenwerking met Jeugdzorg. Zij geeft aan op nagenoeg alle afspraken met Jeugdzorg te zijn verschenen. Volgens de moeder is door de rechtbank Roermond in mei 2011 de verwachting gewekt dat de minderjarigen zouden worden teruggeplaatst zodra zij aan de gestelde opdrachten had voldaan. Het kan niet zo zijn dat dit gerechtvaardigde vertrouwen wordt beschaamd doordat als gevolg van de verhuizing van de moeder een andere rechtbank bevoegd is geworden, aldus de moeder. De moeder wijst erop dat de rechtbank Roermond haar toestemming heeft gegeven om te verhuizen naar [woonplaats]. De stelling van de kinderrechter dat de moeder beter niet had kunnen verhuizen, acht de moeder dan ook volstrekt onbegrijpelijk en onredelijk.

5. Namens Jeugdzorg is ter zitting verklaard dat een thuisplaatsing van de minderjarigen niet aan de orde is. Volgens Jeugdzorg is de moeder niet in staat om grenzen te stellen ten behoeve van de minderjarigen en beschikt zij voorts over onvoldoende probleeminzicht. Jeugdzorg wil graag met de moeder in gesprek gaan over wat de minderjarigen nodig hebben, maar komt daar niet verder mee omdat de moeder constant anderen de schuld geeft van de problemen die zij ervaart. Ruim een maand geleden zijn de gezinsvoogden onverwachts op huisbezoek geweest bij de moeder en haar partner. Zij zijn er erg van geschrokken hoe smerig de woning was. Het huisbezoek heeft voor Jeugdzorg nog eens bevestigd dat de minderjarigen niet thuis kunnen wonen.

6. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek mag slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

[de minderjarige 2], [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

7. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2], [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Jeugdzorg is sedert 2002 betrokken bij het gezin. [de minderjarige 1], [de minderjarige 2], [de minderjarige 3], [de minderjarige 4] en hun oudere broer [naam broer] zijn in april 2011 met spoed uit huis geplaatst nadat er een opvoedsituatie werd aangetroffen waarin het ontbrak aan alle basale voorwaarden die voor kinderen nodig zijn om op te groeien. De moeder leed aan een depressie, had grote financiële problemen en werd overspoeld door een veelheid van regelzaken waarbij het haar niet lukte de problemen te overzien, hulp te vragen of te handelen. Doordat de moeder haar handen vol had aan haar eigen problemen was zij fysiek en emotioneel nauwelijks beschikbaar voor haar kinderen en het huishouden. De kinderen kregen onvoldoende grenzen, regels en structuur aangeboden en er werd veelal een beroep gedaan op hun zelfstandigheid. In de jaren die vooraf gingen aan de uithuisplaatsing van de kinderen heeft de moeder geen duurzame verandering kunnen volhouden. Blijkens het door de moeder overgelegde eindverslag van de gespecialiseerde thuiszorgbegeleider is de situatie van de moeder na de uithuisplaatsing van de kinderen nog verder verslechterd. Zij raakte steeds meer in een depressie en vervuilde haar woning. In september 2011 is de moeder verhuisd van [oude woonplaats] naar [woonplaats], alwaar zij bij haar partner is ingetrokken. De moeder stelt dat zij haar leven thans weer volledig op orde heeft. De eerste signalen van Jeugdzorg over de situatie van de moeder sinds de verhuizing naar [woonplaats] zijn echter niet positief. De moeder zou nog steeds overvraagd zijn en praktische zaken, zoals het op orde houden van haar huishouden, niet geregeld krijgen. Het zou haar voorts ontbreken aan probleembesef. Namens Jeugdzorg is ter zitting verklaard dat er sinds kort zorgen zijn met betrekking tot [de minderjarige 2] vanwege haar seksuele uitingen. Gezien de leeftijd van [de minderjarige 2] is het voor haar belangrijk dat zij sturing krijgt, hetgeen de moeder haar volgens Jeugdzorg onvoldoende kan bieden. Gelet op het voorgaande acht het hof een thuisplaatsing van [de minderjarige 2], [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] - in ieder geval thans - niet aan de orde.

[de minderjarige 1]

8. Voor zover de moeder thans nog belang heeft bij haar hoger beroep ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], overweegt het hof als volgt. Voor [de minderjarige 1] geldt net als voor haar jongere zusjes dat een thuisplaatsing niet aan de orde is gezien de onduidelijkheid over de situatie van de moeder. Ten aanzien van [de minderjarige 1] acht het hof voorts doorslaggevend dat [de minderjarige 1] zeer ernstige gedragsproblemen vertoont. De moeder ontkent de problematiek van [de minderjarige 1] en is niet in staat haar te bieden wat zij nodig heeft.

9. Gelet op het hiervoor onder 8 en 9 overwogene zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Pannekoek-Dubois en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.