Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0404

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
22-003551-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart brandstichting niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003551-10

Parketnummer: 10-691325-09

Datum uitspraak: 3 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1984,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 december 2009 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een woning, gelegen op/aan de [adres], immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk de brievenbus van voornoemde woning in brand gestoken en/of een of meer brandende voorwerpen door de brievenbus van voornoemde woning gegooid, in elk geval toen en daar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandversnellend middel, althans met (een) (hoog) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of de kleinkinderen (respectievelijk 1,5 en/of 3 jaar oud) van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of voor een of meer zich in de nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gemeen gevaar voor die woning en/of zich in en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende woningen en/of panden en/of goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is gelet op het verhandelde ter terechtzitting waaronder de inhoud van het dossier onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Met de rechtbank en de verdediging stelt het hof vast dat het opsporingsonderzoek onvolledig is geweest.

Zo is niet of onvoldoende onderzoek gedaan naar eventuele sporen op het lichaam of de kleding van de verdachte, naar sporen van de volgens onderzoek van het NFI waarschijnlijk gebruikte brandspiritus en op de plaats van het delict, naar de jerrycan in het huis van aangever en naar de (ongeschonden) ansichtkaart die na het doven van de brand op diens deurmat zou zijn gevonden.

Daarnaast is de verdenking dat de verdachte de ten laste gelegde brandstichting zou hebben begaan nagenoeg geheel gebaseerd op de verklaringen afgelegd door de ooggetuigen [getuige] en haar moeder mevrouw [benadeelde partij 2], zodat het hof - ook gelet op wat de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd - aanleiding ziet hun verklaringen kritisch te bezien. Deze getuigen hebben ook tegenover het hof een verklaring afgelegd, waarin de moeder overigens aangaf zich vrijwel niets meer te herinneren.

Mede gelet op het gegeven dat moeder en dochter zich tijdens hun waarnemingen in dezelfde ruimte bevonden en moeder heeft gereageerd op hetgeen de dochter meende te zien, sluit het hof niet uit dat zij elkaar hebben beïnvloed. Gelet op discrepanties in hun verklaringen, bijvoorbeeld of er nu wel of niet een steekvlam waarneembaar was, hebben de waarnemingen van de getuigen mevrouw [getuige] en mevrouw [benadeelde partij 2] het hof niet de overtuiging doen bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ander bewijsmateriaal waarop de betrokkenheid van de verdachte bij hetgeen is ten laste gelegd kan worden gegrond, ontbreekt.

De verdachte dient derhalve van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Verzoek van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2012 heeft de advocaat-generaal - kort zakelijk weergegeven - gevorderd om, indien het hof niet tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, de behandeling van de zaak bij tussenarrest aan te houden, teneinde het NFI onderzoek te laten doen met betrekking tot de vraag wat het menselijk oog kan waarnemen over een afstand van ongeveer 60 meter.

Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op het voooroverwogene de noodzaak daartoe niet is gebleken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2012.

Mr. A.J.M. Kaptein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.