Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0049

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
200.105.138-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag. Ernstige problemen bij de minderjarigen. Moeder niet in staat de problemen het hoofd te bieden. Belang minderjarigen bij duurzaam opvoedingsperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 27 juni 2012

Zaaknummer : 200.105.138/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8756

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [vader],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de vader,

2. [pleegvader] en

[pleegmoeder],

wonende te Rotterdam,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2],

3. de stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 11 april 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 januari 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 8 mei 2012 een brief van 7 mei 2012;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 21 mei 2012 een faxbericht met bijlage.

De zaak is op 23 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.M. Vrancken (kantoorgenoot van mr. M. Verschoor);

- mevrouw S. Straathof namens de raad;

- mevrouw A.W. Cullens (teammanager) en de heer A. Gorer namens Jeugdzorg.

De vader en de pleegouders van [minderjarige 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de moeder, geboren [in] 1985 te [geboorteplaats], van het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarigen ontheven en is bepaald dat Jeugdzorg met ingang van de datum van de beschikking wordt belast met de voogdij over deze minderjarigen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], hierna verder: [minderjarige 1], en

[minderjarige 2], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna verder: [minderjarige 2], hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen en tot belasting van Jeugdzorg met de voogdij over deze minderjarigen, (alsnog) af te wijzen.

3. Namens de raad en Jeugdzorg is ter terechtzitting het beroep bestreden.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte is ontheven van het gezag over de minderjarigen en zij voert daartoe onder meer het volgende aan. De moeder is bezig haar leven op orde te brengen. Hoewel de moeder weerspreekt dat bij haar nog immer sprake is van een onduidelijke, instabiele en onzekere thuissituatie, waarbij verwacht wordt dat dit niet op korte termijn zal verbeteren, accepteert de moeder nadrukkelijk dat de minderjarigen op korte termijn niet naar huis komen. In de visie van de moeder is dan ook geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging. De minderjarigen ontwikkelen zich onder de huidige omstandigheden goed en zij wenst op deze omstandigheden geen invloed uit te oefenen. De moeder heeft zich altijd coöperatief opgesteld. Tot slot klaagt de moeder over een in haar ogen minimale invulling van de omgangsregeling met de minderjarigen.

5. Namens de raad is ter terechtzitting verklaard dat de moeder onmachtig is gebleken om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen. De minderjarigen hebben als gevolg van hun belaste verleden te maken met een enorme ontwikkelingsproblematiek. Sinds de plaatsing van [minderjarige 1] in het gezinshuis en [minderjarige 2] in het pleeggezin gaan zij weliswaar vooruit, maar zij zijn er nog niet. De minderjarigen hebben veel structuur, stimulatie en duidelijkheid over hun toekomst nodig. De moeder is niet in staat hen deze te bieden. Daarnaast belast de moeder de minderjarigen met uitspraken over een mogelijke thuisplaatsing in de toekomst. Ook heeft zij zich onvoldoende ingespannen de met haar gemaakte afspraken na te komen. Tot slot is de huidige situatie van de moeder zeer onduidelijk voor de raad.

6. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in de problematiek van de minderjarigen. Zij bagatelliseert deze. De minderjarigen hebben een belast verleden waarin sprake is geweest van veel wisselingen in verblijfplaats, verwaarlozing en blootstelling aan geweld tussen ouders. Hoewel het met de minderjarigen thans beter gaat, bestaan bij [minderjarige 2] zorgen over zijn gebrek aan sociale vaardigheden en zijn faalangst. [minderjarige 1] heeft te maken met een autistische stoornis en bij hem bestaan daarnaast zorgen over zijn schoolontwikkeling. De moeder is niet in staat om aan te sluiten bij de specifieke hulpvraag van de minderjarigen. Hoewel de moeder in haar beroepschrift aangeeft dat de minderjarigen “op korte termijn” niet naar huis kunnen komen, accepteert zij de perspectiefbiedende plaatsing op de lange termijn niet. De moeder creëert onduidelijkheid naar de minderjarigen met betrekking tot hun woonsituatie, hetgeen een negatief effect op hen heeft. Jeugdzorg onderschrijft dat geen perspectief op terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder bestaat. De minderjarigen zijn gebaat bij duidelijkheid over hun toekomst. Tot slot zal Jeugdzorg zich inzetten voor een goede omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen, ongeacht welke maatregel eraan ten grondslag ligt.

7. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 van het BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarigen af te wenden.

8. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over een maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt daartoe nog dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt om de minderjarigen te bieden wat zij nodig hebben. [minderjarige 1] heeft te maken met autisme en PPD-NOS, in welk verband hij behoefte heeft aan een opvoedingssituatie van hoge kwaliteit, gekenmerkt door voldoende veiligheid, structuur, duidelijkheid, stimulatie en aandacht. De moeder is niet bij machte om hem een dergelijke opvoedingssituatie te bieden, waarbij het hof overweegt dat de problematiek van [minderjarige 1] dusdanig ernstig is dat in de visie van Jeugdzorg zelfs plaatsing binnen een therapeutisch pleeggezin niet tot de mogelijkheden behoort. Ten aanzien van [minderjarige 2] merkt het hof nog op dat de verregaande hulpverlening in de vorm van een gezamenlijke opname bij Gezinsopvanghuis Flexus in de periode van 17 maart tot 30 mei 2008 niet tot een positief resultaat heeft geleid. De moeder hield zich keer op keer niet aan de gemaakte afspraken en huisregels. Omdat de moeder geen verandering in haar thuissituatie heeft kunnen aanbrengen en zij onvoldoende vorderingen heeft gemaakt haar leven op orde te krijgen, is in september 2008 door Jeugdzorg besloten niet langer naar een terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder toe te werken. Niet gebleken is dat in de situatie van de moeder nadien verandering is opgetreden.

Het hof neemt voorts nog in aanmerking dat de minderjarigen zich in respectievelijk het gezinshuis en het pleeggezin positief ontwikkelen. [minderjarige 1] is minder angstig en meer open naar anderen. Hij verkeert minder in zijn eigen wereld, lijkt minder behoefte te hebben zich hierin te verschuilen en hij lijkt veilig gehecht aan zijn gezinsouders. Ook [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin.

9. Het belang van de minderjarigen verzet zich ook niet tegen een ontheffing. Met de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij zich volledig en harmonieus op hun huidige plekken kunnen blijven ontwikkelen. Om hieraan te voldoen dient er duidelijkheid omtrent het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarigen te bestaan. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Daar komt bij dat gebleken is dat de moeder de plaatsing van de minderjarigen in respectievelijk het gezinshuis en het pleeggezin niet, althans niet volledig, ondersteunt. De moeder wenst dat de minderjarigen op termijn bij haar komen wonen en uit dit ook naar de minderjarigen toe. Zij brengt de minderjarigen hiermee in een loyaliteitsconflict. Gelet op het hiervoor onder 8 overwogene behoort een thuisplaatsing van de minderjarigen niet meer tot de mogelijkheden. Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan ook onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 van het BW af te wenden.

10. Voor zover de moeder nog heeft beoogd de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te laten leggen in de vorm van een netwerkplaatsing, te weten bij haar vader, zal het hof dit verzoek afwijzen nu dit verzoek nog afgezien van het feit dat dit tardief is gedaan, geen steun vindt in de wet of verdragen.

11. Nu de moeder verder geen grieven heeft aangevoerd tegen de belasting van Jeugdzorg met de voogdij over de minderjarigen, zal het hof de bestreden beschikking ook op dat punt bekrachtigen.

12. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Pannekoek-Dubois en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012.