Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0126

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
200.093.249-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8583, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ7948, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7948
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voogdij. De minderjarige betreft een adoptiefkind, waarover veel onduidelijkheden bestaan over zijn afstamming. Het hof is van oordeel dat het op dit moment in het belang van de minderjarige is dat de voogdij door Jeugdzorg wordt uitgeoefend en dat de voogdij en de opvoeding derhalve gesplitst zijn. Hoewel het hof is gebleken dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige, sluit dit gegeven adoptiegerelateerde problematiek als gevolg van de mogelijk aanwezige kindproblematiek en eventuele ontwikkelingsachterstanden zeker niet uit. Het hof ziet een rol weg gelegd voor Jeugdzorg om de adoptiefouders te begeleiden met hun specifieke kennis van adoptieproblemen en om hun opvoedingsdraagkracht- en vaardigheden te versterken. Cassatie ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/109

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummer : 200.093.249/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-7586

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[adoptiefvader], en

[adoptiefmoeder],

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen: de adoptiefouders,

advocaat mr. V. Kidjan te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De raad is op 31 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juni 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De adoptiefouders hebben op 27 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de raad:

- op 27 september 2011 een brief van 26 september 2011 met bijlagen;

van de zijde van de adoptiefouders:

- op 6 februari 2012 een faxbericht met bijlagen en op 7 februari 2012 een identieke brief.

De zaak is op 8 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mevrouw E. Donkervoort namens de raad;

- de adoptiefouders, bijgestaan door hun advocaat;

- mevrouw A. Mayland (teamleider) namens Jeugdzorg.

Voorts is aan de zijde van de adoptiefouders verschenen mevrouw G. de Koning, beëdigd tolk in de Duitse taal.

De advocaat van de adoptiefouders heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de adoptiefouders belast met de voogdij over de na te noemen minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de voogdij ten aanzien van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland], hierna verder: de minderjarige.

2. De raad verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog Bureau Jeugdzorg Haaglanden te belasten met de voogdij over de minderjarige.

3. De adoptiefouders bestrijden het beroep en verzoeken het hof (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De raad stelt zich in haar enige grief op het standpunt dat de rechtbank in deze specifieke zaak ten onrechte heeft geoordeeld dat het belang van de minderjarige het best gediend wordt als de adoptiefouders met de voogdij worden belast. De raad voert daartoe - samengevat weergegeven - aan dat het in het belang van de minderjarige is dat de opvoeding en voogdij gesplitst worden om drieërlei redenen. Ten eerste ontbreekt het de adoptiefouders aan de benodigde specifieke adoptie-opvoedingsvaardigheden, zij het dat zij daar thans wel enige groei in laten zien en ook bereidheid hebben getoond zich hierin te gaan verdiepen. De hele situatie en de ontwikkeling van de adoptiefouders is thans nog te pril, aldus de raad. Een tweede reden is gelegen in het laakbaar handelen van de adoptiefouders. Ten derde lijkt de rechtbank in het geheel voorbij te zijn gegaan aan de verblijfrechtelijke status van de minderjarige en de onduidelijkheid hierover.

5. De adoptief ouders stellen zich allereerst op het standpunt dat zij ten onrechte in diskrediet worden gebracht door de raad. De raad toont zich hiermee vooringenomen als gevolg waarvan een neutrale zienswijze op deze zaak niet meer mogelijk lijkt. Daarnaast stellen de adoptiefouders dat zij altijd hebben onderkend dat het opvoeden van een adoptiefkind een ander soort beroep doet op de opvoedkwaliteiten dan het opvoeden van biologisch eigen kinderen. De adoptiefouders betwisten echter dat zij de daartoe benodigde kwaliteiten missen. Hoewel de adoptiefouders het met de raad in grote lijnen eens zijn dat zij open moeten staan voor mogelijk andere behoeftes van de minderjarige, menen zij ook dat niet teveel de nadruk gelegd moet worden op zijn “anders zijn”. De minderjarige verblijft inmiddels al bijna twee jaar in het gezin van de adoptiefouders. Het gaat goed met hem en hij ontwikkelt zich positief. In de visie van de adoptiefouders kunnen zij verder wel degelijk voldoende reflecteren op hun eigen handelen.

Dat de adoptiefouders de adoptieprocedure verkeerd hebben aangepakt staat vast, maar dat staat in deze procedure niet ter discussie. Ten aanzien van de verblijfsstatus van de minderjarige merken de adoptiefouders op dat op 10 maart 2011 een verblijfsvergunning is aangevraagd tijdens een bezoek aan de IND, waarbij de minderjarige, de uitvoerend voorlopig voogd en de adoptiefmoeder aanwezig waren. Deze aanvraag is nog steeds in behandeling.

6. Ter terechtzitting is namens Jeugdzorg verklaard dat zij sinds juni 2011 geen bemoeienis meer hebben gehad met het gezin van de adoptiefouders. Daarnaar bevraagd door het hof verklaart de teamleider dat in de periode daarvoor vanuit Jeugdzorg geen zorgen bestonden over de opvoedingssituatie van de minderjarige. Indien Jeugdzorg door het hof belast wordt met de voogdij over de minderjarige, kan zij de adoptiefouders wel adviseren over hoe om te gaan met de te verwachten en onverwachte adoptiegerelateerde (ontwikkelings)problematiek rondom de minderjarige. Verder wordt door de teamleider nog opgemerkt dat de samenwerking met de adoptiefouders in het verleden moeizaam verliep.

7. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het op dit moment in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat de voogdij door Jeugdzorg wordt uitgeoefend en dat de voogdij en de opvoeding derhalve gesplitst zijn. Er zijn niet alleen veel onduidelijkheden over zijn afstamming, maar de adoptiefouders hebben ook door hun gedragingen in het verleden, hun goede bedoelingen voor het opnemen van de minderjarige in hun gezin ten spijt, uit het zicht verloren met welke problemen de minderjarige zich in de toekomst mogelijk (mede veroorzaakt door toedoen van vorenstaande handelswijze) geconfronteerd zal zien. Uit hetgeen de adoptiefouders ter terechtzitting hebben verklaard, is naar het oordeel van het hof ook niet komen vast te staan dat zij dit inzicht thans wel hebben. Hoewel het hof is gebleken dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige, sluit dit gegeven adoptiegerelateerde problematiek als gevolg van de mogelijk aanwezige kindproblematiek en eventuele ontwikkelingsachterstanden, welke de ontwikkeling van de minderjarige ernstig kunnen schaden, in de toekomst zeker niet uit. Het komt er dan ook op aan dat de adoptiefouders de minderjarige bij mogelijke problemen in de toekomst kunnen opvangen en begeleiden en zij dienen daartoe over de benodigde specifieke capaciteiten te beschikken. Het hof ziet hierin een rol weg gelegd voor Jeugdzorg om de adoptiefouders te begeleiden met hun specifieke kennis van adoptieproblemen en om hun opvoedingsdraagkracht- en vaardigheden te versterken en aldus de ontwikkelingskansen van de minderjarige te verhogen. Dat, zoals de adoptiefouders hebben betoogd, een splitsing tussen de voogdij en opvoeding een te grote belasting voor hen teweeg zou brengen, doet aan het vooroverwogene niet af.

8. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarige vergt dat Jeugdzorg als neutrale en professionele derde wordt belast met de voogdij over hem. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de voogdij over de minderjarige en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden tot voogdes over de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland];

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam voor wat betreft het gezag over de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Pannekoek-Dubois en van der Kuijl, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.