Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0399

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
22-006783-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval. Tezamen met anderen is de verdachte in de nachtelijke uren wederrechtelijk binnengedrongen in de woning van de ex-vriend van de medeverdachte om een hond weg te halen. Tevens heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen door de slagen tegen zijn hoofd.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen. Voorts wordt de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 114 (honderdveertien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006783-09

Parketnummer: 09-926111-07

Datum uitspraak: 8 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 september 2011 en van 25 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 176 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij] van het leven te beroven, opzettelijk met een (grote metalen Maglite) zaklamp (meermalen) heeft geslagen op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (zwelling rechteroog en/of breuk(en) in oogkas en/of breuk in jukbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meermalen) met een (grote metalen Maglite) zaklamp op/tegen het hoofd te slaan;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) met een (grote metalen Maglite) zaklamp op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (ongeveer 03:30 uur) in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hond, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met kracht) openduwen van de deur van de woning en/of duwen tegen het lichaam van [benadeelde partij] en/of trekken

aan de kleding en/of het lichaam van [benadeelde partij] en/of (meermalen) slaan met de vlakke hand en/of vuist tegen het hoofd en/of (boven)lichaam van [benadeelde partij] en/of dreigend een (grote metalen Maglite) zaklamp boven het hoofd houden en daarmee een slaande/dreigende beweging richting [benadeelde partij] maken en/of (meermalen) slaan met een (grote metalen Maglite) zaklamp op/tegen het hoofd van [benadeelde partij], terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (te weten: zwelling rechteroog en/of breuk(en) in oogkas en/of breuk in jukbeen);

3:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken. Gelet hierop behoeven de door de raadsvrouw gevoerde verweren ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde derhalve geen bespreking.

Gevoerd verweer ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 betoogd - kort samengevat en zakelijk weergegeven - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij de desbetreffende hond niet heeft gestolen. Hiertoe heeft zij betoogd dat haar cliënt gegronde redenen had te veronderstellen dat die hond van de medeverdachte was, zodat bij hem het oogmerk van wederechtelijke toe-eigening ontbrak op het moment dat hij besloot de hond te gaan halen.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 is komen vast te staan dat de hond is aangeschaft door [benadeelde partij 2] en de medeverdachte, [medeverdachte], toen zij nog een relatie hadden. Na het beëindigen van hun relatie heeft [benadeelde partij 2] - na bemiddeling van de politie - de hond meegenomen.

Vanaf dat moment heeft [benadeelde partij 2] de hond dus in bezit gehad. Kennelijk meende [medeverdachte] dat de hond haar eigendom was, maar zij moet zich ervan bewust zijn geweest dat de eigendom van de hond op zijn minst betwist was. Dit geldt ook voor verdachte. Verdachte en zijn mededaders wilden de hond zich dus wederrechtelijk toe-eigenen. De wederrechtelijkheid van zijn handelen moet verdachte eens te meer duidelijk zijn geworden toen de vader van [benadeelde partij 2], op het moment dat verdachte en zijn mededaders midden in de nacht voor zijn woning stonden en zeiden dat ze de hond kwamen halen, heeft geroepen: "Ga me huis uit, jullie krijgen de hond niet". Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. Subsidiair:

hij op 16 december 2007 te Zoetermeer aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (zwelling rechteroog en breuk in jukbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen met een grote metalen Maglite zaklamp tegen het hoofd te slaan;

2:

hij op 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust

bestemde tijd (ongeveer 03:30 uur) in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hond, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het met kracht openduwen van de deur van de woning en duwen tegen het lichaam van [benadeelde partij] en trekken aan de kleding en het lichaam van [benadeelde partij] en meermalen slaan met de vlakke hand of vuist tegen het hoofd en bovenlichaam van [benadeelde partij] en dreigend een grote metalen Maglite zaklamp boven het hoofd houden en daarmee een slaande/dreigende beweging richting [benadeelde partij] maken en meermalen slaan met een rode metalen Maglite zaklamp tegen het hoofd van [benadeelde partij], terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad te weten: zwelling rechteroog en breuk in jukbeen);

3:

hij op 16 december 2007 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

In de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 betoogd - kort samengevat en zakelijk weergegeven - dat de verdachte een beroep op , noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt en dat hij mitsdien van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen. Op het moment dat de aangever, [benadeelde partij], dreigend op de verdachte kwam aflopen, met (de punt van) een (keuken)mes op hem gericht, was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, althans de dreiging daarvoor, en was noodzakelijke verdediging dus geboden. Verder heeft de aanranding, zijnde de steekbeweging(en) met het mes, bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging teweeg gebracht. Voorts meende hij dat hij moest slaan om te voorkomen dat hij werd gestoken, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt voorop dat nu namens de verdachte een beroep is gedaan op (putatief) noodweer dan wel op noodweer exces, het hof zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden - voor zover thans van belang - in dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof gaat, gegeven het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en gezien de processtukken uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Op 16 december 2007 is de verdachte in de nacht samen met de medeverdachte [medeverdachte] en zes andere personen naar de woning van [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2] in Zoetermeer gegaan om uit die woning een hond weg te nemen. Toen [benadeelde partij] de verdachte en zijn medeverdachten niet binnen wilde laten, zijn verdachte samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met geweld naar binnen gedrongen. Hier werden zij tegengehouden door [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2]. De verdachte hoorde [benadeelde partij] zeggen dat zij zijn huis moesten verlaten en dat zij de hond niet zouden krijgen. Ook hoorde de verdachte [benadeelde partij] tegen zijn zoon, [benadeelde partij 2], zeggen dat hij de politie moest gaan bellen. De verdachte heeft vervolgens toch getracht naar boven te lopen, maar werd daarbij tegengehouden door [benadeelde partij] die hem weer naar buiten heeft weten te werken. Hierop heeft verdachte zijn Maglite zaklamp gepakt en een dreigende beweging gemaakt naar die [benadeelde partij] en daarbij gezegd: : "geef die hond terug". Hierop heeft [benadeelde partij] een mes uit zijn woning weten te pakken en is hij op de verdachte afgelopen waarna de verdachte hem met de zaklamp tegen het hoofd heeft geslagen. [benadeelde partij] is komen te vallen en toen hij opstond heeft de verdachte een steek in zijn linkerbil gevoeld. De verdachte heeft hierop [benadeelde partij] nogmaals met de zaklamp tegen het hoofd geslagen.

Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat niet de verdachte, maar [benadeelde partij] heeft gehandeld in een situatie waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van zijn lijf als bedoeld in artikel 41, van het Wetboek van Strafrecht dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke wederrechtelijke aanranding. Immers, de verdachte en zijn mededaders zijn in de nachtelijke uren wederrechtelijk de woning van [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2] binnengedrongen en hebben geweld gebruikt en daarmee gedreigd tegen [benadeelde partij], die zich hiertegen heeft verdedigd. Dit brengt met zich mee dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer kan doen. Het verweer wordt verworpen.

Door de raadsvrouw is voorts aangevoerd dat op het moment dat bijna alle personen, waaronder de verdachte, de woning van [benadeelde partij] hadden verlaten en [benadeelde partij] zijn woning inging het directe gevaar voor hem, [benadeelde partij], was geweken en hij zich niet langer in een noodweersituatie bevond. Dit verweer van de raadsvrouw vindt geen steun in de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en wordt derhalve verworpen.

Nu niet kan worden aangenomen dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, dient mede gelet op hetgeen ter zake hiervoor is overwogen, het beroep op noodweerexces eveneens te worden verworpen.

Met betrekking tot het beroep op putatief noodweer overweegt het hof als volgt.

Zoals uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden naar voren komt is de verdachte met zijn mededaders in de nachtelijke uren wederrechtelijk de woning van [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2] binnengedrongen en hebben zij hierbij geweld gebruikt tegen [benadeelde partij]. Zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van [benadeelde partij] de woning te verlaten. Het confronterende en agressieve gedrag van de verdachte kan niet worden aangemerkt als verdedigend, maar is - naar de kern bezien - aanvallend, waardoor een beroep op noodweer niet kan slagen (vgl. HR 28 maart 2006, AU8087). Verdachte heeft door provocatie de reactie van [benadeelde partij] uitgelokt. Derhalve komt de verdachte evenmin een beroep op putatief noodweer toe.

Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval. Tezamen met anderen is de verdachte in de nachtelijke uren wederrechtelijk binnengedrongen in de woning van de ex-vriend van de medeverdachte om een hond weg te halen. Toen het slachtoffer dit probeerde te beletten hebben de verdachte en zijn mededaders geweld tegen hem gepleegd en heeft de medeverdachte de hond alsnog weggenomen. De verdachte heeft hierbij het slachtoffer meerdere keren met een grote metalen Maglite zaklamp tegen het hoofd geslagen, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een woningoverval is een zeer ernstig feit dat gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers als ook in de maatschappij in het algemeen veroorzaakt, juist omdat de eigen woning een plek is waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Slachtoffers lijden veelal geruime tijd onder de psychische gevolgen van een dergelijke ingrijpende gebeurtenis. Blijkens zijn schriftelijke verklaring heeft het slachtoffer zich zeer angstig gevoeld.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een Pro Justitia rapportage van 5 april 2008, opgesteld en ondertekend door psychiater A.M.M. van der Reijken. Deze deskundige concludeert dat de verdachte ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten leidende was aan een autismespectrumstoornis, welke stoornis reeds vanaf zijn geboorte aanwezig is. Ten gevolge van deze stoornis vindt er bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling plaats.

De verdachte dient naar het oordeel van de deskundige met betrekking tot de strafbare feiten als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. De deskundige acht het van belang dat de verdachte zicht krijgt op zijn handicap en leert om te gaan met andere mensen zonder dat er misbruik van hem wordt gemaakt. Ook acht hij het van belang dat de verdachte een training zal volgen over hoe om te gaan met bedreiging door anderen en stress. Gelet hierop adviseert hij reclasseringsbegeleiding behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Voorts heeft het hof kennis genomen van een brief d.d. 24 mei 2012, inclusief bijlagen, opgesteld en ondertekend door sociaal psychiatrisch verpleegkundige & psycholoog F. Beuckels, werkzaam bij het Centrum voor Autisme Rivierduinen. Hieruit blijkt dat de verdachte bij het centrum onder behandeling is geweest van 16 april 2009 tot 30 december 2011. De verdachte is van start gegaan met individuele psycho-educatie betreffende autisme. Parallel daarmee is gestart met arbeidshulpverlening om zijn functioneren op de werkplek te verbeteren. Tenslotte heeft de verdachte stressmanagement gekregen met gebruikmaking van elementen uit de cognitieve gedragstherapie om zijn vaardigheid in het omgaan met problemen te vergroten. De gesprekken hebben plaatsgevonden tot eind 2011. Er was toen geen hulpvraag meer en de behandeling is in goed overleg afgesloten.

Naast de inzet van behandeling door dit centrum is er ook begeleiding ingezet vanuit Fonteynenburg en jobcoaching door Werkpad.

In het voordeel van verdachte houdt het hof er rekening mee dat de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 heeft verklaard, zeer gemotiveerd is geweest voor de behandeling bij het Centrum voor Autisme Rivierduinen en dat hij daar veel baat bij heeft gehad. De verdachte heeft voorts verklaard onlangs een zoontje te hebben gekregen en samenwonend te zijn. Het hof zal dit in aanmerking nemen bij de aan verdachte op te leggen straf.

Het hof stelt voorts vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden nu tussen de datum van het eerste politieverhoor, te weten 16 december 2007, en de datum van het eindvonnis van 14 juni 2010 bijna 2 1/2 jaar bedraagt. In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging 9 getuigen gehoord. Hoewel het hof desondanks binnen twee jaar na het vonnis in eerste aanleg eindarrest wijst, is, het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep overziend, sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met iets minder dan 6 maanden. Dit brengt naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mee dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf verminderd dient te worden met 5%.

Aangezien het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf overeenkomt met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en korting op die straf dus geen voor verdachte gunstig effect zou hebben, zal het hof deze korting toepassen op de taakstraf.

Naast de andere op te leggen straffen en maatregel acht het hof in beginsel een taakstraf van 120 uur passend en geboden. Gelet op de toe te passen korting van 5% zal het hof deze straf verlagen tot 114 uur.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.907,92.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.561,92.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 1.811,92, waarvan € 311,92 hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat € 61,92 ter zake van materiële schade en dat tot een bedrag van € 1.200,- ter zake van immateriële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van € 1.261,92 worden toegewezen. Omdat niet alleen de verdachte, maar ook zijn de medeverdachte voor een deel van het bedrag groot € 61,92 aansprakelijk is, geldt voor dit deel van het bedrag dat indien en voor zover de een betaalt, de ander dit niet meer hoeft te betalen. Het bedrag van € 61,92 ter zake van materiële schade zal hoofdelijk worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet heeft aangetoond voor het overige immateriële schade te hebben geleden. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.261,92 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van (de erfgenamen van) het slachtoffer [benadeelde partij]. Omdat niet alleen verdachte maar ook zijn medeverdachte voor het bedrag van € 61,92 ter zake van materiële schade aansprakelijk is, geldt dat indien en voor zover de een dit bedrag betaalt, de ander dit bedrag niet meer hoeft te betalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 138, 302 en 312 van het Wetboek van

Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 176 (honderdzesenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 114 (honderdveertien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.261,92 (duizend tweehonderdeenenzestig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 61,92 (eenenzestig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst het voornoemde toegewezen bedrag van € 61,92 (eenenzestig euro en tweeënnegentig cent) aan materiële schade hoofdelijk toe, en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor dit gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van (de erfgenamen van) het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 1.261,92 (duizend tweehonderdeenenzestig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 61,92 (eenenzestig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding van € 61,92 (eenenzestig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz, mr. G. Dulek-Schermers en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juni 2012.