Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0455

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
200.104.228-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; de rechter kan van een overeenkomst ter zake kinderalimentatie, zoals in deze zaak het echtscheidingsconvenant, afwijken ook zonder dat voldaan is aan de voorwaarden die artikel 1:401 BW stelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/110
PFR-Updates.nl 2012-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.104.228/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 11-9849

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G. van der Meij te Katwijk,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 21 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 februari 2012.

De moeder heeft op 12 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 14 mei 2012 een brief van 11 mei 2012 met bijlagen;

- op 14 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 2 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 24 mei 2012 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van 17 september 2007 van de rechtbank Rotterdam, uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader met ingang van 1 januari 2012 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op € 310,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) voor de minderjarigen [X], geboren [in] 2000 te Leiden, en [Y], geboren [in] 2005 te [woonplaats] (hierna: de minderjarigen).

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek;

- subsidiair het verzoek van de moeder om een kinderalimentatie van € 310,- per maand per kind alsnog af te wijzen, althans een lagere bijdrage vast te stellen en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

3. De moeder bestrijdt het beroep van de vader en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en, subsidiair, indien het hof bepaalt dat de vader aan de moeder een lagere bijdrage dan door de rechtbank vastgesteld is verschuldigd, te bepalen dat de moeder de tot de ten deze te nemen beschikking betaalde bedragen niet hoeft terug te betalen in verband met het feit dat de kinderalimentatie een consumptief karakter heeft en inmiddels door de moeder is gebruikt om de kosten van de kinderen te betalen.

Echtscheidingsconvenant

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de beschikking van 17 september 2007 van de rechtbank te Rotterdam heeft gewijzigd en de kinderalimentatie heeft bepaald op € 310,- per maand per kind. De man betoogt dat het tussen partijen op 17 juli 2007 gesloten echtscheidingsconvenant niet is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zo betwist hij uitdrukkelijk dat de moeder onder grote druk van hem zou hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het convenant. Voorts stelt de vader dat het bedrag van € 137,- per maand per kind aan kinderalimentatie in overleg in het convenant is opgenomen en dat de moeder destijds bewust afstand heeft gedaan van haar deel van de overwaarde van de woning. Daarnaast betwist de vader dat de gemeenschappelijke advocaat van partijen aan de moeder geen uitleg zou hebben gegeven over haar rechten. Tot slot betwist de vader dat hij in 2007 en thans voldoende draagkracht zou hebben om € 310,- per maand per kind aan kinderalimentatie te betalen.

5. Voorts stelt de vader zich op het standpunt dat ook geen sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan het echtscheidingsconvenant gewijzigd dient te worden. De vader betwist dat de kosten van de kinderen thans hoger zijn dan waarmee in 2007 rekening is gehouden. Bovendien, zo stelt de vader, wordt in de jaarlijkse wettelijke indexering rekening gehouden met het feit dat kinderen ouder worden en de maandelijkse kosten hoger.

6. Het hof overweegt als volgt. De rechter die de kinderalimentatie vast stelt, oordeelt daaromtrent zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder daarbij gebonden te zijn aan wat de ouders onderling hierover zijn overeengekomen (Hoge Raad, 24 november 1972, LJN: AC5276). Dit impliceert dat de rechter van een overeenkomst ter zake kinderalimentatie, zoals het onderhavige echtscheidingsconvenant, kan afwijken, ook zonder dat voldaan is aan de voorwaarden die artikel 1:401 BW stelt, volgens welke voorwaarden van relevante gewijzigde omstandigheden of van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven sprake dient te zijn.

7. Gelet hierop kan in het midden blijven hoe de afspraken van partijen ter zake van de kinderalimentatie tot stand zijn gekomen en of een verzoek tot wijziging van de afspraken ontvankelijk is. Het hof zal zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, beoordelen welk bedrag aan kinderalimentatie de man ten behoeve van de minderjarigen verschuldigd is.

Eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen

8. Partijen twisten over de hoogte van het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie. De moeder stelt dat het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie € 2.800,- per maand was. Volgens de vader was het netto gezinsinkomen destijds € 2.200,- per maand. Nu het hof aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie niet kan vaststellen, zal het hof dat inkomen middelen en vaststellen op € 2.500,- per maand.

9. Gelet op de tabel kosten kinderen en het netto gezinsinkomen stelt het hof het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen in 2007 vast op in totaal € 570,- per maand, in 2012 geïndexeerd op € 637,87 per maand, of € 319,- per maand per kind.

10. Het hof heeft, met inachtneming van de stukken en hetgeen partijen ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, ter beantwoording van de vraag wie welk deel van de behoefte van de minderjarige moet dragen, de draagkracht van de vader en de moeder met elkaar vergeleken.

Draagkracht van de vader

11. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening met een jaarinkomen van € 36.522,-, zoals dit volgt uit de door hem overgelegde jaaropgaaf 2011. De ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet bedraagt € 2.591,- per jaar. Voorts houdt het hof aan de inkomenszijde rekening met een eigenwoningforfait van € 1.242,- en rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning van € 10.956,-, alsmede met de arbeidskorting en algemene heffingskorting.

12. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de nieuwe partner van de vader niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vader heeft daartoe onvoldoende gesteld en onderbouwd. Het hof zal dan ook conform de aanbevelingen in het Tremarapport bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening houden met de helft van de woonlasten en de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage voor een alleenstaande hanteren.

13. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de vader verder rekening met de volgende maandelijkse lasten: een hypotheekrente van € 913,-, en een hypotheekaflossing/premie levensverzekering van € 79,-. Voorts wordt rekening gehouden met de door de vader opgevoerde kosten van Vereniging van Eigenaren (VVE) van € 135,46 per maand, minus de in de bijstandsnorm begrepen kosten van water van € 20,- per maand. Het hof gaat er daarbij van uit dat de opgevoerde kosten van de VVE deels zien op kosten die reeds in het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand zijn begrepen zodat het forfait niet in de berekening wordt betrokken. De partner van de vader draagt voor de helft bij in de maandelijkse woonlasten. Daarnaast wordt rekening gehouden met een nominale premie zorgverzekering van € 103,- per maand, een premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 34,- per maand en kosten omgangsregeling van € 82,- per maand. Met de door de man opgevoerde advocaatkosten van € 114,- per maand houdt het hof geen rekening, aangezien deze kosten geen voorrang verdienen boven zijn onderhoudsverplichting. Tot slot zal het hof de draagkracht van de vader verdelen over alle kinderen, waaronder het kind dat op 10 oktober 2010 is geboren uit de relatie tussen de vader en zijn huidige partner.

14. Uit het vorenstaande volgt dat de vader een beschikbare draagkrachtruimte heeft van € 616,- per maand, of € 205,- per kind per maand.

Draagkracht van de moeder

15. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de moeder aan de inkomenszijde rekening met een Ziektewetuitkering van € 231,94 netto per week, zoals dit volgt uit het door de moeder overgelegde transactieoverzicht (productie 7 bij de stukken van 2 mei 2012). Voorts wordt aan de lastenzijde rekening gehouden met de volgende maandelijkse lasten: een premie zorgverzekering van € 135,35, een huur van € 553,- en een zorgtoeslag van

€ 70,-, zoals dit eveneens volgt uit het door de moeder overgelegde transactieoverzicht. Het hof heeft daarbij middels een proefberekening huurtoeslag berekend welk bedrag de moeder maandelijks aan huurtoeslag ontvangt. De moeder heeft recht op € 272,- per maand. Het hof zal dit bedrag dan ook bij de berekening van de draagkracht meenemen. Tot slot houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de moeder rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage.

16. Uit de door het hof uitgevoerde netto-berekening van de draagkracht van de moeder volgt dat de moeder geen draagkracht heeft om enig deel van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen op zich te nemen.

17. Gelet op het vorenstaande dient de vader ter hoogte van zijn draagkracht bij te dragen in de kosten van de minderjarigen, zijnde € 205,- per kind per maand. Als ingangsdatum geldt 1 januari 2012, de door de moeder bij inleidend verzoekschrift van 16 december 2011 verzochte ingangsdatum. Het hof zal derhalve aldus beslissen. Dit leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

18. Het hof is van oordeel dat eventueel teveel door de vader betaalde of teveel op hem verhaalde alimentatie, gezien het consumptieve karakter daarvan, niet door de moeder behoeft te worden terugbetaald.

19. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en in zoverre opnieuw beschik¬ken¬de:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2007 - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarigen [X] en [Y] met ingang van 1 januari 2012 op € 205,- per kind per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de moeder eventueel teveel betaalde alimentatie niet aan de vader behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van Dijk en Otter, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.