Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0027

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
BK-11/00349
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Geen sprake van schending van de onderzoeksplicht van de inspecteur. Nieuw feit aanwezig. De inspecteur heeft de correcties op het inkomen van belanghebbende terecht en op goede gronden aangebracht. Vergrijpboete van 25 percent van de nagevorderde belasting is gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2227 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00349

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 april 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2010, nummer AWB 10/5896 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.758. Tegelijkertijd met het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur beschikkingen genomen ter zake van heffingsrente en een vergrijpboete opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep voor zover het is gericht tegen de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard en voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking gegrond verklaard; de uitspraak op bezwaar voor zover deze de boete betreft vernietigd; de boete verminderd tot 25 percent van de nagevorderde belasting ter zake van de eigen woning, het durfkapitaal en de giften.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarbij hij tevens incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is in 1996 gehuwd met mevrouw [Y]. Tot het gezin behoren in 2004 twee kinderen, te weten een dochter, [A], geboortedatum [dag en maand] 2001, en een zoon, [B], geboortedatum [dag en maand] 2003.

3.2. Belanghebbende is het gehele jaar 2004 werkzaam in dienstbetrekking bij [C] B.V. Hij geniet looninkomsten tot een bedrag van € 38.134, ingehouden loonheffing € 11.539. Daarnaast wordt hem een "auto van de zaak" ter beschikking gesteld. Belanghebbende is in het onderhavige jaar werkzaam op het vakgebied van vastgoed en heeft opleidingen voor makelaar/taxateur gevolgd. Inmiddels is hij enig aandeelhouder in [D] B.V. en beroepsmatig als zelfstandig makelaar/taxateur ingeschreven.

3.3. Voor het belastingjaar 2004 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 32.499 vóór persoonsgebonden aftrek (hierna: PGA). Als PGA werd een bedrag van € 8.137 vermeld en een verzamelinkomen van € 24.362. De primitieve aanslag is met dagtekening 28 november 2006 geautomatiseerd vastgesteld conform de ingediende aangifte.

3.4. Voor het daaropvolgende belastingjaar, 2005, heeft belanghebbende op 31 maart 2006 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.702. In het kader van de regeling van die aangifte heeft de Inspecteur in een telefoongesprek op 18 februari 2008 aan belanghebbende verzocht om nadere informatie onder meer over betaalde hypotheekrente, het eigenwoningforfait, studiekosten en giften. Bij brief van 25 maart 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is van de aangifte voor dat jaar af te wijken. De Inspecteur heeft bij brief van 11 april 2008 zijn verzoek om informatie betreffende voornoemde aftrekposten herhaald. Deze vragen zijn niet beantwoord. Evenmin zijn betalingsbewijzen of andere bescheiden waaruit blijkt dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen op hem of zijn echtgenote hebben gedrukt, overgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag, gedagtekend 28 mei 2008, is de Inspecteur van de aangifte afgeweken onder meer op de onderdelen de eigen woning, durfkapitaal, scholingsuitgaven en giften. Het tegen de primitieve aanslag ingediende bezwaar is afgewezen. Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingediende beroepschrift heeft hij nadien ingetrokken. Met het intrekken van het beroepschrift is de aanslag over het jaar 2005 per 16 oktober 2009 onherroepelijk komen vast te staan.

3.5. Aangezien in de aangiften 2004 en 2006 tot en met 2008 soortgelijke als voormelde aftrekposten waren opgenomen, heeft de Inspecteur besloten vragen te stellen over deze aangiften. Op 4 juni 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat zijn aangifte over het jaar 2004 opnieuw beoordeeld wordt. In deze brief zijn vragen gesteld dan wel informatie gevraagd over de eigen woning, kinderopvang, scholingsuitgaven, kwijtschelding durfkapitaal en giften. Op verzoek van belanghebbende is uitstel voor het beantwoorden van de vragen verleend tot 14 augustus 2009. Op 19 oktober 2009 is een rappelbrief verstuurd.

3.6. Op 9 december 2009 is aan belanghebbende een kennisgeving gestuurd, inhoudend dat over het belastingjaar 2004 een navorderingsaanslag zal worden opgelegd en dat een boete zal worden opgelegd. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt.

”De reden voor de navorderingsaanslag is de verkregen en verzamelde informatie bij de behandeling van het door u ingediende beroepschrift tegen de uitspraak op het bezwaar inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005."

Hierna motiveer ik onder punt 1 de door te voeren correcties op het inkomen per onderdeel van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004. Vervolgens vindt u onder punt 2 een berekening die duidelijk maakt welke gevolgen de afwijkingen hebben voor de verschillende onderdelen van de aangifte. Onder punt 3 leest u de reden van de op te leggen boete. (…).

1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Eigen woning: forfait

In uw aangifte heeft u een bedrag van € 486 (zijnde 50%) aangegeven voor het eigenwoningforfait.

Volgens informatie van Gemeente [Q] (Woz-gegevens) bent u in 2004 zowel eigenaar als gebruiker van dé woning aan de [a-straat 1], [0000 XX] [Q]. De Woz-waarde in 2004 bedraagt NLG 165.000 (€ 74.873). Volgens de akte van levering van 15 mei 2000 hebben u en mevrouw [Y], ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van het woonhuis (appartementsrecht) aan de [a-straat 1], [0000 XX] [Q]. Het eigenwoningforfait bedraagt 0,65% van € 74.873 is € 486.

Uw aandeel (50%) bedraagt dan € 243

Aangegeven € 486

Minder eigenwoningforfait € 243

Eigen woning: rente en kosten van geldleningen

In uw aangifte heeft u een bedrag van € 6.544 (zijnde 50%) aangegeven voor betaalde rente en kosten van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning.

Samen met mevrouw [Y] bent u, ieder voor de onverdeelde helft, twee hypothecaire leningen aangegaan welke staan ingeschreven in het Kadaster op het adres aan de [a-straat 1], [0000 XX] [Q]. Het betreft:

De eerste hypotheek (akte dd 15 mei 2000):

Postbank [xxxxxxxxx] (Deel spaar, deel aflossingsvrij)

Hoofdsom NLG 200.000 (€ 90.756,04)

Hypotheekrente 2004: € 4.220,22

De tweede hypotheek (akte dd 30 maart 2001):

Postbank [xxxxxxxxx]

Hoofdsom NLG 95.000 (€ 43.109,12)

Hypotheekrente 2004: € 1.342,30

In totaal is in 2004 aan eigenwoningrente betaald € 5.563

Uw aandeel (50%) bedraagt dan € 2.782

Aangegeven € 6.544

Minder aftrek eigenwoningrente € 3.762

Kinderopvang

U trekt na toepassing van de drempel € 1.740 (zijn de 50%) af aan kosten voor kinderopvang. In mijn brieven van 4 juni 2009, 19 juni 2009 en 19 oktober 2009 (herinnering) heb ik u verzocht informatie te verstrekken over de door u gevraagde aftrek c.q. het totaal aan kosten voor kinderopvang ad € 11.736. De gevraagde informatie heeft u tot op heden niet verstrekt. Daarom minder aftrek kosten kinderopvang € 1.740.

Persoonsgebonden aftrek

Studiekosten en andere scholingsuitgaven

U trekt na toepassing van de drempel een bedrag af (uw aandeel) van € 2.000 voor studiekosten en andere scholingsuitgaven. In mijn brieven van 4 juni 2009, 19 juni 2009 en 19 oktober 2009 (herinnering) heb ik u verzocht informatie te verstrekken over de door u gevraagde aftrek c.q. het totaal aan studiekosten voor een bedrag van € 3.500 (beide partners).

De gevraagde informatie heeft u tot op heden niet verstrekt. Daarom minder aftrek kosten studiekosten € 2.000.

Kwijtschelding durfkapitaal

U trekt € 5.000 af voor het verlies dat u heeft geleden bij de kwijtschelding van durfkapitaal (Agaathlening). In mijn brieven van 4 juni 2009, 19 juni 2009 en 19 oktober 2009 (herinnering) heb ik u verzocht informatie te verstrekken over de door u gevraagde aftrek voor kwijtgescholden durfkapitaal ad € 5.000. De gevraagde informatie heeft u tot op heden niet verstrekt. Daarom minder aftrek voor kwijtschelding durfkapitaal € 5.000.

Andere giften

U trekt na toepassing van de drempel een bedrag af van € 1.137 voor zogenoemde "andere giften". In mijn brieven van 4 juni 2009, 19 juni 2009 en 19 oktober 2009 (herinnering) heb ik u verzocht informatie te verstrekken over de door u gedane giften voor een bedrag van € 3.150 (beide partners). De gevraagde informatie heeft u tot op heden niet verstrekt. Daarom minder giftenaftrek € 1.137.

(…)

3. Boete

Naar aanleiding van een door u ingediende (en ingetrokken) beroepschrift tegen de uitspraak op het bezwaar inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 is getracht informatie te krijgen over in de aangifte 2004 in aftrek gebrachte bedragen. Hieraan heeft u geen medewerking verleend. Omdat niet is gebleken dat de in de aangifte in aftrek gebrachte bedragen kwalificeren voor aftrek (doordat bij herhaling gevraagde bewijsstukken niet zijn overgelegd) zal ik een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 opleggen.

Ik ben voornemens over het bovenstaande belastingbedrag een boete op te leggen van 50%. Dit voornemen is als volgt tot stand gekomen. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst wordt een boete opgelegd van 50%, wanneer er sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Betreffende de in aftrek gebrachte bedragen (aftrekposten zoals in deze brief genoemd) zijn door mij bij herhaling vragen gesteld betreffende het aantonen van deze aftrekken. Tot op heden heeft u hierop niet gereageerd. Ik concludeer hieruit dat deze bescheiden niet aanwezig zijn (geweest). Hierdoor is aftrek niet mogelijk. Door toch de aftrek te claimen heeft u hiermee willens en wetens het risico aanvaard een te laag inkomen aan te gegeven. Dit wordt door mij aangemerkt als een geval van voorwaardelijke opzet.

Om verjaring te voorkomen zal ik de naheffingsaanslag op korte termijn opleggen. De boete moet gelijktijdig met de navorderingsaanslag worden opgelegd. Daarom ben ik niet meer in de gelegenheid u een vooraankondiging van de boete te sturen (een kennisgeving in de zin van artikel 67k van de AWR). Vanzelfsprekend blijft u in de gelegenheid om de gronden waarop mijn beslissing tot het opleggen van de boete berust, gemotiveerd te betwisten. (…)”

3.7. Met dagtekening 18 december 2009 is de navorderingsaanslag met boete vastgesteld. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag als volgt vastgesteld:

Aangegeven verzamelinkomen: € 24.362

Bij: minder aftrek eigen woning: € 3.519

Bij: geen aftrek voor kinderopvang: € 1.740

Bij: geen aftrek voor scholingsuitgaven: € 2.000

Bij: geen aftrek verliezen op beleggingen in durfkapitaal: € 5.000

Bij: geen aftrek in verband met giften: € 1.137

Vastgesteld verzamelinkomen: € 37.758.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is:

a) of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;

b) of de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboete terecht is opgelegd; en

c) of terecht heffingsrente is berekend.

4.2. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat het opleggen van een navorderingsaanslag inclusief vergrijpboete en heffingsrente rechtvaardigt. De Inspecteur was bekend met alle feiten, omdat deze gegevens in alle aangiften, voorlopige en definitieve aanslagen vanaf 2000 zijn vermeld. Derhalve heeft de Inspecteur zijn onderzoeksplicht verzaakt.

4.3. De Inspecteur voert gemotiveerd verweer. In zijn incidenteel hoger beroep stelt hij zich op het standpunt dat ter zake van alle door hem doorgevoerde correcties aan belanghebbende een boete dient te worden opgelegd van 25 percent van het nagevorderde bedrag.

4.4. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof voorts naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag alsmede de boete- en heffingsrentebeschikkingen.

5.2. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de navorderingsaanslag en de heffingsrente en tot vaststelling van een vergrijpboete van 25 percent over alle in geding zijnde correcties.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

De wettelijke bepalingen

6.1. Artikel 16, eerste lid, van de AWR luidt:

"Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is."

6.2. Artikel 67e, eerste lid, van de AWR luidt:

"Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete."

Nieuw feit en ambtelijk verzuim begaan

7.1. [De Inspecteur] mocht bij het vaststellen van [belanghebbendes] aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die [belanghebbende] in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek was hij, in beginsel niet gehouden. Dit zou anders zijn, indien [de Inspecteur], na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. HR 11 april 2001, nr. 36.088, BNB 2001/260). Dit laatste is niet het geval. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat [belanghebbende] eigenaar was van een eigen woning en dat [belanghebbende] in het onderhavige jaar twee kinderen had en het dus niet onmogelijk was dat [belanghebbende] in verband daarmee kosten zou hebben gemaakt. Bovendien waren de door [belanghebbende] in aftrek gebrachte bedragen (verhoudingsgewijs) niet van dusdanige omvang dat [de Inspecteur] tot een nader onderzoek was gehouden. De omstandigheid dat opgaven in de toelichting bij de aangifte in summiere vorm zijn gedaan en niet nader zijn gespecificeerd leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de inspecteur een onderzoeksplicht heeft (vergelijk Hoge Raad 11 april 2001, nr. 36088, LJN: AB1005). Dit betekent dat [de Inspecteur] bij het regelen van de definitieve aanslag voor het jaar 2004 geen ambtelijk verzuim heeft begaan.

7.2. Gegeven het oordeel onder 7.1, heeft [de Inspecteur] terecht aan het beroep inzake het belastingjaar 2005 zoals vermeld onder 4, het nieuwe feit tot navorderen kunnen ontlenen. De stelling van [belanghebbende] dat de zaken in de aangifte al in de jaren vóór 2004 bij [de Inspecteur] bekend waren, doet hier niet aan af bij gebrek aan feitelijke grondslag In zoverre is het gelijk aan [de Inspecteur].

Vergrijpboete

8.1. Er is sprake van voorwaardelijk opzet indien [belanghebbende] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een handelen (of nalaten) tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden. Hierbij is vereist dat [belanghebbende] ten tijde van het doen van zijn aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen; vgl. Hoge Raad, 3 december 2010, nr. 09/04514, LJN: B05989). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de bewustheid van het handelen bij [belanghebbende] niet bewezen. Dat [belanghebbende] niet voldoende op de hoogte was van de eisen voor de aftrekposten maakt niet dat dit het geval is. Dat hij zonder voldoende onderliggende bewijsstukken aftrekposten in aanmerking heeft genomen, rechtvaardigt als zodanig evenmin de kwalificatie van (voorwaardelijk) opzet. Derhalve faalt de primaire stelling van [de Inspecteur], en is het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond.

8.2. Voorts is aan de orde of [de Inspecteur] zijn subsidiaire stelling heeft bewezen, dat [belanghebbende] kan worden verweten zodanig onachtzaam te hebben gehandeld bij het invullen van zijn aangifte dat sprake is van grove schuld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval met betrekking tot de aftrekposten eigen woning, het durfkapitaal en de giften.

De aftrekpost in verband met de eigen woning

8.2.1. [Belanghebbende] heeft tijdens het hoorgesprek met [de Inspecteur] aangegeven dat hij de hypotheekrente zowel voor het gehele bedrag bij hemzelf als bij zijn echtgenote in de aangifte in aftrek heeft gebracht. [Belanghebbende] heeft gesteld dat hij dat niet bewust heeft gedaan. Voorts heeft hij gesteld dat hij als leek geen hulp heeft gehad bij het invullen van de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] door te handelen als voornoemd en kennelijk niet zorgvuldig de aangiftes te controleren, grof onachtzaam en ernstig nalatig gehandeld en had hij redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Het feit dat hij geen deskundige is, doet daar niet aan af. Gelet hierop is over de met betrekking tot deze aftrekpost nageheven belasting een vergrijpboete van 25% gerechtvaardigd.

Aftrekposten durfkapitaal en giften

8.2.2. [Belanghebbende] heeft in zijn brief van 23 maart 2010 gesteld dat hij de aftrek heeft geclaimd op aanraden van een derde, en hij niet wist dat aan de aftrek voorwaarden waren verbonden. [Belanghebbende] is naar hij in voormelde brief stelt ook tot de giftenaftrek overgegaan op aanraden van een derde. Door, zonder zelf nader onderzoek te doen naar eventuele voorwaarden voor aftrek, toch de aftrek in zijn aangifte op te voeren, heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank grof onachtzaam en ernstig nalatig gehandeld en had hij redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat [belanghebbende] niet heeft gesteld noch anderszins is vast komen te staan dat [belanghebbende] zich in dit verband had laten informeren door een ter zake kundige. Gelet hierop is over de met betrekking tot deze aftrekposten nageheven belasting een vergrijpboete van 25% gerechtvaardigd.

De aftrekposten in verband met studiekosten en kinderopvang

8.2.3. Aangaande de aftrekposten voor studiekosten en kinderopvang is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van grove schuld omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat [belanghebbende] redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Van de stelling van [de Inspecteur] dat tijdens het hoorgesprek met [belanghebbende] is vast komen te staan dat [belanghebbende] zowel bij hemzelf als bij zijn echtgenote het gehele bedrag aan kosten in verband met kinderopvang in aftrek heeft gebracht, blijkt niets uit het dossier.

Heffingsrente

9. Nu het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag ongegrond is en [belanghebbende] geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

Nieuw feit

7.1. Blijkens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld, maar dit neemt niet weg dat de inspecteur, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen, is gehouden daarnaar onderzoek te doen (zie onder meer HR 13 november 2009, nr. 08/04594, LJN BK3080, BNB 2010/25 en HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, LJN BL7165, BNB 2010/155).

7.2. Op de gronden zoals vermeld in overweging 7.1 van haar uitspraak heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Inspecteur in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de in de aangifte opgenomen gegevens. Van een schending van de onderzoeksplicht van de Inspecteur is geen sprake.

7.3. De in het kader van de regeling van de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 ter kennis van de Inspecteur gekomen feiten en omstandigheden, in het bijzonder de fouten gemaakt bij de berekening van de inkomsten uit eigen woning en het ontbreken van enig bewijsmiddel ten aanzien van de aftrekposten ter zake van durfkapitaal, scholingsuitgaven, kinderopvang en giften, hebben bij hem gerechtvaardigde twijfels kunnen oproepen over de juistheid van de in de aangifte voor het jaar 2004 opgenomen gegevens. Hetgeen de Inspecteur nadien ter kennis is gekomen, zoals weergegeven in de brief van 9 december 2009, vormde voor hem een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:AWR).

Aftrekposten

7.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht en op goede gronden de in rechtsoverweging 3.7. vermelde correcties op het inkomen van belanghebbende aangebracht. Belanghebbende op wie de bewijslast rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat hij terecht aanspraak kan maken op de door hem opgevoerde aftrekposten.

Vergrijpboete

De aftrekpost in verband met de eigen woning

7.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende, door het gehele bedrag van de in 2004 ter zake van de eigen woning betaalde hypotheekrente zowel bij hemzelf als bij zijn echtgenote in de aangifte in aftrek te brengen en door niet zorgvuldig de aangifte van hemzelf en die van zijn echtgenote te controleren, grof onachtzaam en ernstig nalatig heeft gehandeld en hij redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Het feit dat hij geen deskundige is op het gebied van het belastingrecht doet daaraan niet af. De rechtbank heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat met betrekking tot deze aftrekpost een vergrijpboete van 25 percent van de nagevorderde belasting gerechtvaardigd is. De rechtbank is naar ’s Hofs oordeel terecht en op goede gronden tot voormeld oordeel gekomen. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

De aftrekposten durfkapitaal en giften

7.6. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende in zijn brief van 23 maart 2010 heeft gesteld dat hij de aftrek durfkapitaal heeft geclaimd op aanraden van een derde, en hij niet wist dat aan de aftrek voorwaarden waren verbonden. Belanghebbende is, naar hij in voormelde brief stelt, ook tot de giftenaftrek overgegaan op aanraden van een derde. Door, zonder zelf nader onderzoek te doen naar eventuele voorwaarden voor aftrek, toch de aftrek in zijn aangifte op te voeren, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank grof onachtzaam en ernstig nalatig gehandeld en had hij redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft gesteld noch anderszins is vast komen te staan dat belanghebbende zich in dit verband had laten informeren door een deskundige. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank over de met betrekking tot deze aftrekposten nagevorderde belasting een vergrijpboete van 25 percent gerechtvaardigd. De rechtbank is naar ’s Hofs oordeel terecht en op goede gronden tot voormeld oordeel gekomen. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust juist en maakt deze tot de zijne.

De aftrekposten studiekosten en kinderopvang

7.7. Aangaande de aftrekposten voor studiekosten en kinderopvang heeft de rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van grove schuld, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.

In het incidenteel hogerberoepschrift bestrijdt de Inspecteur gemotiveerd het oordeel van de rechtbank. Dat betoog treft doel. In de hiervoor vermelde brief van 9 december 2009 heeft de Inspecteur erop gewezen dat hij ten aanzien van beide aftrekposten herhaaldelijk om informatie en bewijzen heeft gevraagd. Ook nadien, in het kader van de afhandeling van het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslag, heeft de Inspecteur belanghebbende meer dan eens verzocht om informatie en bewijzen ten aanzien van deze aftrekposten. Belanghebbende heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep, een begin van bewijs, schriftelijk noch anderszins, bijgebracht op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat hij uitgaven voor kinderopvang en studie dan wel opleiding heeft gedaan. Hij heeft evenmin een verklaring gegeven voor het feit dat hij geen bewijs ter zake kon leveren. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat dit bewijs nimmer voorhanden is geweest. Door niettemin voormelde aftrekposten in zijn aangifte op te nemen, heeft belanghebbende grof onachtzaam en ernstig nalatig gehandeld en had hij redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Gelet hierop acht het Hof een vergrijpboete van 25 percent over de met betrekking tot deze aftrekposten nagevorderde belasting gerechtvaardigd.

Heffingsrente

7.8. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de in rekening gebrachte heffingsrente ten onrechte dan wel tot een onjuist bedrag is berekend.

Conclusie

7.9. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en het incidenteel hoger beroep gegrond. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

- verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing omtrent het griffierecht;

- bevestigt de uitspraak op bezwaar, behoudens voor zover deze de boete betreft;

- vermindert de boete tot 25 percent van de nagevorderde belasting.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 17 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.